Interview met D. Hooijer
‘Nu ben ik min of meer ongrijpbaar geworden’
Door Fleur Speet (18 december 2009)


Het nieuwste boek van D. Hooijer is tot ieders verrassing een roman. Al kondigde ze bij de toekenning van de Libris Literatuur Prijs voor haar derde verhalenbundel Sleur is een roofdier aan dat ze nu iets van langere adem wilde schrijven, velen dachten toch dat ze weer met korte verhalen zou komen. Dát was immers het genre waarin ze tot dusver uitblonk. In 2007 had Zuidwester meningen nog een nominatie voor de Anna Bijns Prijs opgeleverd. Maar het was geen grapje van Hooijer, het boek ligt er en is onmiskenbaar een roman.

Catwalk vertelt het verhaal van de opkomst en neergang van een vriendenclub. Verschillende hoofdpersonen komen samen bij de huiskamermodeshows van Wilma, die tijdens een hittegolf in het huis van haar buurvrouw Margriet spontaan kleren is gaan ontwerpen voor ouderen. Kleren die uiterst kunstzinnig en modieus zijn. Uiteindelijk weet Wilma zelfs – door een journalistiek foutje onder de merknaam ‘Maison Wiljehem’ – furore te maken, waarmee het vriendenclubje hechter wordt. Maar een einde dreigt algauw, de depressie die Wilma tijdens een cruisereis van de vrienden overvalt, luidt dat einde al in.

Hoe was het om personages zo lang te volgen?
‘Heerlijk. Het korte verhaal is het allermoeilijkste genre. Eigenlijk is het een ramp, omdat het niet bestaat in het echte leven. Het is een kiekje, een foto van het bestaan en toch moet het een afgerond verhaal zijn. Wat ik nu vooral zo prettig vond, was dat ik niet zo snel afscheid van alle personages hoefde te nemen. Dat was heel comfortabel.’

Bij de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs zeiden mensen: zou u dat wel doen, een roman schrijven?
‘Dat kon me niets schelen. Ze vreesden dat het een slecht boek zou worden. Nou en? Dan maar een keer een slecht boek. Elke schrijver heeft wel een paar slechte boeken in zijn oeuvre, je kunt niet altijd hoogtepunten afleveren. De boeken die volgen na de toekenning van grote literaire titelprijzen zijn doorgaans niet de beste. Tessa de Loo zei, toen haar roman Meander verscheen, dat de messen al geslepen waren. Ze wist dat het boek door haar succes afgemaakt zou worden en dat gebeurde ook. Dat kan ook nog. Ik debuteerde laat met proza en ik ben ontzettend blij dat ik schrijven kan en een uitgever heb die in mij gelooft. Maar ik geef toe, ik baad in luxe, want op de dag waarop Catwalk verscheen, publiceerde Arjen Fortuin een geweldige recensie in NRC Handelsblad. Echt prachtig, in alle opzichten.’

U zocht veelal de medialuwte op. Waarom?
‘Op mijn debuut Kruik en kling stond bewust een vage foto. Anders zouden lezers kunnen denken dat ik een man was, en dan word je heel anders benaderd. Dat wilde ik niet. Ik was toen al 62, ik had niet de indruk dat ik heel sexy over zou komen. Bovendien vreesde ik afgestraft te worden, juist omdat ik als oudere vrouw met proza debuteerde. Daarom stelde ik me wat schuw op. Ik heb wel gelijk gekregen. Het commentaar na het winnen van de Libris was ongenadig. Op internet staan dingen te lezen als: ‘als het nou een huppelkut was geweest, dan had ik het me nog voor kunnen stellen’, ‘een absoluut verkeerde keuze’, ‘kutboek van oudere vrouw’. Nu is het te laat, nu ben ik min of meer ongrijpbaar geworden. Maar wanneer mensen die eerst niet zoveel zin hebben om m’n boeken te lezen, toch omslaan, vind ik dat echt geweldig en ben ik heel dankbaar. Het gebeurde al na de nominatie voor de Anna Bijns Prijs en het gebeurde opnieuw bij de nominatie voor de Libris. Het werkt elkaar in de hand. Mensen denken dan: ik moet toch iets beter lezen.’

Indirect bekritiseert u in Catwalk de media doordat een journalist de naam van de modeontwerpster verhaspelt.
‘Diepgang en oprechte interesse zijn schaars in de media. Neem de praatprogramma’s waarvan het wemelt, met een boeketje interessante mensen. Manon Uphoff en een cultuurfilosoof en Freek de Jonge bijvoorbeeld. Dat zit dan bij elkaar, ze mogen allemaal iets zeggen, maar het wordt niets. Er vindt geen chemie plaats, geen echt gesprek. Uphoff kan ontzettend goed en doordacht antwoorden, maar haar zinnen slaan kapot. Het belangrijkste is niet te verstaan omdat er iemand doorheen wauwelt, aan het einde van een zin wordt ingebroken met een nieuwe vraag die niet voortborduurt op wat gezegd is, of er wordt veel te gekleurd gereageerd. De mensen zijn in zo’n programma niet ingelijst, er wordt niet goed naar ze geluisterd. Inspringen is gelijk tegenspreken. Ik denk niet dat er iemand van de kijkers na de uitzending zal zeggen: toen begreep ik hoe dat nou zat bij Manon Uphoff. Maar als je iemand kent, dan kijk je graag omdat die persoon bijna een buurman is geworden. Het lijkt wel een mode om vervolgens snierend over zo’n programma te praten. Heb je die snel sprekende schrijver gezien? Heeft die geen ADHD? Inhoudelijk wordt er niet op ingegaan.’

