Interview met John Banville (II)
De onsterfelijken
Door Guus Bauer (23 maart 2018)
In De onsterfelijken, de eerste roman na het winnen van de Booker Prize voor De Zee in 2005, ligt de briljante en wereldberoemde wiskundige Godley in coma op zolder van een landhuis ergens in Ierland, dichtbij de hemel zogezegd. Hij heeft een beroerte gehad toen hij zich ietwat te enthousiast poogde te ontlasten. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Hermes, zoon van Zeus, maar misschien is het gewoon Godley zelf die zijn geest die tussen hemel en aarde zweeft, nog eenmaal de absolute vrijheid gunt. (Of is het toch een godheid, die veranderen kan in om het even wie of wat?) De beschrijving van de wereld van een genie, die bedrieglijk lijkt op de onze, maar dat toch niet is. Een dag uit het fantasierijke leven van… Beginnend bij het eerste ochtendlicht en eindigend bij het invallen van de duisternis. Een roman die zich volledig afspeelt in het landhuis en tegelijkertijd allerlei werelden ontsluit. Banville die al zijn lievelingsthema’s en motieven uit wetenschap, geschiedenis en kunst inzet.

Banville: “Hoewel de werkwijze van kunst en wetenschap anders is, putten ze naar mijn idee beiden uit dezelfde creatieve bron binnen in ons. Er is nu eenmaal geen vastgestelde norm, anders konden we onderscheid maken tussen genieën en krankzinnigen. Ik ben zeker een- of tweemaal per dag behoorlijk gek. Ik probeer namelijk het leven te vangen zoals het daadwerkelijk is. Iets dat vrijwel ondoenlijk is in de kunsten. Ik ben een kunstenaar en werk dus in zekere zin met een handicap. We weten alles, maar weten alleen niet dat we het weten. De kennis wordt ontsloten door de verbeelding. Je bent een schrijver op het moment dat je de macht van de verbeelding ontdekt, als een zoeklicht op de wereld. Op het moment dat je iets ontsluit, kun je geschokt zijn, maar ergens zal het geen verrassing zijn.”

Goden
“Ik ben een grote liefhebber van de mythes uit de Griekse oudheid. De inspiratie voor De onsterfelijken komt voor een deel van het toneelstuk Amphityron van Heinrich von Kleist. Zoals ik wel vaker ‘bij hem in het decor heb gestaan’. Toen ik aan het schrijven begon, was het plan om heel dichtbij de verhaallijn van Von Kleist te blijven, maar, zoals het eigenlijk altijd gaat, volgde de tekst een eigen route, het organische element van proza. Het patroon dat ik vooraf had uitgedacht, bleek niet te werken, althans niet naar mijn tevredenheid, en dus waren tijdens het proces – ik doe gemiddeld vijf jaar over een roman, schrijf nu eenmaal met de vulpen – grote aanpassingen nodig. Ik werk eigenlijk niet met verschillende versies, maar per zin, per alinea, ben tijdens het schrijven in een bijna hypnotische stemming. Dat levert vaak ‘prettige ongelukjes’ op. Kleine scènes, details die plots van waarde blijken voor het groter geheel.”

“Ik wilde onderzoeken wat het betekent om op deze aarde te zijn, vanuit een totaal ander perspectief. De enige manier om dat te doen was door het “goddelijke” op te voeren. Ik heb mijzelf altijd al een vreemdeling gevonden, me vaak afgevraagd of ik wel op deze aarde hoor, of wíj wel hier horen. Of we geen kosmische blunder zijn. Misschien is er wel een fout gemaakt en bevinden de echte bewoners zich aan de andere kant van het universum. De kunstenaar heeft de tijd, de obsessie om zich te concentreren op wat we weten en wat we voelen, op het uitdrukken van wat iedereen eigenlijk onderhuids weet. Dat geeft ons de perspectieven van verschillende kleine goden.”

“De goden, zoals opgevoerd door de oude Grieken, waren mensen met bovennatuurlijke krachten, die elkaar bevochten, die zich steeds weer moesten bewijzen, die in die zin niet almachtig waren, maar één trede hoger stonden dan de stervelingen, eigenlijk jaloers op hen waren. De moraliteit is een uitvinding van het monotheïsme, de ene god die éist dat we hem liefhebben. De Grieken hadden geen behoefte aan ‘verlossing’, namen de mensen zoals ze waren. Waarvan zou men verlost moeten worden. Soms wens je het pantheïsme terug, het monotheïsme is funest voor de mensheid geweest. De marteling van ‘hemel en hel’, ‘de redding’ en ‘het leven na de dood’. Kijk wat het in Ierland gebracht heeft. Al heeft het veel mensen troost geschonken.”

