Literatuurplein.nl
Kom kijken op het Marktplein! Klik hier!
Wachtwoord vergeten?

Controle op menselijke interactie

Nog geen Literatuurplein-account?

Meld u nu aan om gebruik te maken van alle functionaliteit van het Literatuurplein! Klik hier

Selecteer uw favoriete onderwerpen

Reset portlets

Kies een paginakleur

  • Verras mij
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
Keuzes verbergen
WebColumn 81
Fleur Speet
(8 juni 2010)


Leed in de literatuur, het is standaard. Zonder verdriet en mislukking geen verhaal. Toch schieten bij het bittere leed uit de werkelijkheid woorden tekort. Zeker wanneer het gaat om de dood van een kind. Waar blijf je dan nog als mens? Als ouder? Esther Jansma verloor haar kindje en dichtte daar onder meer over in Alles is nieuw: hoe het verdriet zich steeds weer herhaalt. Kristien Hemmerechts verloor twee van haar kinderen aan wiegendood. Hester Knibbe verloor haar volwassen zoon; al die jaren behoedde ze hem voor onheil, maar onverwacht slaat het noodlot toch toe, vanuit zijn eigen lichaam. Het gevaar kan van alle kanten komen. De dochter van Anna Enquist werd geschept op de Dam. De zoon van Mirjam Rotenstreich en Adri van der Heijden werd 23 mei jongstleden geschept op de hoek van de Hobbemastraat-Stadhouderskade en overleed na een volle dag op de operatietafel. Hij zou volgende week 22 zijn geworden. Alsof een reus met zijn mouw achteloos hun dagelijks bestaan van tafel heeft geveegd. Het is onvoorstelbaar hoe de stutten plotseling, met brute kracht, onder hun leven vandaan zullen zijn geslagen, hoe ademen een opdracht wordt. Er valt niet over te praten, er valt niets over te zeggen.

Toch blijven auteurs het proberen, misschien wel juist als ze het zelf hebben meegemaakt. Na vele jaren gaan de woorden voorzichtig hun weg, wordt er een monumentje opgericht. Zo schreef Anna Enquist over haar dochter de roman Contrapunt en verwerkte P.F. Thomèse het verlies van zijn dochtertje in Schaduwkind. Het blijft dan vreemd om literatuur te lezen van auteurs die over desastreuze gebeurtenissen in het leven fabuleren. Mag het wel als het niet echt is meegemaakt? Ja, natuurlijk. Iedereen mag overal over schrijven, geen onderwerp is taboe. Maar de meetlat ligt wel hoger, of anders in ieder geval. De integriteit moet enorm zijn.

De Amerikaanse debutante Robin Black slaat haar personages in ieder verhaal met een mokerslag tot moes. Of althans, dat zou je verwachten met het leed dat ze hen aandoet. Toch staan ze stevig. Bijna al haar personages worden in de verhalenbundel Als ik van je hield, zou ik je dit vertellen met de dood geconfronteerd: ze hebben kanker, hun minnaar is onverwacht overleden, hun vader gaat dood terwijl ze zelf bijna hun dochter elektrocuteren in bad, hun broer stierf als kind langzaam aan een ziekte en dan krijgt het vriendje van hun zoon een auto-ongeluk, ze zijn op vakantie met hun broer die altijd dronken is, rijden nu zelf en veroorzaken een dodelijk ongeluk waarbij de broer overlijdt of ze hebben hun derde miskraam. En anders ondergaan ze wel ander leed: ze worden blind doordat ze met een verfbus spelen, hebben maar één been, zijn als baby ontvoerd of hebben een attaque die ze schroomvallig voor hun familie verborgen houden. Ga er maar aanstaan. En dat allemaal in één verhalenbundel.

Maar Robin Black weet met zoveel compassie en liefde te schrijven, met zoveel indirecte zinnen en vertwijfelde taal, dat haar verhalen volkomen overtuigen. Bovendien steeds draait het om iets anders, is er een afwijkende manoeuvre. In het titelverhaal speelt een ruzie over een schutting in de tuin. De hoofdpersoon schrijft een brief aan de buurman, waarin ze uitlegt dat ze kanker heeft en haar laatste maanden nog bij haar huis wil kunnen komen, wat niet meer kan als de schutting er staat. Wat banaal: een schutting die de laatste dagen van een stervende verknallen.

