Interview met Kester Freriks
‘Als criticus probeer ik over mezelf heen te stappen’
Door Annemiek Neefjes (18 mei 2011)


‘Het doek gaat op, de zaallichten doven: dat is voor mij nog iedere keer een prachtig moment. Er opent zich een andere, kunstmatige wereld. De werkelijkheid is onbevattelijk, de structuur van die onbevattelijkheid fascineert me. De chaos van het dagelijks leven wordt op het toneel zichtbaar gemaakt.’

Kester Freriks, schrijver en theatercriticus, komt gelijk met een voorbeeld. ‘Geert de Jong, als Penelope in Odysseus, opgevoerd door Toneelgroep De Appel. Ze komt op, gaat zitten en laat een stilte vallen. In werkelijkheid wacht de trouwe Penelope jaren op haar man Odysseus, Geert de Jong zegt zes, zeven minuten niets en drukt zo het jarenlange, tragische wachten uit. Prachtig.’

Ruim dertig interviews
Freriks is dit jaar drie decennia als toneelrecensent verbonden aan NRC Handelsblad. Recent publiceerde hij Naar het theater, een boek met ruim dertig interviews met een gevarieerde keuze aan acteurs en actrices, onder wie Pierre Bokma, Maria Kraakman, Chris Nietvelt, Jacob Derwig, Elsie de Brauw, Bert Luppes en Halina Reijn. De interviews maken stuk voor stuk een geconcentreerde indruk en staan vol mooie oneliners. ‘Een goede toneelspeler verbergt altijd zijn bedoelingen,’ zegt Huub Stapel. Of Malou Gorter: ‘Ik bepaal met die ene pinkbeweging hoe de voorstelling verloopt.’

Het boek is bedoeld om belangstellenden inzicht te geven in het toneelspel, in de drijfveren en werkwijze van acteurs. ‘Sommige spelers zeiden: ik weet echt niet hoe ik te werk ga, hoor. Al pratend kwam er toch van alles boven,’ vertelt hij in café-restaurant Stanislavski, gevestigd in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Onbevangen
Freriks was al in zijn jeugd gegrepen door toneel. Hij speelde zelf en bezocht regelmatig voorstellingen in de Almelose schouwburg (‘daar kwam veel goed theater; de zalen waren bijna altijd helemaal leeg’). Tijdens zijn studietijd verbond hij zich aan theatergezelschap Handke/Weiss. Later ontdekte hij dat hij ‘meer werd geraakt door het schrijven over toneel dan door het spelen zelf’. Hij reageerde op een vacature bij de cultuurredactie van NRC. Toen hij vertelde over zijn frequente theaterbezoeken, vroegen ze hem of hij niet over toneel wilde schrijven. Aldus geschiedde.

Hij ziet twee of drie voorstellingen per week. Als hij er geen verslag van hoeft te doen, laat hij zich in het verhaal opgaan. Moet er wel een recensie komen, dan zoekt hij al kijkend naar een sleutel tot het stuk. ‘Ik schrijf niet voor de regisseur of voor de spelers maar voor de lezer. Namens hem of haar ben ik de toeschouwer. Dat heb ik van Jac Heijer geleerd, die in mijn begintijd de theatercriticus van NRC Handelsblad was.’

Freriks probeert onbevangen te kijken en meestal lukt dat, ook nog na dertig jaar. Maar soms is zijn oordeel hem de baas. ‘Macbeth in de uitvoering van Aus Greidanus was geënsceneerd als een strijd tussen supporters, met supportersvakken en al. Ik houd helemaal niet van voetbal, dus dat maakte het gelijk al lastig. De vorm was enorm dwingend, ik vond nergens aansluiting en bleef buiten het stuk. Als criticus probeer ik over mezelf heen te stappen, maar in dit geval ging dat niet.’

Vorm geven aan taal
In de interviews in zijn boek is een opvallende constante: het belang dat de spelers aan taal hechten. Jeroen Willems zegt eenvoudigweg: ‘Theater is taal.’ Ariane Schluter: ‘Als je toneelspeelt geef je vorm aan taal.’ Betty Schuurman: ‘Toneel bestaat uit taal. Die taal zijn wij.’ Porgy Franssen: ‘Ik concentreer me niet op de inhoud. Alle aandacht gaat uit naar de tekst.’ Eric Schneider: ‘Een acteur moet in mijn ogen taalbegaafd zijn.’

