Interview met Sara Baume
"Ik zie mijn boek als een sneeuwbal, wanneer je die maakt, neem je allerlei takjes, bladeren en modder mee."
Door Guus Bauer (15 mei 2018)
Frankie, de hoofdpersoon in Zevenduizend eiken, de tweede roman van de nu reeds veel bekroonde Ierse schrijfster Sara Baume (1984), is een jonge kunstenares die het leven in de stad niet aankan. Haar visie wijkt te veel af van de standaard, ze ontvangt te veel prikkels, kan ze – nog niet – verwerken in haar kunst. Haar bliksemafleider hapert zogezegd. Misschien ook wel omdat ze de kunstacademie heeft gevolgd (net als de schrijfster) en de ambitie heeft om grootse werken te verrichten. Ze wil er beslist uitspringen. Ergens weet ze dat ze op dat moment vooral een would-be is, die de angst uiteindelijk middelmatig te zijn nog niet heeft overwonnen. Ze pakt haar schamele spulletjes bij elkaar en trekt zich terug in de bungalow van haar overleden oma op het platteland. De veilige haven van de eenzaamheid.

Sneeuwbal
Baume: “De Engelse titel is A Line Made by Walking, maar eigenlijk is de Nederlandse vertaling juist. Seventhousand Oaks was de originele titel, vernoemd naar een kunstwerk van Joseph Beuys waarmee het boek eindigt. Daarmee was voor mij het verhaal mooi rond, maar de Ierse en Engelse redacteuren vonden dat niet passen. Ik zie mijn boek als een sneeuwbal, wanneer je die maakt, neem je allerlei takjes, bladeren en modder mee. Aan de ene kant lijkt het alsof ik als schrijver aan het freewheelen ben, door de lezer in het sterk associatieve hoofd van Frankie te laten kruipen. Maar haar monoloog wordt onderbroken door zaken die ze op de radio en in de omgeving hoort, door de weinige interacties met mensen. De beschrijvingen van de kunstwerken en de dode dieren zorgen ook voor de samenhang, voor het totaalbeeld. Ik vind het jammer dat in de Amerikaanse en Nederlandse vertaling de foto’s van de roadkills ontbreken. Het zijn eerder stillevens dan gruwelijke plaatjes.”

“De ‘los-vaste’ vorm is ontstaan door mijn werkwijze – ik ben de hele dag bezig met het schrijven van observaties op papiertjes, ogenschijnlijke losse flodders – en door het feit dat ik ben opgeleid als kunstenaar. Ik ben daardoor heel visueel ingesteld, moet de zaken eerst ‘gezien’ hebben voordat ik ze in mijn geest kan reproduceren, voordat de verbeelding ermee aan de haal kan gaan. Mijn eerste boek is geschreven vanuit het perspectief van een 57-jarige man. Er werd mij veel gevraagd, hoe ik dat voor elkaar had gekregen. Maar het enige dat mij als mens van die verteller onderscheidt is mijn gender en de leeftijd. Alle details, alle onzekerheden zijn van mij afkomstig. Ik heb dat perspectief gekozen omdat aan het einde blijkt dat hij ‘klaar’ is met de maatschappij. Dat was niet geloofwaardig geweest vanuit het gezichtspunt van een jong meisje. Ik vind het knap wanneer schrijvers vanachter hun bureau een totaal nieuwe wereld kunnen scheppen. Daar ben ik nog niet aan toe. Zevenduizend eiken is in dat kader waar en nietwaar. Frankie irriteert mij nu soms wel een beetje, dat lijkt me normaal. Het is het perspectief van een meisje van vijfentwintig. Ik ben nu bijna tien jaar ouder.”