In een zeer aangrijpend verhaal, ‘Het vereeuwigen van John Parker’, maakt een schilderes een portret van een oude man, in opdracht van zijn vrouw. De man zwijgt, lijkt ergens heen, afgedwaald. De schilderes heeft zeven weken geleden haar minnaar verloren, ze mijmert en blik melancholisch terug. Dan ziet ze in de ogen van de man plotseling de waarheid: de dood sluipt erin rond: ‘Dit is voor haar een portret van de tijd zelf geworden. Het verleden, vervat in de identiteit die hij aan het verliezen is. Het heden, nog steeds in de korte blikken van iemand die probeert te blijven.’ Het zijn filosofietjes die haar bezighouden terwijl ze haar eerste schetsen maakt. Tot de man breekt en ze zich schuldig voelt hoe ze het verdwijnen van deze man observeerde. Op het moment dat ze hem vasthoudt en strak in de ogen kijkt, en alleen maar zegt: ‘ik weet het’, raakt Black op magistrale wijze de diepste emoties. Terwijl er eigenlijk maar weinig opzienbarends is gebeurd.

Black weet al het leed behapbaar te houden door de omtrekkende bewegingen, maar ook door de vele stiltes, door wat ze weglaat. Daarmee toont zij haar mededogen. Wanneer zoontje Mark niet gelooft dat zijn vriendje bij een auto-ongeluk is omgekomen, zegt hij:
‘“Mam, hij kan niet dood zijn.”
Ik zei niets.
Kan niet. Ik ken dat gevoel.
Kan niet.
Maar is wel.’
En wanneer haar zoontje vraagt hoe dat voor zijn moeder was, om haar broer te verliezen, zegt ze even niets: ‘Ik nam mijn zoon bij de hand mee mijn kamer in. Ik trok de la van de kast open, en daar lag hij, glimlachend boven op de zacht opgevouwen sjaals en de lege vingers van mijn handschoenen, die hem leken te willen vasthouden.
“Het was zwaar,” zei ik tegen Mark, terwijl hij de foto naar zijn gezicht bracht. “Er is geen geheim antwoord. Het was vreselijk, vreselijk zwaar.”’

Er zijn dus wel woorden voor, maar ze zijn zo gewoontjes dat ze een omzeilende context nodig hebben vol warmte, willen ze kunnen troosten. Black laat dat als geen ander zien.
Boeken

WebColumn 80
Annemiek Neefjes
(23 april 2010)


Ik ben verbijsterd. Zojuist heb ik de laatste bladzijden van Lucia de B. : levenslang en tbs gelezen van Lucia de Berk, de vrouw die geen introductie meer behoeft. Het boek is een ijzingwekkend verslag van ruim zes jaren in de gevangenis. Van diepe vernederingen, grove beledigingen, tergende onmacht, kwellende onzekerheid.

Het is bijkans onvoorstelbaar dat zij deze helse jaren heeft overleefd. Het ‘heksenproces’ van de eenentwintigste eeuw dat tegen haar werd gevoerd, maakte dat zij vogelvrij was. Gevangenispersoneel, verbalisanten, de officier van justitie, rechters: iedereen grijpt zijn kans om te treiteren en kleineren, om zijn eigen grote of kleine zielige macht over haar uit te oefenen. In haar boek legt zij een diepmenselijke neiging bloot van enorme machtswellust.

Dat het je allemaal zo frontaal raakt, komt omdat Lucia de Berk observerend schrijft, helder en kernachtig. Ze scheldt niet, ze houdt geen weeklacht, ze beschrijft zichzelf niet als een zielenpiet. Ze is erin geslaagd in deze barre omstandigheden voldoende afstand van zichzelf te nemen om erover te kunnen schrijven.

Als zij, totaal overrompeld, wordt opgepakt door een arrestatieteam van twaalf man (december 2001), belandt zij eerst in een politiecel. De godganse dag opgesloten met niets omhanden en geen enkel contact met de buitenwereld, met tussendoor urenlange verhoren. Na tien dagen wordt zij overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen in Breda, waar ze de isolatiecel ingaat. Net als in de cel op het politiebureau blijft ook hier ’s nachts het licht branden, want ze wordt met camera’s geobserveerd. Ze kan er niet door in slaap komen. De airco blaast non-stop koude lucht.

‘De eerste dagen dacht ik alleen maar aan warm worden,’ schrijft ze. ‘(…) Omdat ik zulke koude voeten had, bedacht ik iets om ze te warmen en droger te houden. Van het toiletpapier vouwde ik reepjes, die ik vervolgens zo vlocht dat het een soort slippertjes waren. Het hielp mijn voeten warm te houden en het bood afleiding.’ Toen het personeel dit doorhad, werden de slippertjes en het wc-papier onmiddellijk afgepakt.

