Interview met Adriaan van der Staay
‘De grootgrutter is op dit moment de dominante figuur in de Nederlandse politiek’
Door Annemiek Neefjes (21 mei 2009)


‘Wat denkt u,’ vraagt Adriaan van der Staay als ik wegga, ‘zal er in de pers op mijn boek gereageerd worden? Ik heb geen idee, ik ben voornamelijk een stem binnenskamers, maar uitgeverij Augustus wilde graag iets van me naar buiten brengen.’ Dat werd Wereldkoers, een bundel artikelen over kunst en cultuur in onze migrerende wereld.

Van der Staay (1933) behoort inderdaad niet tot de categorie BN’ers. Toch oefent hij zonder twijfel sinds decennia invloed uit op de Nederlandse cultuurpolitiek. Sommigen kennen hem nog als de ‘kunstpaus van Rotterdam’, uit de periode 1968-1979, toen hij directeur was van de Rotterdamse Kunststichting en de cultureel ingedutte stad internationaal aanzien gaf. Hij richtte er het Internationaal Film Festival en Poetry International op, twee instellingen die onmogelijk nog weg te denken zijn.

Daarna was hij onder andere directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, van 1979 tot 1998, een voor de buitenwereld niet altijd opvallende functie. Ook toen al schreef hij debatstukken over kunst en cultuur voor ministeries en gezaghebbende instellingen. Hij was onder veel meer betrokken bij de oprichting van het Prins Claus Fonds, dat zich ten doel stelt het contact tussen culturen wereldwijd te vergroten. En last but not least: regelmatig brengt hij advies uit over paleissymposia, waarbij Hare Majesteit als gastvrouw optreedt.

Van der Staay ontvangt me bij hem thuis in Leiden, in het huis waar ooit de wis- en natuurkundige Lorentz woonde. De inrichting van zijn huis maakt zijn visie tastbaar, je loopt als het ware in zijn opvattingen rond. In de in zijn opdracht gerestaureerde ‘Franse salon’ op de begane grond is het thema van de cultuurvermenging, van internationale invloeden, aanwezig in alles: in het behang dat hij heeft laten drukken en aanbrengen, met de exotische wandschildering l’Hindoustan: een exotisch tafereel uit de vroege negentiende eeuw. In het versleten, handgeweven Perzisch tapijt met Europees motief. In de in Parijs geweven stoelkussens met motieven uit Perzische miniaturen. Hij vertelt er met smaak en gedetailleerd over.

Als ik hem vraag naar de motor van zijn werk, dan verwijst hij om te beginnen naar zijn jeugd. Hij werd in 1933 geboren in de ‘Philipsstad’ Eindhoven, waar zijn vader als werktuigbouwkundig tekenaar werkte. Hij noemt het een migrantenstad in een tijd dat er nog weinig mobiliteit was. Later verhuisde het gezin naar Londen en in de Tweede Wereldoorlog gingen ze in Leuven wonen, op de Belgische taalgrens. ‘Deze ervaringen hebben van mij,’ vertelt hij, ‘een levenslange reiziger gemaakt. Ik zag hoe door migratie culturen mengen, hoe cultuur verrijkt wordt. Toen leerde ik dat het denken in grenzen - geografisch, etnisch, cultureel - onhoudbaar is.’

Europa was zijn perspectief, niet Nederland, en vervolgens bleek buiten Europa ook nog een wereld te ontdekken. ‘Toen ik negentien was, ontmoette ik Tjalie Robinson, de schrijver-journalist met een Indische moeder en een Nederlandse vader. Hij zei over de Franse auteur André Gide, die ik bewonderde: “Hij is een goudvis die de goudvissenkom goed kent” - en met die goudvissenkom bedoelde hij dan Europa. Door Robinson leerde ik ver over de grenzen van dit continent heen kijken. Toen ik in Rotterdam Poetry International oprichtte was dit mijn perspectief; ik wist dat ik het festival langs een mondiale lat moest leggen.’

Begeesterd zegt hij: ‘We ontvingen bij Poetry de grootste dichters, overal vandaan, zie de kast hier in mijn kamer, vol werk van de auteurs die allemaal optraden. Joseph Brodsky bijvoorbeeld. Als je die eenmaal hebt horen lezen, dan vergeet je hem nooit meer: met zijn vuisten in zijn zakken en zijn borst recht vooruit.’

In uw boek heeft u het over ‘kunst als bindend element in de hedendaagse samenleving’. Hoe ziet u dat voor zich?
‘Die gedachte is voortgekomen uit mijn onbehagen over de huidige economische visie op de kunsten - kunst biedt veel werkgelegenheid, trekt toeristen, enzovoort. Deze benadering ontdoet de kunsten van hun echte waarde, ik wil terug naar de kern: kunst geeft betekenis aan het bestaan, geeft op een emotionele manier houvast. De film en het boek Gomorra bijvoorbeeld, over de wrede maffiapraktijk in Napels, trekken enorm veel lezers en bezoekers. Het toont dat de wereldwijd opererende maffia overal tot bezorgdheid leidt en dat kunst hier vorm aan kan geven.’