Silo
“Benjamin Black, het pseudoniem waaronder ik thrillers schrijf, is een ambachtsman. Hij maakt zijn werk bij volle bewustzijn, bij het volle verstand. De boeken van Black zijn ontstaan uit spontaniteit, die van Banville uit ‘afwezige’ concentratie. In zoverre concentratie afwezig kan zijn. Twee totaal verschillende manieren van werken. Black schrijft direct op de tekstverwerker. Dat heeft het nadeel dat het eruitziet als een kant-en-klaar werk, terwijl het in eerste instantie een veredelde vorm van typen is. Schrijven als Black is ‘geven’, als Banville is ‘ontvangen’. Ik ben natuurlijk al heel lang aan het oefenen, bezig met taal. Het valt nu op dat ik soms een woord gebruik dat ik niet ken. Ik moet het dan opzoeken in het woordenboek. Het blijkt dan precies te passen. Waarschijnlijk heb je dat ooit opgeslagen in je taalvoorraadschuur. Het is mijn doel om die ‘silo’ steeds weer aan te boren. Toen ik jong was, schreef ik meer als Black, omdat ik toen nog geen andere schrijfmethode had ontdekt. Bovendien had ik toen niet de benodigde linguïstische kunde. Nu kan ik min of meer alles doen met taal, maar dat is een gevaarlijke plek om te zijn. Want als je alles kan zeggen, is dat wat je doet: alles zeggen en dus niets. Je moet heel erg op je hoede zijn voor vals vloeiend schrijven.”

“Het verhaal in De onsterflijken speelt zich af op één dag, het is een soort wake, toch heb ik niet aan Joyce, aan Finnegans wake gedacht, nu ja, misschien heel erg onbewust. We worden tenslotte beïnvloed door alles wat we lezen, boeken, kranten, tijdschriften. Wat opvallend is niet wat we onthouden, maar wat we vergeten. Waar is het? Het moet zich ergens bevinden, in de immense brein van ons. En dan bedoel ik niet het onderbewuste. Opnieuw een ‘silo’ waaruit we kunnen putten. De onsterfelijken is een boek over het leven op onze planeet, het gaat niet over de goden, niet over een leven na de dood. Wij leven en ondertussen gebeuren er andere magische sensaties waarvan we ons niet volledig bewust zijn. Een multiple universum. Dat zorgt ervoor dat je het leven kunt savoureren. Ik heb, nogmaals, geen speciale gave voor kennis, de kunstenaar heeft een speciale gave voor expressie.”

Schrijven
“Ik ben niet bezig met het bouwen van een oeuvre, maar begin gewoonweg met het schrijven van een boek, en ergens schrijven we allemaal steeds weer hetzelfde verhaal vanuit een ander perspectief. Ik heb geen ‘groter plan’ vooraf, behalve met de boeken over wetenschappers. In dat geval wist ik van tevoren dat een cyclus van vier wilde maken. Elk boek wordt op een of andere manier geboren vanuit het voorgaande, hetzij direct, hetzij via een omweg. Ik gebruik soms personages van eerdere romans. Daarmee maak ik het me lastig, want ik verdraag het maar moeilijk om werk van mijzelf te herlezen. Het grote voordeel van een tekstverwerker: je kunt in de drukproef steekwoorden opzoeken. Ik weet dat er schrijvers zijn die voor elke herdruk hun werk herzien. Ik begin daar beslist niet aan. Dat is een vertrouwensbreuk met het verleden.”

“Ik schrijf heel langzaam, kan soms weken aan een stuk van pakweg achthonderd woorden werken. Ik vind het die tijd waard. Mijn vriend, wijlen de Ierse romanschrijver John MacGahern zei altijd: ‘Er is proza, er zijn verzen en er is poëzie die je kunt vinden in beiden. Al vind je het vaker in proza.’ Ik tracht de roman te poëtiseren, zonder de tekst te verdichten, samen te laten klonteren. De stijl moet de tekst verrijken, intensiveren, zoals in verzen. Ik onderschrijf de opmerking van W.H. Auden dat het gedicht de enige kunstvorm is die je óf tot je neemt óf terzijde leg. Bij muziek, of bij een schilderij kun je je gedachten laten gaan. Dat is wat ik met mijn romans wil, het kluisteren aan mijn teksten. Daarvoor moet je in jezelf afdalen, net zo lang tot bij een soort algemeen bewustzijn aanhaakt. Op dat moment raak ik ook het besef van tijd kwijt. Op dat niveau van concentratie wordt kunst geschapen.”

