De straten van Naarden bieden een ontstellende aanblik. Het einde van deze wintermiddag is donker genoeg om beschutting te bieden, maar voor Isabella licht genoeg om de gruwelijkheden om haar heen niet kunnen negeren. Ze loopt tussen de smeulende puinhopen door een stad die ze nauwelijks herkent. Hoe ze ook haar best doet om weg te kijken van de opgehoopte lijken, hoe ze ook haar blik naar beneden gericht houdt, er is geen moment dat ze niet opschrikt of ineenduikt. De vers gevallen sneeuw is doordrenkt van het bloed. Lange sporen van druppels leiden naar enorme plassen, die door de sneeuw zijn geabsorbeerd en een macaber contrast bieden met het spaarzame wit.
Te weten: Owen was dood. Henry wist het. Hij bleef zijn hand maar aan zijn dij afvegen, heen en weer over de koele, stugge kettingsteek van zijn honkbalbroek. Heen, weer, heen, weer. Zijn wijsvinger jeukte, vlak boven de plooi tussen het middelste en het bovenste kootje, een jeuk die niet wilde weggaan. De plek waar de bal hem was ontglipt. Owen was dood. Niemand had het hem nog verteld, maar Henry wist het. Hij hoefde daar niet te gaan kijken, bij de EHBO’ers, scheidsrechters en coaches die in de dug-out samengedromd rond het lichaam stonden. Hij kon hier blijven, op het binnenveld, in z’n eentje. Hij ging op zijn hurken zitten, veegde met de jeukende wijsvinger over zijn dij. Over het roodbruine zand van het binnenveld. De bal had Owen vol in het gezicht geraakt.
Klokslag halfvijf controleer ik de zolen van mijn schoenen op onverhoopte poep en dan betreden wij met eerbied het idyllische hofje, slaan na dertig meter rechts af en nemen de drie licht bemoste treden van studio 22. Zo kort en zacht mogelijk bel ik aan. Paarse clematis pavoiseert de voordeur. Mevrouw Domela doet open. Haar sterke gezicht is on-Nederlands elegant gemaquilleerd. Ik stamel iets over tulpen naar de zee dragen en overhandig onze Hollandse bloemenhulde. Als verlegen kinderen staan wij in de kleine keuken. Daarachter, in het woonatelier, zie ik de kunstenaar zitten; in een lage, houten fauteuil. Hij komt glimlachend en stijvig overeind en wij schudden handen. Gaat u zitten. Een kathedraals gevoel bevangt mij.
De bewoners van Robbeneiland weten dat er moeilijkheden op komst zijn wanneer ze laat in de middag voor het eerst sinds hun aankomst, nu vier weken geleden, een sloep met zeven mannen erin van Batavia’s Kerkhof naar hun eiland zien varen. Met harten die bonzen als de trommels van de Hottentotten die ze drie maanden eerder hoorden, beginnen de veertig mensen wanhopig in alle richtingen te rennen. Ze zijn getuige geweest van de moord op de provoost en zijn mensen, een week geleden, en ze twijfelen er niet aan of hun staat hetzelfde lot te wachten. Maar waar moeten ze heen? Op dit kleine, kale eiland zijn er maar weinig mogelijkheden. Het is weliswaar ruim anderhalve kilometer lang, maar je kunt je nergens verstoppen. Er is geen bos, er zijn geen duinpannen of grotten. Je kunt nergens naartoe. Maar toch rennen ze. Ze proberen zo ver mogelijk uit de buurt te blijven van de mannen die, nu de boot de kust nadert, zwaarbewapend blijken te zijn.
Maar hoe konden wij, met onze upmarket uitgeverij en onze hooggeschoolde redacteuren, nu opeens voor de verkoop van de laatste 8795 boeken van Amélie Nothomb zorgen? Wij hadden onze kopers toch niet in de hand. En onze verdubbelde marketingafdeling ook niet. Wij maakten boeken voor ze, en wat voor boeken, sommige van onze auteurs hadden vrijwel alle prijzen gewonnen die er maar te winnen waren, in onze niche, en van hen drukten wij dan uit principe al hun fraai vormgegeven toptitels door, ze verwachtten niet anders van ons. Maar het kopen van al die titels moesten onze gewaardeerde kopers toch echt helemaal zelf doen. Wij konden ze daar niet toe dwingen. Hooguit verleiden, maar ook dat was wettelijk aan grenzen gebonden. Wij waren geen verkrachters. Als onze kopers plotseling staakten, of getroffen werden door god weet welke economische dip, dan konden daar nog geen drie extra marketingmedewerkers tegenop.