Interview met Bert Natter
Wat we weten van elkaar, wat we kunnen weten, wat we denken te weten en wat we niet weten.
Door Guus Bauer (20 februari 2018)
In het debuut Begeerte heeft ons aangeraakt van Bert Natter (1968) speelde de vuurwerkramp in Enschede in 2000 een aanjagende rol. In zijn nieuwste werk, Ze zullen denken dat we engelen zijn, wordt het leven van de protagonisten op scherp gezet door een aanslag. ‘Eentje die men altijd gevreesd heeft, waarvan het alleen maar de vraag was wanneer het zou gaan geschieden.’ Een gepantserde geldwagen rijdt een plein op van een stad, alles en iedereen op zijn weg omverblazend, om tenslotte te eindigen in de gevel van een drukbezocht café. Er volgt een explosie en mannen in gevechtstenue en met bivakmutsen op rennen al schietend door de straten. Op wonderbaarlijke wijze overleeft de verteller Alfred onder tafel in de armen van de hem onbekende terrasgenoot Prunella.

Aanslag
Natter: “Iemand zei me dat het net zo goed een enorme storm had kunnen zijn, waarbij een boom een aantal mensen velt, maar juist de twee protagonisten spaart. Wanneer dit gebouw waar we nu zitten instort door een mankement aan de constructie, is dat weliswaar een menselijke fout, maar heeft het toch een ander effect dan wanneer hier iemand binnenkomt en ons doodschiet. Ik had die moedwillige actie nodig, zodat ik (wederom) kon schrijven over wat mensen elkaar aandoen. De daders willen zo nodig een hoofdrol spelen in hun eigen melodrama. Jongens die door te sterven aangeven ‘dat ze er ook nog zijn’. Aandacht voor jezelf vragen. Het gaat eigenlijk niet om de ideologie die erachter zit. Dergelijke jongens zijn op het verkeerde spoor, vaak zijn het ook ex-criminelen.”

“Toevallig zag ik in de boekhandel van het Stedelijk Museum een boek met beeldmerken van terroristische organisaties, afgebeeld als zijnde kunstwerken. Vaak met een vlag, met een wapen, een ideaal, een slogan. Het orkestreren van de eigen dood voor ‘een groter doel’ zit zeker in deze roman. De aanslag is in het leven van mijn protagonisten heel belangrijk, maar mijn boek handelt er niet over. Het is een hulpmiddel om weer een aspect van de liefde te kunnen onderzoeken.”

Overlevers
“Buitenstaanders kunnen nooit echt helemaal invoelen wat overlevers van dergelijke extreme gewelddadigheden meemaken. Het is een ervaring die de slachtoffers alleen met elkaar delen. Henk Hofland merkte ooit op over mensen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt dat ze anders zijn, niet beter. Dat vond ik lang nogal koket. Ik begrijp steeds beter wat hij bedoelde. Het idee dat een gebeurtenis zo ingrijpend is dat die werkelijk alles wat je verder doet en denkt beïnvloedt. Dat is de drijfveer in Ze zullen denken dat we engelen zijn. En het feit dat ze genade hebben gekregen. Dat doet je afvragen waarom juist zij gespaard zijn. De gruwel van de willekeur.”

“Ik had een droom over een aanslag, wilde onderzoeken hoe een gewone burger ermee om zou gaan. Gaandeweg groeide het idee dat mijn personage Alfred niet zo veel te verliezen moest hebben. De dood voor hem zelfs een verlossing zou kunnen zijn, terwijl zelfmoord voor hem te cynisch is. Het enige dat hij doet is gehandicapte kinderen naar school brengen en ze in de middag weer thuis afleveren. Dat doet hij met alles wat hij in zich heeft. De buitenstaander zou hem een zonderling kunnen vinden. De kroegbaas is zijn enige vriend. Er staat voor hem niet veel op het spel. Op die manier probeer je dingen op scherp te zetten.”