Toen ik het boek las moest ik aan talloze andere boeken denken, romans vooral. Bijvoorbeeld aan W.F. Hermans met zijn paranoïde werelden. Lucia de Berk heeft al zo vaak ervaren hoe woorden van haar werden verdraaid, dat ze in paniek raakt als op het kantoor van haar afdeling in Breda een onbekende vrouw haar op vriendelijke toon vragen stelt. ‘O, hoe zal ik hierop antwoorden? Wat wil ze van me horen? (…) Misschien moet ik weer naar de iso, als ik het verkeerde zeg.’ Het blijkt dat de officier van justitie eist dat ze naar een andere afdeling wordt overgeplaatst. Zonder toelichting. De mevrouw kwam dit mededelen.

Ook aan Kafka doet haar boek natuurlijk denken, zelf heeft De Berk het ergens over kafkaësk. Maar zelfs aan Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov. Natuurlijk kun je hier heel veel tegenin brengen en in veel opzichten gaat de vergelijking helemaal niet op, maar een kapotmakende minachting van machtigen jegens het individu en de barre overlevingsstrijd van de eenling komen zeker overeen. En de kou, de kou die Lucia de Berk zo vaak voelt, als ze bang is voor nachtmerries, als ze weer eens verhoord wordt, of op is van de zenuwen over het vonnis dat geveld wordt: dat is een Siberische kou die tot diep in de botten gaat zitten.

Dat zij standhoudt is indrukwekkend. Ze blijft geloven in het goede, ze vindt steun bij medegevangenen en ook bij enkele gevangenismedewerkers. En terwijl de meeste van haar ex-collega’s suggestieve verklaringen over haar hebben afgelegd, was er toch die ene ex-collega die getuigde dat zij niet aan de kundigheid en betrouwbaarheid van Lucia’s werk twijfelde. Gevolg: talloze verhoren voor deze Jolanda en zelfs een verhoor onder hypnose, in de hoop dat er toch iets verdachts wordt geformuleerd. Wat niet is gebeurd. Deze jonge vrouw ziet Lucia na drieëneenhalf jaar voor het eerst weer in de rechtszaal en ze constateert dat ze wel ‘tien jaar ouder’ lijkt geworden. Uit deze ene opmerking snap je wat vasthouden aan de waarheid je kan kosten.

En Lucia de Berk heeft al die jaren geschreven. Dat heeft zeker geholpen om niet ‘gek’ te worden. Lees dit boek. Het heeft niks met Peter R. de Vries-achtige spanning en sensatie te maken. Je zult het nooit meer vergeten.
Personen
Boeken

WebColumn 79
Annemiek Neefjes
(26 maart 2010)


Omdat ik het de afgelopen tijd enorm druk had kon ik niet alles lezen wat ik wilde. Ik begon me daardoor steeds meer ontheemd te voelen. Het werk dat ik te doen had was mooi en had betrekking op de literatuur en toch, toch kon het onmogelijk alles zijn wat ik deed. Lezen zorgt voor een wisselwerking tussen wat je doet en wat je denkt, tussen handelen en reflectie. Zonder boeken ga je als een hinkepoot door het leven.

Uit de stapel ‘nog te lezen’ viste ik Een dramatische liefde, waar ik al een tijdje reikhalzend naar uitzag. Het is een verzameling brieven van Ingeborg Bachmann en Paul Celan, twee auteurs die twintig jaar lang met onderbrekingen een liefdesrelatie hadden, terwijl ze onderweg met een ander trouwden. Er is in de kranten natuurlijk al het nodige over de brieven geschreven maar wat mij opviel is nog niet opgemerkt. Eind jaren veertig tot begin jaren vijftig zit er nog zoveel ‘rust’ in de correspondentie. Dat sprak mij als half overwerkte wel aan.

De geliefden schrijven elkaar; Bachmann woont in Wenen en Celan in Parijs. Soms laten ze iemand een brief voor de ander meenemen. Waarom dat zo is weet ik niet maar misschien deed de post er langer over? Ze lijken elkaar hoogst zelden te bellen; uit een brief blijkt dat in ieder geval Celan geen eigen telefoon had. En ze reizen niet om de haverklap naar elkaar toe; het kost veel en er was nog geen Easyjet.