“Wanneer ik aan een boek bezig ben, start ik in de ochtend met het lezen van het geschrevene van de vorige dag. Op zinsniveau klopt het meestal wel, maar het kan zijn dat ik het moet herschikken. Ook na het schrijven van pakweg twintigduizend woorden komt dat natuurlijk voor. Onherroepelijk verandert dat de toon. Ik kan niet aan het ambachtelijke proces van het schrijven beginnen voordat de geometrische vorm van een boek volledig in mijn hoofd zit. Het werk is dan eigenlijk al gedaan. Het daadwerkelijk op papier zetten kan op den duur ‘saai’ worden. Daarom zijn de eindes van sommige romans zo slordig. De schrijver rafelt het af, wil er eindelijk vanaf zijn. Wanneer is een boek daadwerkelijk af? Je komt op een gegeven op een punt dat je beseft dat je niets meer kunt doen. Schilders weten dat precies. Een stipje meer kan een schilderij volledig verwoesten. Elk kunstwerk heeft zijn eigen regels en zijn eigen dimensies.”

Benjamin Black
“In sommige gevallen kun je tenminste die regels zelf opstellen. De Benjamin Black boeken begin ik aan het einde van het voorjaar. De zomer is namelijk voor mij het minst interessante seizoen en dan werk ik het liefste door aan iets ‘gemakkelijks’. De eerste is ontstaan omdat ik een opdracht kreeg voor een tv-serie zich afspelend in de jaren vijftig. De tv-serie is nooit gemaakt en ik hou er niet van voor de afvalbak te produceren en dus maakte ik er een roman van. Ik ben bij de jaren vijftig gebleven omdat het een heel interessante donkere tijd was, financieel en spiritueel armoedig, perfect voor crime. Ik ben in 1945 geboren en was toentertijd dus een tiener. Ik vind het amusant om te kijken wat ik zelf uit die tijd nog herinner. Research doe ik niet, dat doodt fictie. Bij mijn boek over Copernicus zei mijn vrouw – mijn eerste lezer – ‘feiten, alleen maar feiten, de waarheid is iets anders.’ Ze heeft gelijk. Je kunt tien versies van een verhaal maken. De negende kan afschuwelijk zijn, en de tiende goed. Wat intussen gebeurd is het raadsel van fictie. Het heeft waarschijnlijk iets te maken met finale beslissingen. Het speelkwartier is over. Work is more fun then fun.

“Aanvankelijk dacht ik dat Black een hobby was, een fijn avontuurtje. Zijn stijl is oppervlakkig op een goede manier. Maar wanneer ik terugkijk, besef ik dat het meer is dan dat. Ik heb die ‘afleiding’ nodig, als een olie die me weer soepel maakt voor het andere werk. Het is een voorlopig antwoord, ik weet het nog niet zeker. Ik zie wel dat er af en toe kleine elementjes van Black in de Banville-boeken sluipen. De onsterfelijken zou door Black geschreven kunnen zijn. Ik schreef dat boek toen mijn huwelijk stukliep, misschien verklaart dat de puzzel die het geworden is. Mevrouw Osmond heeft ook duidelijke trekjes van suspense. En wie weet, misschien sta ik over honderd jaar alleen maar met mijn Black-boeken in de overzichten. Denk aan Thomas Hardy die alleen nog bekend is vanwege zijn romans, terwijl zijn gedichten werkelijk fenomenaal zijn. ”

Reisagentschap
“Drie boeken spelen in Praag, omdat Praag een van de drie magische hoofdsteden van Europa is, Lyon en Turijn zijn de andere twee. Zelfs in de jaren negentig nog liep je in een wijde drukbevolkte straat in Praag. Je sloeg af en plots was je in een even brede straat die totaal verlaten was en kon je je eigen voetstappen horen. Er zijn maar weinig steden in de wereld waar je je eigen voetstappen kunt horen. Van die vreemde geheimzinnige momenten. Nu is dat natuurlijk anders met de verregaande toeristenindustrie. Ik voel geen behoefte meer om er heen te gaan, wil de sfeer van toen bewaren. Sentimenteel, ongetwijfeld. Maar kijk naar het toerisme hier in Amsterdam. Het vernietigt de authenticiteit. Ik weet wel wat ik ga doen als ik ophoud met schrijven. Dan begin ik een reisagentschap. Met een heel eenvoudig aanbod. Men mag niet verder reizen dan pakweg twintig kilometer van de eigen woonplaats. Dat wordt een megasucces, want vrienden van mij doen dit al stiekem. Ze zeggen – ook tegen hun volwassen kinderen – dat ze naar Europa gaan op een stedentrip en duiken voor twee weken onder in een plaatselijk hotel in Ierland. Ze zeggen dat een nieuwe oude wereld voor ze opengaat. Waarschijnlijk hebben ze ook de meest fantastische seks sinds hun huwelijksreis, want het moet voelen als een affaire.”
Delen
Koppelingen
Meer interviews
De taal voor het publieke gerecht Door Guus Bauer (11-12-2018)
Interview met Michel Laub Door Guus Bauer (02-11-2018)
Interview met Geir Gulliksen Door Guus Bauer (03-10-2018)
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)
Interview met Peter Abelsen Door Guus Bauer (28-08-2018)