Eenzaamheid
“Ik kan niet meer aangeven hoe en wanneer deze roman precies is geschreven. Frankie is, zonder het te weten, een schrijfster, heeft oog voor detail en dóet ook iets met die observaties. Minder sensibele mensen zien de details óf over het hoofd óf verbinden er geen gedachten en geen handelingen aan. Op een gegeven moment had ik notitieboekjes vol. Daar heb ik dit patchwork van gemaakt, een organische werkwijze, waarbij je puzzelt om de blokjes samen te laten vallen. Terwijl ik me voor deze roman nog zo had voorgenomen om heel traditioneel te werk te gaan, een verhaal met een begin, een tussenstuk en een einde. Ik heb het een tijdje geprobeerd, maar ik kan niet, of nóg niet zo bezig zijn. Gisteravond was er een evenement met John Banville met muzikale intermezzo’s. Geen typische Ierse muziek maar een klassiek strijkkwartet. Het meest fascinerende vond ik het stemmen. De muzikanten kijken naar elkaar, maken gecontroleerd geluid. Het is een mini-theatervoorstelling vooraf.”

“Frankie verliest zich eerder in details om niet over het groter geheel, over haar toekomst na te hoeven denken. Zij is haar flexibiliteit verloren en probeert tenminste op kleine stukjes tijd controle te krijgen. De angst voor het falen, voor het niet uitgroeien tot een ‘belangwekkend persoon’, het idee dat ze te oud is om nog geniaal te worden, verstikt haar. Ze dekt het toe met eenzaamheid, denkt dat de terugtocht de enige oplossing is. Het leven is nooit compleet, nooit perfect. Dat dat juist mooi is, moet je leren, moet je durven inzien. We leven nu in een tijd waarin ons wordt wijsgemaakt dat het een probleem is, terwijl tegelijkertijd vooral de westerse mens veel oppervlakkiger wordt. Er ontstaat een behoefte naar spiritualiteit, naar mindfulness. Frankie drijft het te ver door. Niet voor niets heb ik het motto van J.D. Salinger gekozen: ‘Het ergste dat het kunstenaarschap met je kan doen is je voortdurend een klein beetje ongelukkig maken.’

Rouw
“Toen ik de roman schreef, was het voor mij van groot belang dat ik de bijzondere band die ik had met mijn oma kon vastleggen. Als kleinkind heb je nu eenmaal na de dood van een grootouder ‘minder’ te zeggen. Het zijn de naaste broers en zusters van de overledene en hoogstens de kinderen die aanspraak kunnen maken. Na haar dood heb ik maanden in haar cottage gewoond. De huizenmarkt in Ierland lag in die tijd zo goed als stil. Oma was vrijwel in alles nog aanwezig, een afdruk van haar knieën in een kussen, een kopje met een scheur erin, haar tuingereedschap. In elk detail zogezegd. De zomer bracht ik door tussen de spulletjes die niemand wilde hebben. Ik kan nu ook niet meer precies aangeven wat realiteit is en wat verbeelding in de roman. Dit is nu mijn waarheid geworden, mijn verhaal over rouw.”

“Het boek kwam voor mij persoonlijk in een heel ander daglicht te staan omdat tijdens de afronding mijn vader overleed en na publicatie iemand die me zeer na was. Ik denk dat dat ook bij het schrijven hoort. Het constant opnieuw bepalen van je verhouding ten opzichte van je werk. En daar, ha, heb ik het me met het fragmentarische karakter gemakkelijk gemaakt. Je kunt het van allerlei kanten aanvliegen. Ik heb kunst gestudeerd en geen literatuurwetenschap en lees dus waarschijnlijk minder gestructureerd, maar het voelt wel alsof ik juist op die manier de meest waardevolle informatie heb gekregen. Ik lees heel veel. Op het moment werk ik weer met mijn handen, in voorbereiding op een tentoonstelling in het najaar. Beeldende kunst en schrijven zijn wat maakproces familie van elkaar. De kunst en de gedachtestroom overlappen bij Frankie – en bij mij – constant. Ze zijn onafscheidelijk, de wisselwerking is mijn basis.”

Onvolwassen
“Frankie moest voor mij nog een zekere ‘kinderlijke’ eerlijkheid hebben, de ietwat verschoven kijk op de wereld. De verwondering waarom de maan overal met je meereist. Het idee dat Frankie had als kind, dat iedereen opgroeit op het platteland en dat je op je achttiende besloot of je in de stad ging wonen. Dat daar alleen volwassenen huizen. Dat idee is op zich niet zo vreemd. Het is een algemene wens van jongeren om van het dorp uit te vliegen naar de stad. Bij de generatie van mijn ouders was het normaal dat je begin twintig al trouwde en kinderen kreeg. Ik ben nu nog steeds bezig om uit te zoeken wat het betekent om volwassen te zijn, wat mij werkelijk beweegt, waar mijn verantwoordelijkheden liggen. Dat proces speelt ook in Zevenduizend eiken. We moeten tegenwoordig veel te snel opgroeien, terwijl we tegelijkertijd lang onvolwassen blijven. In de hoogste versnelling tot je vijfentwintigste en dan moet je noodgedwongen een paar versnellingen terug omdat de reflectie, de kennis van de geschiedenis ontbreekt.”

