Interview met Herta Müller
‘De literatuur is een spiegel van alledag en daarmee ook van de politiek’
Door Guus Bauer (15 juli 2010)


In 2009 won Herta Müller (1953, Nitzkydorf, Roemenië) enigszins onverwacht de Nobelprijs voor literatuur. Daarmee beloonde het Zweedse comité, precies twintig jaar na de val van De Berlijnse Muur, een schrijfster die de samensmelting van de twee machtsblokken perfect symboliseert. Ze leeft en werkt sinds 1987 in Berlijn en bracht haar jeugd door in een klein dorp in het Roemenië van dictator Nicolae Ceausescu, waar de Duitse minderheid al driehonderd jaar een vrijwel geïsoleerd bestaan leidde. Tevens is het een beloning voor een compromisloos oeuvre waarin met ingetogen boeken en de taal als scherprechter de onmenselijkheid van een regime aan de kaak wordt gesteld.

In Berlijn was er eind 2009 ter ere van haar verkiezing een groot feestgala georganiseerd. Enigszins verloren zat mevrouw Müller op het podium en onderging de speeches, loftuitingen en het goedbedoelde muzikale intermezzo: een violist die Roemeense volksmuziek speelde. ‘Na het winnen van een dergelijke prijs, wil iedereen je kennen, zelfs mensen die nooit een boek lezen, laat staan eentje van mij.’

Maar toen stond de frêle vrouw op, liep naar de microfoon en las een gedicht voor in het Roemeens. Er ging een siddering door de zaal. In april was de Nobelprijslaureaat in Nederland voor een van haar zeldzame publieke optredens en een gesprek.

Als je de Nobelprijs krijgt, word je bijna geannexeerd?
Ik ben niet naïef. Ik weet dat het zo werkt en ik kan er ook niets aan veranderen. Ikzelf denk er echt niet dagelijks aan. De mensen hebber er een bepaalde voorstelling bij. Ik word nu gevraagd om voor veel geld ergens te komen praten, laatst nog op een congres van medici. Wat ik ging vertellen, was niet van belang. Zolang ik maar aanwezig was. Ik heb het lezingen geven altijd als een apart beroep gezien. Tegenwoordig heerst de mening dat een auteur een belangrijk publiek figuur is. Het tegendeel is waar. Het schrijven moet eigenlijk genoeg zijn. Boeken moet je tegenwoordig de wereld in helpen. Dat willen uitgevers, maar ook de lezers. Die willen de auteur begluren. De meeste lezingen heb ik vroeger gedaan om geld te verdienen. Niemand kan alleen maar de dingen doen die hij of zij echt leuk vindt.

Heeft uw stem meer gezag gekregen door uw uitverkiezing? In verband met de politiek in Roemenië bijvoorbeeld.
Ik heb er niet lang geleden toe bijgedragen dat dossiers van de geheime dienst openbaar zijn geworden. Daar was de huidige regering niet blij mee. Ze lieten mij, het boerenmeisje uit de Banat, met rust. De directeur van de organisatie die de rechtsgang maakte, werd geruisloos terzijde geschoven. Je ziet, er is weinig veranderd. Roemenië is een jonge republiek. De machthebbers zitten over het algemeen nog op dezelfde plaats. Mijn ‘vaste ondervrager’ is nu een succesvolle vertegenwoordiger van een verzekeringsmaatschappij. Ik handel echt in de geest van Alfred Nobels testament en probeer mij in te zetten voor onderdrukten. Op het moment ben ik heel actief voor Chinese dissidenten. Laat ik het zo samenvatten: ik mag nu voor het Europese parlement spreken. Dat was mij als eenvoudige Duitse schrijfster niet gelukt.

De pen is toch scherper dan het zwaard?
Schrijvers vinden zich al snel bijzondere mensen omdat ze literatuur schrijven, maar we zijn in alles aangewezen op de taal, de stem en gezichtsveld van mensen die niet schrijven. Dat is ons materiaal. Wij maken daar een mozaïek van. Hoe goed onze kunst wordt, ligt aan de manier waarop we de puzzel leggen. Het geheel moet in balans zijn. Met de muziek en de schilderkunst is het al net zo.

Hoe reageerde men in Roemenië op uw Nobelprijs? Werd u ineens omarmd als een verdwaalde volksheld?
De reacties zijn zeer wisselend. Sommigen vinden mij een Roemeense auteur. Anderen zeggen dat ik de prijs van de Roemenen heb afgepakt. Omdat ik gewonnen heb, komt waarschijnlijk voorlopig geen schrijver uit dit taalgebied aan de beurt. De meest cynische reacties komen van de voormalige agenten van de Securitate, de geheime dienst. Mijn ‘contactpersoon’ kreeg na de val van het regime van Ceausescu twee jaar gevangenisstraf. Men kon zogenaamd geen bewijzen tegen hem vinden, terwijl hij echt bloed aan zijn handen heeft. Volgens deze man ben ik krankzinnig en verdien ik de prijs dus niet. Hij kent veel betere auteurs. Hij heeft gezegd dat eigenlijk de geheime dienst de prijs heeft gekregen, omdat hij in mijn woning alle afluisterapparatuur heeft ingebouwd. Al weet hij niet meer precies wanneer, want hij heeft in zijn carrière - hij noemt het carrière – zoveel geplaatst dat als hij per stuk honderd euro zou krijgen, hij nu multimiljonair zou zijn.

