Interview met Herman Franke
‘Ik wil niet afronden of oplossen, ik wil blijven zoeken’
Door Fleur Speet (26 oktober 2007)


Herman Franke is met zijn nieuwe roman Uit het niets begonnen aan een nieuw en ambitieus project, ‘een doorlopende roman’ zoals hij het noemt, die Voorbij ik en waargebeurd heet. Naar de roman fleuve van Marcel Proust, met als verschil dat de wortels van Franke meer in de sociale onderkant liggen en niet in de elite. In dit eerste deel, Uit het niets, introduceert hij een ‘ik’ dat voor de kost portretten van anderen schrijft, gebonden in een boekje. Tot de portrettenschrijver bij de neus wordt genomen door een vrouw die haar leven voor hem fantaseert. Hij vrijt met haar en verwekt tegelijk zichzelf. Dan begint hij aan zijn eigen ikken, en probeert zichzelf en zijn eerste ervaringen en herinneringen aan het papier toe te vertrouwen, als jeugdfoto’s uit een album.

Waarom een doorlopende roman?
Al heel lang dacht ik over een vorm die me niet dwingt steeds opnieuw met een nieuwe roman te beginnen. In De verbeelding en Wolfstonen heb ik de vorm van een klassieke roman al erg opgerekt door verhalen en personages op een ongebruikelijke manier met elkaar in verband te brengen. Ik zocht naar een vertelvorm waarin mijn verhalen en romans elkaar zouden blijven bevruchten en verrijken. Die vorm meen ik nu in Voorbij ik en waargebeurd gevonden te hebben; een doorlopende roman waarvan elk deel toch zijn eigen sfeer en thematiek en spanningsboog heeft, maar die tegelijk een samenhangende stroom verhalen is die één universum vormen. Dat is het universum van een man die de afgelopen halve eeuw in Nederland leefde. Ik heb het altijd moeilijk gevonden personages en romans los te laten, ook romans van andere schrijvers. Nu ga ik mijn romans en personages met bruggetjes en onderaardse gangen met elkaar verbinden en in leven houden met nieuwe verhalen die naar elkaar verwijzen en elkaar aanvullen. Verhalen over de wereld hangen samen als de levens van mensen en de levens van mensen zijn verhalen over de wereld.

Voorbij ik en waargebeurd wordt dus eigenlijk zoals het leven zelf. Dat is toch ook een doorlopende roman waarin heden en verleden vrijelijk stuivertje wisselen, waarin mensen komen en gaan, soms bij je blijven, soms verdwijnen, soms na een tijd weer terugkomen, en soms, zelfs als ze dood zijn, in je herinnering krachtiger leven dan de levenden om je heen. Daarom schakel ik fragmenten aaneen tot diverse verhaallijnen, waarbij in de tijd heen en weer wordt gesprongen en van perspectief wordt gewisseld, zoals in al mijn romans. Deze doorlopende roman loopt dus zowel terug als vooruit. Ik vind dat ik zo dichter in de buurt kom van hoe een mens zijn leven dag in, dag uit beschouwt, beoordeelt, verzint, herleeft, in herinnering brengt, en voortzet, kortom: van hoe een mens innerlijk leeft. Alles verandert maar niets verdwijnt, zei Ovidius. Zo zal het zijn in deze romanreeks.

Al enig zicht op de grootte?
Hoeveel delen het uiteindelijk zullen worden, weet ik niet. Ik heb me contractueel vastgelegd om de eerstkomende vijf jaar elk jaar een deel te schrijven. Daarmee zet ik mezelf lekker onder druk en dwing ik me tot vormkeuzes en afrondingen. Eerlijk gezegd ben ik van plan tot aan mijn dood aan dit grote literaire avontuur te blijven doorwerken. Juist tegen dat denken in termen van begin en eind wil ik me losmaken. Ik wil niet afronden of oplossen, ik wil blijven zoeken.