Blokkade
“Prunella is een gevoelsmens, had zich in de armen van de toevallige passant Alfred al verzoend met de dood. Wanneer Prunella dat op een gegeven moment aan Alfred vertelt, zondert dat hem op een bepaalde manier uit, maar het diskwalificeert hem tegelijkertijd ook. Het maakt hem tot een ongevaarlijke vreemde aan wie je je grootste harstgeheim onthult. Als Prunella een toekomst had gezien met Alfred, had ze hierover gezwegen, had ze niet gezegd dat ze zich op het moment suprême geen moment zorgen heeft gemaakt over haar kinderen. Wanneer die aanslag er niet was geweest, had Alfred zich waarschijnlijk al snel uit de voeten gemaakt, had hij haar zeker niet zo dichtbij laten komen. Het door mensen veroorzaakte noodlot hád een blessing in disguise kunnen zijn. Prunella had Alfred wellicht kunnen herstellen, wanneer hij het had toegelaten.”

“Daarvoor had hij wel in het reine moeten komen met zijn verleden. Het feit dat Alfred zijn beladen verleden niet heeft afgesloten, zorgt voor een blokkade, een sterke belemmering om iets nieuws te beginnen. Keer op keer heeft hij kans om een stap verder te gaan met Prunella. Het zou kunnen maar het gebeurt niet. Het is een klein verklappertje, maar ik had me voorgenomen dat de jongen het meisje niet zou krijgen. Ik moest iets bedenken waarom hij niet op de overduidelijke avances van Prunella inging. Hij had homoseksueel kunnen zijn, maar dan ontbreekt de erotische spanning. Er moest iets anders gebeurd zijn waardoor hij haar afweert.”

Spanningsboog
“Wanneer ik me zoiets voorneem, hoef ik bij het begin van het schrijven nog niet te weten wat het precies is. Je moet vertrouwen hebben dat je gaandeweg het proces de verklaring zelf wel tegenkomt. Nadat je het ontdekt hebt, kun je er heel ambachtelijk nog wel wat vooruitwijzingen, wat telling details, inwurmen. Zodat je het als lezer een beetje aan ziet komen. Ik laat in het midden wat er precies is gebeurd. Dat verhoogt de spanning. Ik denk dat het ook goed werkt omdat ik het niet van tevoren precies heb bedacht zoals een thrillerschrijver, maar het me als het ware heb laten overkomen. De verteller Alfred is in mijn hoofd doorgedrongen, zijn contouren werden me steeds duidelijker. Ik kreeg begrip voor zijn handelen.”

“In eerdere versies duurde het nog een pagina of vijftien voordat er sprake was van een aanslag. Ik wilde uiteindelijk dat mijn boek begon met het einde van mijn droom. Met een onbekende onder een tafeltje schuilen tegen een aanslag. Zonder dat ik, zoals in films en series, later nog eens terug moest keren om te vertellen wat er voorafgaand aan de aanslag allemaal is gebeurd. Af en toe voeg ik een herinnering in van een alinea of hoogstens een halve pagina. Maar die terugblikken zijn functioneel in het kader van de spanningsboog. Je stapt eigenlijk niet uit het verhaal. De technische opgave die ik mezelf had gegeven, was het verhaal lineair te vertellen, vanaf de aanslag tot aan het eind. Het schrijven is een spel waarvoor de schrijver zichzelf richtlijnen geeft, afspraken waar hij tijdens het proces altijd aan mag tornen, als het de tekst ten goede komt.”

Vorm
“De vorm drong zich op een gegeven moment op. Een eerdere versie was honderdduizend woorden groot. Twee meelezers vonden het aan de lange kant. Er zaten veel meer beschrijvingen in van wat Alfred allemaal deed wanneer hij zonder Prunella was. Ik zag het zelf ook wel, dacht in eerste instantie dat ik per pagina een paar regels weg kon halen. Maar dat is een beetje de overheidsmethode, met de kaasschaaf bezuinigen. Aan het tempo en de dosering verandert in dat geval niets wezenlijks. Ik bleek in de tekst gemakkelijk cesuren te kunnen aanbrengen, en dus ruimte en lucht. De korte hoofdstukken, iets dat ik nog nooit gedaan had, hebben het boek veel vaart gegeven. Ik vind het belangrijk dat de hoofdstukken in verhouding staan, hetgeen niet wil zeggen dat ze precies even lang moeten zijn. Wanneer je dit eenmaal hebt besloten dan voegen nieuwe stukken zich welhaast automatisch naar het geheel.”