Vergde Catwalk veel onderzoek? U beschrijft vrij precies hoe het naaien in z’n werk gaat.
‘Ik heb ook geprobeerd achter de naaimachine te zitten, ik ben er gek op. Ik was me graag te buiten gegaan aan designerkleren, maar daar zijn m’n middelen ontoereikend voor. Ik volg ook het werk van Viktor & Rolf, die onlangs signeerden in de Bijenkorf. Ik vind hen bijzonder inspirerend omdat zij nooit de feestjes afschuimen, maar altijd op kantoor of thuis zitten te werken en over die kleren zitten na te denken. Ze weigeren mee te doen aan het societyleven, ze leven volledig voor hun passie. En Wilma is denk ik geïnspireerd op mijn herinneringen. In de jaren vijftig hoorde je van die vrouwen die met acht kinderen in een achterbuurt woonden, maar ondertussen ontzettend intelligent en talentvol waren en makkelijk een nieuwe kledinglijn hadden kunnen opzetten.’

Ook al zijn de vrouwelijke personages uit uw roman geen volbloed feministen – niemand in de roman rept althans over feminisme – ze zijn wel buitengewoon zelfstandig. Ze werken allemaal.
‘Dat is toch heel normaal? Al ben ik me bewust van wat eraan vooraf ging. Zonder het feminisme was ik nergens geweest. Ik ben in de jaren tachtig begonnen in het Vrouwencafé. Daar maakte ik met een aantal anderen een bundel poëzie van vrouwen. Ik had het daar erg naar m’n zin tot de sfeer veranderde en er jonge lesbische, neurotische dames kwamen die de mannenrol begonnen te spelen en een hekel aan mannen hadden. Ik was al over de veertig, het was tijd om op te stappen. Toch was het een veilige haven. Het was zo prettig om te oefenen en te discussiëren zonder concurrentie met mannen. De aanval van mannen bleef uit, waardoor er op een veel rustiger manier gekeken kon worden naar literatuur. Ik noemde mijzelf toen een feministe, al had ik geen hekel aan mannen. Ach, er blijft een heel hardnekkig verschil van ideeën bestaan, dat is onuitroeibaar. Uit onderzoek blijkt dat vrouwelijke studenten diergeneeskunde harder studeren, hogere cijfers halen, in kortere tijd afstuderen en betere veeartsen zijn, maar de oude lichting veeartsen blijft het tegendeel beweren.’

U bent geen autobiografisch schrijver, over uw leven lijkt het niet te gaan in uw werk.
‘In de straat wordt wel eens gegrapt dat je geen contact met mij moet zoeken omdat je dan in mijn boeken terechtkomt, maar ik verzin alles. Ik maakte niet zoveel interessante dingen mee. Het onderwerp moet inspireren, anders schrijf ik niet. Ik laat mijn jeugd en mijn verleden ongemoeid. Ik praat zelden over mijn ouders, ook in het dagelijks leven. Wat niet wil zeggen dat ik nooit aan ze denk, dat doe ik iedere dag. Maar zodra je vertelt dat je vader zenuwarts was, roep je onmiddellijk weerstand op of grapjes. Ik heb m’n leven lang moeten horen: weet jij geen leuke gek voor een verhaal? De gekte kleeft opeens ook aan jou. Mijn ouders waren intellectuelen, daar heb ik als schrijver natuurlijk wel wat aan. De manier van denken alleen al. Daarbij, ik vind dat er veel te veel romans zijn over kinderen, bijna niemand kan dat goed. Het worden al snel Theo Thijssen-spinoffs. Het gaat steeds over aseksuele jongetjes van tien, of oudere jongetjes die leraar aardrijkskunde zijn en het doen met de meisjes uit hun klas. De mensen van veertig verbergen zo hun ouderdom. Daar ben ik te oud voor. Er is een groot verschil tussen een schrijver van veertig en een van zeventig.’

Tot slot: de roman gaat over vriendschappen. Hoe staat u daar zelf tegenover?
‘Als je een gefrustreerde schrijfster bent, krijg je opeens ontzettend veel gefrustreerde schrijfsters als vriendin. Als je jong bent denk je dat de mensen om je heen altijd je vrienden zullen blijven, maar dat is natuurlijk niet zo. Je gaat samenwonen, krijgt kinderen en opeens vallen er vrienden weg omdat je andere dingen aan je hoofd hebt. Vriendschappen zijn vrijwillig. Als je erg je best hebt gedaan en in een groep terechtkomt, leer je inclusief te denken. Zo’n bolwerk laat niemand meer toe. Dan wil je de vrouw niet meer die jou vroeger een beetje pijn deed, die stuur je de laan uit als ze contact zoekt. Dat is het drama. Je sluit zodanig uit dat het je eigen ondergang inluidt. Vrienden die ik heel vervelend vind, wil ik liever ook kwijt. Maar soms moet je ze erbij nemen om andere vrienden te behouden. Er was een tijd waarin vriendengroepjes spraken over het laten vallen van iemand wanneer die negatieve energie opleverde. Er komt iets van de grond en mensen gaan hun wetten stellen; die niet hoor, nee, alsjeblieft niet die. Hard is dat, onverteerbaar eigenlijk.’
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)