Interview met Renate Dorrestein
Het doek laten geloven dat het een vijvertje is
Door Fleur Speet (10 april 2009)


Hanneke Groenteman zei in haar televisieprogramma eens tegen Renate Dorrestein dat zij weer zo’n naargeestig boek had geschreven dat ze er nog dagen misselijk van was. Die opmerking was bedoeld als groot compliment: boeken van Renate Dorrestein lees je zelden ongeschonden. Ook de nieuwste roman van Dorrestein, is er hoop (die op 16 april verschijnt), raakt in de maag, maar biedt toch vooral troost en naast een geweldige leeservaring de kennismaking met vrolijk innemende, aandoenlijke personages. Beginnen betekent niet loslaten tot de laatste pagina is omgeslagen. Om er dan beteuterd achter te komen dat er in het leven maar weinig te veranderen valt.

Hoofdpersoon Nettie zorgt voor haar kleinzoon Igor, die een laag IQ heeft. Igors moeder Jolie is drugsverslaafd. Als Igor, die een werkplek krijgt op de sociale werkplaats, thuiskomt met een weggelopen vriendinnetje die een baby in haar armen houdt, en iedereen in huis daarvan opbloeit, besluit Nettie haar dochter te zoeken. Die is net als Nettie zelf ooit weggelopen van huis. Dat er ondertussen een gestolen baby aan boord is, weet Nettie pas als het vriendinnetje en de baby alweer vertrokken zijn en de situatie weer even mistroostig is als daarvoor.

Opmerkelijke personages koos u uit.
Ik richt graag mijn blik op mensen die ik een stem kan geven omdat we ze nog niet zo vaak hebben gehoord. Deze personages zijn op voorhand allemaal even onsexy, van dit soort mensen is de wereld vol; een oude vrouw en een stelletje kinderen. Maar je ziet die martelgang van Nettie voor je met zo’n onhandelbaar jongetje. Hij wordt als een hete aardappel van het ene loket naar het andere geduwd en zij moet maar zien hoe ze het opknapt. Ze schort haar leven ervoor op, ze schrobt wc’s om voor Igor te kunnen zorgen. Het boek is daarmee een ode aan alle vormen van mantelzorg, alle liefde die mensen elkaar betrachten zonder dat er ook maar een instantie een hand naar uitsteekt. Want het lukt haar wel, ze krijgt hem op een fatsoenlijke manier groot.

Dat gaat makkelijker omdat ze grootouder is?
Dat denk ik wel. De relatie tussen een grootouder en een kleinkind is in ieder geval wezenlijk anders dan die tussen een ouder en een kind. Het is veel leuker, al het schuldgevoel is er namelijk tussenuit. De schuld waar je nooit over mag spreken, maar die je op je neemt door een kind op de wereld te zetten. Iemand het leven schenken is bijzonder ontzagwekkend. Het kind heeft daar niet om gevraagd, maar zit er wel mee opgezadeld. Het is mooi ingericht door de natuur dat je niet anders kunt – enkele diabolische gevallen daargelaten – dan van je kind te houden, maar je kind is nergens iets aan verplicht.

Een ouder houdt daarom altijd duizendmaal meer van zijn kind. Zoals jij door je moeder bent bemind, heb je haar nooit terug bemind. Dat is een natuurwet en leidt tot wederzijds schuldgevoel. Maar alles wat je onder ogen ziet, maakt het leven makkelijker. Nettie komt er uiteindelijk achter dat zij niet verantwoordelijk is voor de keuzes die Jolie tot drugsverslaafde maakten. Door voor Igor te zorgen dacht ze de rekening met Jolie te vereffenen, maar er staat geen rekening meer open. De intrinsiek duistere kanten, het mijnenveld dat de ouder-kindrelatie is, vind ik razend interessant. Ik kan daar alleen maar met droge ogen over schrijven omdat ikzelf geen kinderen heb.

De roman borduurt voort op een onopgelost gegeven uit de roman Zolang er leven is uit 2004 (waarin een gestolen baby onverklaarbaar terugkeert en hoop een vijand wordt, omdat de ouders gegijzeld zitten in het wachten), maar deze roman lijkt door het schuldgevoel van moeders ook sterk op Ontaarde moeders uit 1992.
Ja, Ontaarde moeders gaat ook over het onontkoombare falen. Ik weet niet waarom zich dat nu weer voordoet, misschien valt het kwartje over een paar jaar. Vijf jaar na het verschijnen van Ontaarde moeders herlas ik het boek en opeens begreep ik waar Meijken, die daar in huis opgesloten zat, vandaan was gekomen. Dat was ikzelf natuurlijk, ik zat zelf opgesloten. Het was het eerste boek dat ik schreef sinds ik ziek was. Goh, wat gek dat ik dat nooit heb gezien, denk je dan ook nog. Je zit er met je neus bovenop en bent er blind voor. Maar zo’n autobiografisch feit vindt een vorm die zo intrinsiek bij het boek hoort dat het er niet meer toe doet dat het uit m’n eigen leven komt.