“De vorm past ook erg bij Alfred. Hij is iemand die in het moment leeft. De tegenwoordige tijd versterkt dat gevoel bij de lezer. De constructie van het boek kon niet te complex worden door de manier waarop Alfred naar de wereld kijkt. Dat bepaalt de vertelling en dus de roman. Wij zijn aangesloten op hem. En hij registreert en verwoordt wat hij meemaakt. Hij zit ook vast in het nu, heeft het al moeilijk genoeg en zou er niet nog wat anders erbij kunnen doen, een ander perspectief kunnen laten zien. In eerdere versies beliep de vertelling een half jaar, in Ze zullen denken dat we engelen zijn speelt het zich af in tien dagen. Een betere tijdspanne, een beter evenwicht. Lastiger is het om de contrasten uit te leggen. In dat kader refereer ik echt aan de klassieke muziek. Naar de verschillen in sfeer in de verschillende stukken. Het begint kalm, dat volgt de hectiek van de aanslag, dan weer een rustig stuk, wat ‘gezwijmel’ tussen de twee personages, gevolgd door de wilde achtervolging van de bus van Albert, om te eindigen met een sereen moment. Een scène die tegen het sentimentele aanschuurt. Ik ben niet vies van enig sentiment, van een scheutje drama, van het theatrale. Wat dat betreft zou je deze roman kunnen vergelijken met een opera.”

Chaos
“Tegen het einde moest ik chaos inbrengen in de tekst. Daarmee kon ik laten zien dat in de hysterie die na een aanslag volgt er zwart-wit wordt gedacht. Zo worden er vaak mensen gearresteerd die er alleen maar uitzien als een terrorist. Er vinden lynchpartijen plaats op volstrekt onschuldigen. Dat gebrek aan nuance begrijp ik ook wel. Je raakt na een aanslag als vanzelf meer alert.”

“In literatuur hoef je gelukkig niet uit te leggen waarom de verteller precies zijn zegje doet. Het gaat mij om de karakters, maar het is toch wel een plotgedreven boek geworden. Dat hangt samen met de thematiek van hoe je iets beleeft, hoe je erop terugkijkt, hoe anderen iets beleven. De verschillende manieren om te kijken naar de werkelijkheid.”

“Prunella had tijdens de aanslag het gevoel dat ze uit haar lichaam was getreden. Haar man, een pragmaticus, wijt dat aan zuurstofgebrek en adrenaline. Hij bedoelt het goed, maar negeert daarmee Prunella’s gevoelens. Wat was er gebeurd wanneer Alfred en Prunella in een verstrengeling dood waren gevonden? Welk scenario had men daarbij bedacht? Wat hebben die twee met elkaar te maken? Als er bijvoorbeeld een mummie wordt gevonden, kan dat nooit zomaar een lijk zijn. Het moet benoemd worden, gekoppeld worden aan een verhaal. Zo heeft Alfred zijn verleden nooit van zich af kunnen schudden. Wie heeft er schuld aan de dood van zijn vrouw? Er blijft toch altijd iets van een verhaal aan hem hangen. Het oude gezegde: waar rook is, is vuur. In die zin gaat mijn boek over wat we weten van elkaar, wat we kunnen weten, wat we denken te weten en wat we niet weten.”

Foto: Merlijn Doomernik
Delen
Meer interviews
Interview met Marek Šindelka Door Guus Bauer (13-06-2018)
Interview met Sara Baume Door Guus Bauer (15-05-2018)
Interview met Olivier Guez Door Guus Bauer (26-04-2018)
Interview met Jaroslav Rudiš Door Guus Bauer (09-04-2018)
Interview met John Banville (I) Door Guus Bauer (23-03-2018)