Interview met Esther Jansma
‘Voor mij is niéts gewoon’
Door door Annemiek Neefjes (11 mei 2006)


Esther Jansma is net terug van een weekje New York. Samen met haar man Wiljan van den Akker ontmoette ze er de dichter Mark Strand, wiens werk ze op dit moment vertalen. ‘Dat vertalen is ontspanning,’ zegt de dichteres, ‘dat doen we als de kinderen in bed liggen en we met ons werk klaar zijn.’

Dichten doet Jansma ook ’s avonds. Overdag werkt ze als archeologe bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en bij het Nederlands Centrum voor Dendrochronologie (dat de ouderdom van bomen en bouwhout onderzoekt). ‘Stel dat je van het dichterschap zou kunnen leven – wat absoluut niet kan – dan zou ik mijn baan toch niet opzeggen. Ik houd van het professionele leven. Ik kan me ook niet voorstellen dat je fulltime aan poëzie zou werken. Als je tien mooie gedichten per jaar schrijft, dan heb je toch iedere drie jaar een bundel.’

‘Een zekere rijpheid’
Op 20 mei krijgt ze de driejaarlijkse A. Roland Holstpenning uitgereikt. De oeuvreprijs heeft prestige, eerdere laureaten waren onder anderen Eva Gerlach en H.C. ten Berge. Jansma schreef sinds haar debuut Stem onder mijn bed (1988) zes dichtbundels en de bundel prozaschetsen Picknick op de wenteltrap. Volgens de jury heeft haar werk ‘een zekere rijpheid’. ‘Dat mag ook wel als je twintig jaar bezig bent,’ zegt Jansma grinnikend.’

Ze woont in een sfeervol, zeventiende-eeuws pand in de Utrechtse binnenstad. In haar werkkamer boven in het huis bladert ze door haar debuut. Ze leest rap en toch helder het gedicht ‘Moment’ voor, half voor mij half voor zichzelf: ‘“De maan klimt binnen door het raam / en legt haar vingers langs je haren./ Wat ik wil, is dit onthouden: dit licht / en hoe je erin slaapt, hoe je droomt, / hoe je rimpelt als water.”’ Ze legt de bundel weg en zegt: ‘Dit kan echt niet meer door de beugel, het gedicht geeft alleen maar een mooiig beeld. Nu zou ik zo’n beeld als startpunt voor een gedicht gebruiken.’ En ze concludeert: ‘Ik was te snel tevreden toen. Stem onder mijn bed is heel erg een beginnerswerkje.’

‘Hoe meer je leest,’ zegt ze, ‘hoe meer je ontdekt wat er in poëzie allemaal mogelijk is. In het begin was ik vooral bang dat mijn gedichten niet begrepen zouden worden.’ Eigenzinnige dichters als Hans Faverey en Kees Ouwens lieten haar de weidse mogelijkheden van de vorm zien. In haar latere gedichten laat ze de lezer laag voor laag naar betekenis graven. ‘De afwisseling van korte en lange regels houdt de aandacht van de lezer vast, evenals slim binnenrijm en klankherhaling. De langdurige herhaling van een ritme, gevolgd door de abrupte onderbreking daarvan, kan zorgen voor een gevoel van onbehagen of schrik, of juist voor de sensatie van bevrijding. Zo zijn er tal van technieken die je bewust kunt toepassen. Toen ik begon, hield ik me hier helemaal niet mee bezig. Nu wel.’

De uitwaaierende blik
En toch is er ook iets onveranderd gebleven. De muzikaliteit, de springerige fantasie, de gretige blik van ‘wereld leer me je kennen’, ervaar je in haar gehele oeuvre. Jansma knikt: ‘In Dakruiters staan de twee gedichtenreeksen “Sjaantje en de ruimte” en “Sjaantje en de vis”. Mijn redacteur dacht dat het om een schizofrene zwerfster ging. Veel andere lezers denken dat Sjaantje een kind is. Maar Sjaantje – mijn naam Jansma vind je erin terug – dat ben ík. Deze figuur zit al in Picknick op de wenteltrap en ook in mijn laatste bundel Alles is nieuw kom je haar tegen, in het gedicht “De veiligheid” bijvoorbeeld.’ Haar wijsvinger glijdt langs de regels van ‘Sjaantje en de vis’:

‘Tja zegt Sjaantje ik ga maar een beetje verdwijnen
ik bedoel de taal die ik uitsla, ik praat te veel
en ik weet dat je leest, dat je ogen nu haken –
en ze stopt. Wat ze zei komt uit een ander leven.

Ze is groot. Ze staat rechtop en ze denkt na.
Ze strijkt met haar duim over een beeldje van hout.
Een klein hoofdje. Iets dat denkt. Een denkmeisje
met gedachten als vissen, als je niet uitkijkt

zwemmen ze weg. Zo ben ik nou, zegt Sjaantje
als dat hoofdje vol vissen, zoveel in zo weinig
tijd weinig o – en ze stopt weer
en ze loopt naar je toe en ze kust jou.’