Is het lastig om te praten over een roman-in-wording?
Nee, maar het zijn enkel praatjes, visioenen, ambities. Waar het echt om gaat komt in die doorlopende roman te staan, en als het moet trek ik me daarin niets van mijn eigen praatjes aan. Wat doorloopt trekt al gauw zijn eigen spoor, en dan ga ik niet aan de teugels trekken. De grootste uitvindingen zijn vaak per ongeluk gedaan, de mooiste kunstwerken zijn de makers vaak ontsnapt terwijl ze iets heel anders dachten te maken. In die zin vind ik praten erover wel moeilijk omdat ik mezelf, die roman en de lezers niet met praatjes voor de voeten wil lopen.

Uit het eerste deel vloeit de rest als het goed is voort, daarin wijzen de lijnen al vooruit.
Dit deel was wel moeilijk om te schrijven. De toon moest gezet worden en vormen van vertellen moesten worden gevonden die het in zich hebben om die hele doorlopende roman te dragen en voort te stuwen. En als het gepubliceerd is, kun je het niet meer herschrijven of weggooien, zoals een eerste hoofdstuk, wanneer dat je halverwege het boek niet meer aanstaat. Het komt er dus nog meer op aan.

Maar alle lijnen die al vooruit wijzen? Ik schrijf toch geen filosofisch traktaat? In je leven zitten toch ook niet alle lijnen al bij je geboorte? In de meeste levens zit zelfs helemaal geen lijn, ja achteraf, maar achteraf ligt alles vast en weet iedereen hoe het zat, maar vooraf is alles mogelijk en weet niemand of hij de volgende dag nog leven zal. Elk leven is een geheel, dat wel. Voorbij ik en waargebeurd zal ook een geheel zijn als het af is.

De ‘ik’ uit Uit het niets bent u niet.
De ik-persoon zou je een compositie-ik kunnen noemen, maar je mag hem ook gewoon lief vinden. Hij is opgebouwd uit wat hij vertelt, uit de verhalen waarin hij voorkomt, wat soms bijna sprookjesachtige verhalen zijn. Hij is ‘bigger than life’, dat wil zeggen dat hij meer is dan een enkelvoudig ik kan zijn. En toch is hij ook gewoon een mens van vlees en bloed, die gaande het boek karakter en levenservaring krijgt. Hij heeft ook iets van een ‘Hollandse spectator’. Daarom noem ik Voorbij ik en waargebeurd weleens een verzonnen autobiografie.

De ik-persoon zegt in Uit het niets: ‘Ik ben wat in mijn bloed zit, wat ik heb meegemaakt, wat ik heb gedacht, wat ik heb gevoeld, wat ik heb verzonnen, wat ik heb geschreven, en wat ik me voor kan stellen’. En zo is het. Ik zou daar hooguit nog aan toe kunnen voegen dat hij ook is wat hij observeert. Dat deze Ik geen naam heeft, past daarbij. De openingszin van de roman luidt: ‘Noem me ik’. Later zegt hij dat hij zichzelf als personage maar één beperking oplegt en die is dat hij een man is. Hij ziet meer overeenkomsten dan verschillen tussen mensen. Ik is iedereen, zou je ook kunnen zeggen. Elckerlyc, een Groningse Elckerlyc; Elkinain. Bij hem kan en mag alles want, zoals de Ik aan het slot van Uit het niets opmerkt: ‘Ik ben ik. En ik ben mijn eigen meester’. Ik ben heel blij met deze Ik. Die kan en wil vele boeken mee.

U betrekt bij deze roman fleuve ook uw vorige werk door oude personages terug te laten keren.
Zij zijn voor mij even werkelijk als personages die ik aan de werkelijkheid ontleend heb, als oude vrienden of mensen met wie ik dagelijks omga. De afgelopen vijftien jaar heb ik veel meer tijd in de wereld van mijn romans vertoefd dan in de buitenwereld. Ik ken mijn personages vaak beter dan ik mensen om me heen ken. Er is dan geen verschil meer, zoals er ook geen verschil meer is tussen geheel verzonnen verhalen of verhalen die op werkelijke gebeurtenissen zijn gebaseerd. Daarom doen vragen over de werkelijkheid en het autobiografische er niet meer toe, dat is een gepasseerd station. Vandaar ‘voorbij’ in de overkoepelende titel.
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)