Met de brieven kom je terecht in een aangrijpend liefdesverhaal maar ook, zo ervaar je het, in een andere tijdsdimensie. Geen mail, geen weekendtrips, geen telefoontjes en sms’jes om elkaar voortdurend de liefde te betuigen. Schrijven en wachten en ook de aarzeling om te schrijven zijn onderdeel van hun liefde.

Het is natuurlijk onzin om de wereld van de trage communicatie op te hemelen ten koste van onze huidige tijd. Maar het kan geen kwaad je af en toe te realiseren hoe veeleisend onze tijd is, hoe dwingend de eis van altijd maar bereikbaar zijn, altijd maar doen, altijd maar doorgaan. Je kan mopperen op Wouter Bos omdat hij wegloopt voor zijn taak maar ik heb een politicus uit de jaren vijftig wel eens horen vertellen dat vergaderingen in die tijd duurden tot half zes en pas weer begonnen om half acht ’s avonds. Zodat men naar huis kon om te eten.

Toen ik na de brieven Stil de tijd las van Joke J. Hermsen begreep ik dat het verlangen om te ontsnappen aan de dagelijkse hectiek niet per se ouderwets is. Haar boek is zelfs een ‘pleidooi voor een langzame toekomst’. Ze stelt dat je loszingen van de door de klok geregeerde tijd een voorwaarde is voor creativiteit. Ze heeft het over innerlijke tijd en citeert William Faulkner, die schreef dat ‘de ware tijd pas tot leven komt, als de klokken zwijgen’.

Toen ik haar boek dichtsloeg en Henri Bergson, Simeon ten Holt, Ernst Bloch, Mark Rothko, en ook Ingeborg Bachmann had laten passeren, toen kon ik er weer tegenaan. Tijdens het heerlijke lezen was de tijd van mij. Nu kon ik weer van de tijd zijn.
Boeken

Eerdere columns

Titaantjes waren we. Of amazones.: WebColumn 78
Fleur Speet 11 maart 2010
 
Kinderen vertrouwd maken met taal en verhalen: WebColumn 77
Annemiek Neefjes 25 februari 2010
 
Vijf procent lezers: WebColumn 76
Annemiek Neefjes 29 januari 2010
 
Een literaire kerstwens: WebColumn 75
Annemiek Neefjes 21 december 2009
 
Literatuur versus Levenslust?: WebColumn 74
Fleur Speet 5 december 2009
 
Een sleutel van alle huizen: WebColumn 73
Annemiek Neefjes 19 november 2009
 
De kern van ons leven: WebColumn 72
Fleur Speet 4 november 2009
 
Een reis in je geheugen: WebColumn 71
Annemiek Neefjes 26 oktober 2009
 
Roeren in de bouillabaisse: WebColumn 70
Fleur Speet 16 oktober 2009
 
Ongevoelig voor de seizoenen: WebColumn 69
Annemiek Neefjes 24 september 2009
 
Met deernis in de pen: WebColumn 68
Fleur Speet 28 augustus 2009
 
In het land van moeders: WebColumn 67
Annemiek Neefjes 13 augustus 2009
 
Lezen om te leren?: WebColumn 66
Fleur Speet 10 juli 2009
 
Heine wie?: WebColumn 65
Annemiek Neefjes 25 juni 2009
 
Gedachten met een schitterende intensiteit: WebColumn 64
Fleur Speet 10 juni 2009
 
In alle maten en smaken: WebColumn 63
Annemiek Neefjes 28 mei 2009
 
De almacht van de recensent: WebColumn 62
Fleur Speet 19 mei 2009
 
Man van weinig woorden: WebColumn 61
Annemiek Neefjes 24 april 2009
 
Met dank aan Anthony: WebColumn 60
Fleur Speet 15 april 2009
 
De motor van de literatuur?: WebColumn 59
Fleur Speet 1 april 2009
 
De literatuur in vrije val: WebColumn 58
Fleur Speet 16 maart 2009
 
De boekenkast als canon: WebColumn 57
Fleur Speet 10 maart 2009
 
Een aanloopje: WebColumn 56
Fleur Speet 26 februari 2009
 
Meten met twee maten: WebColumn 55
Fleur Speet 4 februari 2009
 
Plankgas: WebColumn 54
Fleur Speet 20 januari 2009
 
Voor bijrijders, meelifters, leestafelaars...: WebColumn 53
Fleur Speet 4 januari 2009
 
Wachten op een wonder: WebColumn 52
Chrétien Breukers 19 december 2008
 
Een strohalm voor auteurs: WebColumn 51
Fleur Speet 4 december 2008