Van der Staay vindt dat Nederlandse politici het emotionele belang van kunst nauwelijks onderkennen. ‘Zoals Multatuli stelde: “Als je in Nederland geen dominee bent, dan ben je een kruidenier.” De manager, de grootgrutter, is op dit moment de dominante figuur in de Nederlandse politiek. Er is voornamelijk oog voor het beperkte belang van de economie. Barack Obama laat zien dat het ook anders kan. Hij krijgt de kunstenaars als vanzelf aan zijn kant. Hij is geen specialist; hij heeft op een fundamentele manier contact met de gehele mens. En hij toont moed, hij is gericht op de toekomst, hij heeft wat ik noem naïeve energie.’

Ook wat betreft Europa vindt Van der Staay Nederlandse politici falen. Fel: ‘Europa wordt louter als een economisch project gezien. Ik vind het niet vreemd dat burgers weinig vertrouwen in Europa hebben. Mensen willen toekomst zien maar politici zijn niet in staat die te formuleren. Als de politieke leiding van het land geen zelfvertrouwen uitstraalt als het om Europa gaat, waarom zou de bevolking er dan wel in moeten geloven?’

Ook intellectuelen staan sceptisch tegenover Europa, zelfs een grootheid als Hans Magnus Enzensberger.
Van der Staay: ‘Zij zien niet het vermogen om zelf vorm te geven aan de wereld. Lange tijd stonden intellectuelen aan de kant van de progressiviteit. De verzorgingsstaat is ontstaan en een politiek vreedzaam Europa. Ik vind het oprecht spijtig als de Europese denkende mens niet inziet dat dit het resultaat is van iets doen, van een gezamenlijke krachtsinspanning. Welvaart, vrijheid en veiligheid voor de burgers kunnen alleen behouden blijven via een politiek sterk en democratisch Europa.’

Hij noemt enkele ‘geestelijke leidslieden’ die wél moedig over Europa schrijven en praten: ‘Geert Mak, wiens boek over Europa veel lezers kreeg en de verfilming veel kijkers. De Nederlander Ian Buruma en zonder permissie H.M. de Koningin, die dwars tegen het opinieklimaat in, vorig jaar gastvrouw was voor drie symposia over Europa. In Engeland Timothy Garton Ash, in Duitsland Peter Sloterdijk en in Frankrijk Tzvetan Todorov, terwijl in mijn gedachtegang ook de Turk Kemal Dervish in het rijtje past, die voor de United Nations werkt. Maar in het huidige klimaat van ach en wee vinden zij helaas weinig gehoor.’

Na ‘De verbeelding’ en ‘Europa’ heet het derde en laatste deel van zijn boek zonder omhaal ‘De wereld’. Van der Staay geeft hierin zijn visie op culturele ontwikkeling in een migrerende wereld. Hij neemt een begrip over van de Britse wetenschapper Richard Dawkins: culturele vormen of ‘memen’, de culturele variant van genen.

Van der Staay: ‘Ik vind de benadering van cultuur als een menigte memen - ideeën, tradities, kunstuitingen - interessant omdat ik denk dat die klopt. Cultuur is niet gebonden aan een territorium, aan etnische groepen of aan een tijdsgewricht. Orhan Pamuk verbeeldt dit idee van “memen” in zijn roman Ik heet Karmozijn, waarin hofschilders in Istanbul, die werken in een Perzisch-Chinese traditie, in aanraking komen met westerse realistische portretkunst.’

Het toekomstige Nationaal Historisch Museum zal niet memen-proof zijn.
‘Dit museum dreigt krampachtig terug te gaan naar een Hollands verleden waar we het nog zo goed hadden. Het is misschien niet de bedoeling van minister Plasterk maar daar komt het Museum wel op uit. Het zou de lat hoger moeten leggen: wat heeft Nederland bijgedragen aan de Europese of zelfs wereldwijde cultuur? Zo zou je mensen voorbereiden op de toekomst.’

Hij fantaseert wie en wat er een plaats in het Museum zouden krijgen: ‘Erasmus, Spinoza, Christiaan Huygens, de olieverftechniek die vanuit de Nederlanden in Italië terechtkwam en zich vervolgens over heel Europa verspreidde… Lorentz natuurlijk,’ gaat hij voort, ‘wiens permutaties Einstein nodig had voor zijn relativiteitstheorie. Lorentz en Einstein kenden elkaar, het is zeer waarschijnlijk dat Einstein hem hier heeft bezocht.’

Einstein en Lorentz.

Nederland, vindt Van der Staay, wil altijd maar klein zijn, het binnenhuisje is de maatstaf. ‘Zelfs iemand als Harry Mulisch blijft in wezen provinciaal. Met mijn boek doe ik een appèl om groot te denken, om visionair te durven zijn.’
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)