Freriks: ‘Die nadruk op taal verraste mij ook. Ik vroeg de spelers naar de inspiratiebronnen bij het acteren, naar wat helpt bij de inleving in hun personages. Ik had eerder Stanislavski verwacht, emotional memory, maar vrijwel iedereen had het over de technische beheersing van de tekst. Taal als vehikel om emoties over te brengen is misschien ook wel logischer dan putten uit persoonlijke herinneringen. Wat Jan Decleir hierover zei vond ik treffend: “Als je met je eigen emotie speelt, sluit je het publiek uit”.’

Met het belang van die taligheid in het achterhoofd, kijkt Freriks met een nieuwe blik naar toneelspel. ‘Ik heb Sascha Bulthuis eens gezien tijdens een repetitie bij De Appel. In een seconde kon ze reageren op aanwijzingen van de regisseur, zo van: o, je wilt het zo, en dan deed ze het. In het dagelijks leven was ze een kleine vrouw met een wat smoezelige regenjas, bij de tramhalte zou ze niet eens opvallen, maar op het toneel transformeerde ze in een vingerknip tot wie ze maar wilde. Nu pas begrijp ik dat ze dit kon dankzij een perfecte tekstbeheersing.’

Ratio of emotie?
Een tweede constante in de interviews, een paar uitzonderingen daargelaten, is het belang van de ratio, van de reflectie. Emotie? Wel voor de toeschouwer, maar niet voor wie op de planken staat, is de dominante opvatting bij acteurs. De visie van Halina Reijn staat hier haaks op (‘Voor mij staat er tussen theater en therapie een isgelijkteken’) maar voor de meesten geldt: ‘Toneelspelen is denken’ (Jacob Derwig).

Freriks knikt nadenkend. Acteren is hardop denken en voelen is vies: die twee adagia van Ton Lutz zijn inmiddels gemeengoed geworden. Een hele generatie acteurs is hiermee opgegroeid. Die speelbenadering levert schitterend toneel op, maar het grote acteren sluit je hiermee wel uit, want dat is maar “gevoel”.’ Hij mist wel eens het grote gebaar, de acteur die er echt durft te staan, die de aandacht op zich vestigt. ‘Pierre Bokma en Gijs Scholten van Aschat kunnen dit nog wel, die stijgen in hun spel boven zichzelf uit.’

Ontbreken van traditie
Freriks vindt dat in Nederland het repertoiretoneel ontbreekt, de opvoering van klassieke stukken op een min of meer traditionele wijze. Als beginnend theaterbezoeker zag hij dat soort stukken wel, naast experimenteel toneel van toneelgroep Baal of Jan Joris Lamers. ‘O, dacht ik dan, je kunt dus ook gewoon met je tekstboekje in de hand op het toneel staan. Dat was een ontdekking, tegen de achtergrond van het klassieke toneel. Nu staat bij iedere regisseur de vernieuwing bovenaan, nog altijd een gevolg van Actie Tomaat. Voor mij als theatercriticus heeft het ontbreken van traditie ook consequenties. Ik weet niet altijd wat het referentiekader van de lezer is. Niet iedereen deelt meer dezelfde kennis van theater.’

Vrije producent Hummelinck Stuurman brengt wel klassiek toneelwerk, zoals op dit moment De Meeuw van Tsjechov, in een regie van Gerardjan Rijnders. ‘Wat dit bureau doet is artistiek hoogwaardig, ik heb er bewondering voor.’ Freriks pleit voor stadstheaters, naar het voorbeeld van Duitsland. ‘Deze theaters hebben een duidelijke opdracht: repertoire brengen van Shakespeare, Tsjechov, Beckett en andere klassieken, naast moderne opvoeringen. Ook in Nederland gun ik iedere nieuwe generatie om op een toegankelijke manier kennis te nemen van de toneeltraditie.’


In de Rotterdamse Schouwburg is nog t/m 4 juni een tentoonstelling te zien met theaterfoto’s van Leo van Velzen.
Foto Kester Freriks: Chris van Houts.
Delen
Koppelingen
Meer interviews
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)
Interview met Gunnar Staalesen Door Guus Bauer (07-06-2019)
Interview met Takis Würger Door Guus Bauer (28-05-2019)
Interview met Elvis Peeters Door Guus Bauer (06-05-2019)