U schreef als journalist over sociale werkplaatsen in Nederland. Zo kwam u op het personage Igor, of hoe werkt dat?
Ik schreef ook over kinderen met het syndroom van Down. Daarvoor trok ik een week met een verstandelijk gehandicapt meisje op, dat ik iedere dag van school haalde. De laatste keer dat ik haar ophaalde zei ze heel geïrriteerd tegen me: doe nou eens normaal. Prachtig vond ik dat, die volledige omkering. Toen ik die zin teruglas rees Igor voor me op. Híj is normaal, denkt hij. Zo’n klein zinnetje geeft zo’n personage dan opeens vlees en botten. Met Nettie had ik in beginsel de meeste moeite, ik kreeg haar niet op mijn netvlies. Aanvankelijk was ze knorrig en gaf zich niet aan me prijs. Dan is het bij wijze van spreken kopjes koffie inschenken en samen tijd doorbrengen. Opeens zei ze dat ze iemand jeweetwel achter het behang kon plakken, waarmee ze natuurlijk Igor bedoelde. Toen kwam ze uit de mist tevoorschijn en zag ik hoeveel ze van Igor houdt.

Soms werkt het niet en zit ik met een zin die niet tot leven wil komen in het boek. Ik hoorde iets op straat wat ik in deze roman wilde wurmen. De ene Surinamer riep tegen de andere: ‘Ik weet waar die huis van jouw woont, ik weet waar die huis van jouw woont, mán.’ Zulke zinnen komen automatisch op mijn harde schijf, ik schrijf niets op en maak geen aantekeningen. Hij zou bruikbaar geweest zijn voor de Surinaamse Stanley, de toko-eigenaar en vriend van Igor en Nettie, op wie Nettie heimelijk verliefd is, maar Stanley koos zijn eigen taal. Ik geloof dat je de grootste mogelijkheden voor de ontplooiing van je personages schept als je jezelf in de waan brengt dat de personages de kans krijgen hun eigen ding te doen. Als ik ze in de mal duw van mijn ideeën en opvattingen wordt het programmatisch. Laat ze hun eigen taal maar spreken, hun eigen toon hebben en eigen wijsheden debiteren.

Daarvoor is veel psychologisch inzicht nodig.
Dat heb ik alleen als ik schrijf. Kurt Vonnegut, mijn held en afgod, vertelde in een interview dat als hij schreef hij de fysieke gewaarwording kreeg dat hij intunede op een collectief bewustzijn. Dat er een direct kanaal was tussen hem en het collectieve weten. Op het moment dat hij van z’n bureau wegliep, verbrak de verbinding. Hij zei dat schrijvers daarom in het echt altijd zo tegenvallen. Alleen in hun werk hebben ze een speciaal vermogen en niet als je met ze praat of ze in een zaaltje achter een tafeltje ziet zitten. Volgens mij is dat waar. Ik vind mijzelf helemaal niet psychologisch scherp, maar als ik schrijf ben ik dat wel. Zoals Vonnegut al zei is schrijven zo fijn omdat je de beste delen in jezelf kunt aanboren, delen waar je in je dagelijks leven niet bij kunt komen.

Dat zegt de schrijfster Maria Stahlie ook. Ze hoopt dat op hun beurt de lezers de beste delen in zichzelf aanboren.
Als lezer doe je dat inderdaad, ik denk dat dat absoluut waar is. Door een goede roman kun je opgetild worden naar dat grotere weten, je krijgt verbinding met de collectieve wijsheid. Stanley zegt ergens: ‘Wanneer meer mensen een kleine moeite deden, zouden minder mensen een grote moeite hoeven te doen.’ Het klinkt als alom bekende Oudhollandse wijsheid, maar Stanley formuleert dit aforisme voor het eerst. Merci, Stanley. Het is een weten dat we allemaal delen.

Laatst was ik in Helsinki voor de Finse presentatie van een van m’n romans en bezocht daar een tentoonstelling waar een immens groot doek van een prachtige vijver hing. In een hoekje draaide een video over het maakproces. De schilderes zet in haar studio Vietnamese muziek op, loopt naar het doek, kijkt op de thermometer en gaat weer weg. Ze komt terug, houdt het doek vast en gaat weer weg. En zo nog een paar keer. De interviewer vraagt waarom ze dat nou doet, dat doek zo vasthouden. En haar antwoord is voor mij de meest inspirerende zin die ik ooit heb gehoord, ze zei: ‘I have to make the canvas believe it’s a pond.’ Vervolgens legt ze uit hoe ze het doek ervan overtuigde dat het een vijvertje was, dat ze in Vietnam een vijver had gezien, en toen bepaalde Vietnamese muziek hoorde en ze nu wachtte tot het dezelfde temperatuur was als daar. Haar animistische benadering sluit zo aan bij hoe ik het schrijven beleef, zij tilt het zelfs nog een stap verder. Deze kunstenares is bezig met een krankzinnig ingewikkeld proces, maar de eerste de beste kunsthistoricus zal zeggen: dat is niet echt een vijvertje, die vrouw is gek. Zo wordt er ook wel door bepaalde critici over mijn werk gedacht, omdat ik geen doorwrochte, lijdende schrijver ben, maar verkondig dat ik met zoveel plezier naar m’n werk ga. Ze vergeten dat ook ik mijn doek moet laten geloven dat het een vijvertje is.
Delen
Koppelingen
Personen
Boeken
Meer interviews
Interview met Chrétien Breukers Door Guus Bauer (27-11-2019)
Interview met Marijke Schermer Door Guus Bauer (13-11-2019)
Interview met David de Poel over Frans Pointl Door Guus Bauer (01-10-2019)
Interview met Robert Pollack Door Guus Bauer (20-09-2019)
Interview met Max Porter Door Guus Bauer (03-07-2019)