“Alle vormen van kunst drijven daarop, de perceptie op een bepaalde intense periode. De reacties van filmmakers, schrijvers, schilders, muzikanten op de tijdsgeest. Ik ga naar China voor een expositie. Ik heb documentaires over het land gekeken en boeken over de geschiedenis gelezen. Fascinerend. Terwijl ik eigenlijk ook de reisgidsen zou moeten bestuderen. Maar ik kan door die voorbereiding waarschijnlijk beter relateren aan de contemporaine Chinese kunsten. Mijn partner is ook een kunstenaar. Wij denken dat we zo rond ons vijftigste à zestigste een zekere gelijkmatigheid hebben bereikt. We weten niet of het waar is, maar we verheugen ons bij die gedachte. Frankie heeft die onrust van de jeugd, kan nog niet tevreden zijn met een leven in het moment. Zij is atypisch. Ik wilde geen ‘wild collegeboek’ schrijven. Ze drinkt niet, is ook in de grote stad teruggetrokken, feest niet, reist nooit. Zo was ik zelf ook in die dagen. Let wel: ik hou nu van reizen, van de verschillende werelden. Al is er bij boekvoorstellingen weinig tijd over om een stad of een streek beter te verkennen. Ik ben nu met een kunstproject bezig dat te maken heeft met souvenirs. Ik fotografeer of teken bekledingen van wanden, stoelen, trein- en vliegtuigtapijten. Daarna schilder ik ze op platen. Ze hebben geen enkele culturele signatuur, zouden van om het even waar vandaan kunnen komen. Het is het spelen met het idee van souvenirs. Het grappige is, dat de meeste souvenirs in China worden gemaakt. Dus eigenlijk neemt iedereen iets uit China mee.”

Schaduw
“Ik ben op het platteland in Ierland opgegroeid. Er zijn nog steeds grote verschillen tussen het rurale Ierland en de steden. In Europa zijn we bijvoorbeeld het enige land waar binnenkort een referendum word gehouden over abortus. [In Polen was het legaal, maar is dat recentelijk teruggedraaid. gb] Toen ik achttien was vluchtte ik ook naar Dublin om verlost te zijn van ingesleten waarden. Na zeven jaar ging ik met graagte weer terug. Ik was somber, had geen geld, dacht dat mijn kunstambities veel te hoog gegrepen waren. En plots zag ik de waarde van de natuur weer. Als kind heb ik alle namen van planten, bomen, struiken en dieren geleerd. Die was ik vergeten tijdens mijn studie. We leven nu in een oude boerderij, afgelegen aan de kust. Het voordeel van Ierland is wel dat het niet zo groot is, dus je kunt snel in de stad zijn. Het beste van beide werelden.”

“De waarde van alle kunstvormen is dat je een schaduw van jezelf achterlaat. Mijn vader was een arbeider. Mijn moeder heeft na zijn dood een fotoverzameling gemaakt van alle hekken die hij heeft gelast. Duidelijk omdat ze behoefte had aan een teken van zijn fysieke presentie. Dat past ook weer bij mijn moeder. Ze is een architecte, iemand die waarde hecht aan objecten. Veel van haar zit in de moeder van Frankie. Ze zijn beiden van het detail, zonder dat ze dat zo nodig moeten omvormen tot kunst.”

Foto: Sarah Goff-Davis
Delen
Koppelingen
Personen
Meer interviews
Interview met Deborah Feldman Door Guus Bauer (11-09-2018)
Interview met Peter Abelsen Door Guus Bauer (28-08-2018)
Interview met Gunnhild Øyehaug Door Guus Bauer (06-08-2018)
Interview met Marek Šindelka Door Guus Bauer (13-06-2018)