Er zijn toch ook wel positieve reacties?
Natuurlijk zijn er ook mensen die blij voor mij zijn, en die lijken in de meerderheid. De Roemeense staat heeft mij hoe dan ook weer ingelijfd. Bij de uitreiking in Stockholm deden ze net alsof ik Roemeens was, terwijl ik een Duitse pas heb. Ik zou niet meer leven als ik in dat land gebleven was. Ik kijk ook altijd naar de leeftijd van de officials. Als ze niet ouder dan dertig zijn, dan waren ze ten tijde van het regime tien jaar en dus, naar ik aanneem, niet bij misdaden betrokken.

Hoe zag uw leven er tijdens het communisme uit?
In mijn jeugd vond men alles buiten het dorp verdorven en smerig, zeker de stadse Roemenen. De boeren waren zelfingenomen en erg behoudend, deels ingegeven door een groot minderwaardigheidsgevoel. Stadse mensen hebben geen moraal. Als ik weleens naar de dokter in de stad moest, benijdde ik de bewoners. Ze leken mooier, de vrouwen waren opgemaakt. Ze waren lichter gekleed, als deerde de kou hen niet. Wij stonden elke dag om vier uur op en werden zelfs in de zomer heel dik aangekleed. In de stad praten de mensen ook meer. Met gebaren. Dat geeft een hele andere lichaamshouding. Boeren zijn zwijgzaam. De eerste jaren in de stad voelde ik mij echt een dorpsmeisje. Misschien ben ik dat nu nog wel. Tijdens mijn studie Duitse en Roemeense taalwetenschappen heb ik een kunstwereld geschapen. Juist door de onderdrukking was er een groot gemeenschapsgevoel onder de studenten. We dronken, dansten, zongen en discussieerden. Toen kwam ik in de betonnen werkelijkheid terecht. Ik werkte drie jaar in een machinefabriek. Daar heb ik heel veel kapotte mensen gezien. Sommigen werkten daar al dertig jaar. Zeven dagen in de week. De cijfers van de planeconomie werden nooit gehaald, of konden simpel worden bijgesteld.

En hoe ging het regime met u als schrijver om?
Ze wisten niet wat ze met mij aan moesten. Ik mocht natuurlijk niet reizen buiten het Oostblok. Een grens heeft tirannenmacht. Ik liet mijn teksten naar het westen smokkelen. In Duitsland won ik twee literaire prijzen tegelijk, maar ik was niet aanwezig bij de uitreikingen. Dat kwam uitgebreid in de pers aan de orde. Toen heeft de geheime dienst bedacht dat ik voortaan wel mocht reizen. Ik heb nu inzage in mijn eigen dossier. Stuitende lectuur. Daaruit blijkt dat parallel aan mijn buitenlandse bezoeken zogenaamde ‘compromitterende maatregelen’ werden genomen. Pure karaktermoord. Er werden brieven gestuurd naar radio- en tv-stations waarin werd beweerd dat ik een spion was. Als je toestemming kreeg om te reizen, dan moest je wel een pion van het regime zijn. Het is ze niet gelukt om mij in het buitenland in diskrediet te brengen, daartoe lenen mijn boeken zich niet. Ik spreek daarin immers duidelijke taal. Ik reisde niet om de prijs van het zwijgen, dan bleef ik liever thuis. Uiteindelijk mocht ik drie keer naar het westen. Na elke trip moest ik mij melden en werd ik twee dagen verhoord. Al waren ze natuurlijk over alles al uitvoerig gebrieft. Na de derde keer besloten ze ‘dat ik zeker twintig jaar alleen de schoonheid van mijn vaderland mocht bewonderen’. Ik had het Roemeense volk genoeg schade aangedaan. Dictaturen spreken nooit over ‘de staat’, maar altijd over ‘het volk’. Het ging mij om het compromitteren van de staat, het volk had geleden.