‘Sjaantje,’ zegt Jansma, ‘staat voor de uitwaaierende blik en voor een zekere naïviteit. Vroeger zat die naïviteit er gewoon in, nu kies ik er bewust voor. In het gedicht “Wat het is” schrijf ik: “Alles valt naar zijn einde, alleen, ik kan het niet / altijd maar weten, soms vergeet ik het”. In dat vergeten zit voor mij de hoop, de vitaliteit. Daar hecht ik enorm aan.’

Ze noemt Sjaantje iemand met aandacht voor de alledaagse werkelijkheid, voor dingen en plekken waar niemand oog voor heeft. ‘De aardappel krijgt in een paar van mijn gedichten niet voor niets een rol,’ zegt Jansma lachend. Dan, serieus: ‘Voor mij is niéts gewoon.’

Aardappels en kinderen
Haar ogen dwalen over de bundels op haar werktafel. Ze pakt Bloem, steen, die ze in 1990 publiceerde. De gedichten erin gaan over haar dochter Floortje, die dood ging in de seconden voordat ze werd geboren. In Hier is de tijd, waarmee ze in 1998 de VSB-poëzieprijs won, staan zeven gedichten die ze opdroeg aan haar zoon Abel, die een paar maanden voor zijn eerste verjaardag overleed. Jansma: ‘Een bundel als Bloem, steen zou ik nu niet meer schrijven - de gedichten hebben iets zo onschuldigs, alsof schrijven me kon redden - maar ik heb er wel respect voor. Wat me stoort is dat lezers en critici me inmiddels vaak zien als die dichteres van dode kinderen.’ Spottend: ‘Dode kinderen: ik kom er niet meer los van.’

Ze sluit niet uit dat ze voor Hier is de tijd de VSB-prijs kreeg ook omdát haar gedichten over haar dode zoon gingen. ‘Aardappels en kinderen: als dichteres wordt van je verwacht dat je over dit soort traditionele onderwerpen schrijft. Met mijn gedichten over Abel bleef ik keurig binnen die kaders. Daarmee vormde ik geen bedreiging voor de échte – zeg mannelijke - poëzie.’

Ze merkt dat critici de ‘ik’ in haar gedichten vaak biografisch lezen – die ‘ik’ moet wel de dichteres zijn - terwijl de ‘ik’ in gedichten van mannen als ‘de mens’ wordt gezien. Ze vertelt hoe fel de kritiek reageerde toen ze filosofie haar werk binnenhaalde (‘Realisme’ en ‘Nominalisme’ in Dakruiters), toen ze in sommige gedichten over geschiedenis schreef. ‘Shit, fuck, ineens komt die Jansma op ons terrein! Vrouw, terug naar je spinnenwiel, dat was de boodschap, hoe onbewust die vermoedelijk ook werd geformuleerd.’

Het huis en het schip
Wat steeds in haar werk opduikt is de metafoor van het huis. Zo’n beeld valt gemakkelijk als typisch vrouwelijk uit te leggen, maar Jansma zegt: ‘Het huis hoort bij míjn dichterschap, niet bij dat van “een vrouw”. Het huis en het schip zijn allebei beelden uit mijn kindertijd. Ik herinner me hoe ik als kind fantaseerde dat mijn school een boot was, iedereen zat er bij elkaar en zorgde goed voor elkaar.’

In haar gedichten worden huizen gebouwd maar net zo goed weer afgebroken. De sloop, de teloorgang, het definitieve verdwijnen, die winnen het nogal eens, zeg ik. ‘Nee,’ zegt ze, ‘dat vind ik toch niet. Er is een sterk gevoel van onveiligheid in mijn gedichten, maar als ik schrijf dat “de gevouwen handen van / pannen en spanten niet bestaan”, dan bestaan ze toch ook wel, juist door ze als afwezig te noemen. Missen is tegelijk hebben.’

Ze vertelt dat ze al vroeg uit de beschutte wereld werd gedonderd. ‘Mijn vader ging dood toen ik zes was. Verder heb ik een akelige opvoeding gehad. Alles wat ik ben geworden, ben ik ondanks die jeugd geworden. Ik heb mezelf als een konijn uit mijn eigen hoed gegoocheld. Zoals ik het in het gedicht “Eenwording” schrijf, zo was het: “Een moeder staat kwaad zwaaiend met haar armen / brood, brood naar haar kinderen te gooien”. Mijn jeugd, veel meer dan mijn kinderen, heeft mijn werk bepaald.’

Schrijven, zegt ze, gaf haar vanaf het begin een groot gevoel van veiligheid. ‘Natúúrlijk. Toen ik aan mijn debuut werkte – al wist ik toen nog niet dat het mijn debuut zou worden - was het of ik met ieder gedicht een piketpaaltje in de grond sloeg.’ Ze vormt met haar pakje sigaretten, het glas rode wijn, de aansteker, een cirkel op tafel. ‘Kijk, zo,’ zegt ze, ‘iedere keer kwam er een paaltje bij. Het gebied waar ik mocht bestaan breidde zich langzaam uit. Met mijn gedichten heb ik mezelf een stuk van de wereld teruggegeven.’

Op 19 mei komt Altijd vandaag uit, met het complete werk van Esther Jansma (De Arbeiderspers, 416 p., gebonden, euro 27,50). De bundels Alles is nieuw, Dakruiters, Picknick op de wenteltrap en Stem onder mijn bed zijn ook los verkrijgbaar.
Delen
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)