Maar gelukkig had u de literatuur.
Mijn boeken hebben mijn leven gered. De literatuur is een spiegel van alledag en daarmee ook van de politiek. Ik geloof ook dat je alleen ware fictie kunt schrijven over iets dat je beleefd hebt. Ik heb bijvoorbeeld nooit letterlijk een verhoor van de geheime dienst opgeschreven. Maar ik heb er veel meegemaakt en kan er dus gemakkelijk eentje verzinnen. Mensen die onder een dictatuur leven, ondervinden helaas aan den lijve hoe literatuur werkt en dat de literatuur misschien ook een opdracht heeft, zonder het te willen. Literatuur beschrijft een samenleving, ook als dat de machthebbers niet past. In dictaturen is alles heel erg naakt, men ziet alles wat men eigenlijk niet mag zien. En je ziet ook de werking van literatuur. Eerst in negatieve zin. De inkt is nog vers en de geheime dienst staat al voor de deur.

Is het moeilijk om weer terug te raken in het leven van alledag als je schrijft aan dergelijke zware thema’s?
Ik ben een obsessief schrijver. Als ik eenmaal bezig ben, dan is er voor mij geen weg terug. Ik kan niets anders ernaast doen. Zodra het boek klaar is, schrijf ik twee jaar helemaal niet. Hoogstens maak ik collages. Ik denk na elk boek dat het de laatste is. Dat gaat al dertig jaar zo. Een levenlang schrijven. Dat kan ik niet lang achter elkaar. Andere auteurs werken in een dagelijkse regelmaat. Dat vereist een andere psychische structuur. Mij ontbreekt het aan kracht daarvoor.

In Die blassen Herren mit den Mokkatassen heeft u een aantal collages verzameld.
Het verzamelen van woorden is eigenlijk direct begonnen na mijn emigratie naar Duitsland. In communistisch Roemenië werden de kranten en tijdschriften, als ze al verkrijgbaar waren, op grauw papier gedrukt, met een inkt die enorm afgaf en ook nog vreselijk stonk. Dat besmette de woorden. Toen ik al die prachtige kleurentijdschriften in het Westen zag, vond ik het gewoonweg zonde om al die mooie woorden weg te gooien. Ik nam een schaar en knipte ze uit. Ik had een aparte tafel waarop ik ze verzamelde, totdat ze door het vele stof niet meer zichtbaar waren. Woordflinters zijn nu eenmaal moeilijk af te stoffen. Toen kocht ik een ladekast waarin ik mijn knipsels alfabetiseerde.

Dadaïstische provocatie? Woorden uitknippen, in een envelop doen, husselen en het toeval een gedicht laten maken?
Het gaat mij in eerste instantie om het beeld, de kleur en de vorm. En ik wil er ook mee laten zien dat rangschikken het belangrijkste is wat we met taal doen.

En ze zijn allemaal zo groot als een briefkaart. Waarom dat formaat?
Die beperking versterkt het effect. Het is allemaal begonnen met een opdracht voor een serie ansichtkaarten in 1992: Der Wächter nimmt seinen Kamm.

Het poëtisch detail is sowieso de kracht van uw werk.
Sommige auteurs zijn bezig met een panorama. Ik blijf liever bij het kleine. Dat heb ik ook als ik in de natuur ben. Mij zie je nooit boven op een berg. Ik blijf wel in het dal. Voor die grote overzichtsblik ben ik niet geschikt. Het detail kan mij niet samendrukken. Al is het de vraag of ik het altijd kan verdragen. Hoe beschrijf je een kamp? Je kunt niet voortdurend beweringen of algemeenheden neerschrijven. De honger gaat leven in het detail.

Jonge auteurs kennen, als het goed is, geen onderdrukking. Waar kunnen zij indringend over schrijven?
Het maakt niet uit welke thema men neemt. Problemen zijn er in elke vorm. Alles is beleven. Als je bijvoorbeeld ontslagen wordt, dan kan dat ook de grond onder je vandaan slaan. Het gaat om gevoelscatastrofen. Je moet alleen de intensiteit hebben om erover te schrijven. Veel schrijvers menen dat hun beroep een openbare zaak is, maar het tegenovergestelde is het geval. Schrijver ben je alleen met jezelf. Als de bezetenheid om ergens over te schrijven ontbreekt, kun je beter iets anders gaan doen.

Kunt u nog iets zeggen over het gedicht in het Roemeens dat u in Berlijn voorlas?
Ik heb meer in het Roemeens geschreven, maar dat ben ik allemaal kwijt. Dit gedicht was voor een rockband. De drummer heeft mij het zo vaak voorgezongen dat ik het heb onthouden. Ik was staatsvijand en zei dus dat ze beter mijn naam niet konden noemen. Nu weet ik uit mijn dossier dat de geheime dienst het door de afluisterapparatuur allang wist. De rockband is na de val van Caeausescu uiteengevallen. De druk was weg. Het is ironisch dat een dictatuur zelfs nadat hij is opgehouden te bestaan daar nog toe in staat is.

Foto 1: copyright Wikipedia
Foto 4: lezing bij de uitreiking van de Nobelprijs. Copyright: Zweedse Academie, foto: Helena Paulin-Strömberg
Foto 7: diploma horend bij de Nobelprijs


Delen
Koppelingen
Personen
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)