AKO-Literatuurprijs 2006

Ga direct naar

Details:

Aantal inzendingen: 345 titels
Prijzengeld winnaar: 50.000 euro
Plaats en datum uitreiking: Schiphol-Oost, 10 november 2006


Winnaar

  • Hans Münstermann - De bekoring

    Laudatio door jurylid Elsbeth Etty
    Iedere criticus - en voor leden van literaire jury's is dat niet anders - kent de sensatie dat je een roman leest en onmiddellijk aanvoelt : dít is het waar literatuur om draait, alleen zó, in deze bewoordingen, met déze stijlmiddelen, mét deze intensiteit kun je een tijdperk, een levensgevoel, een generatie, een individu met al zijn tegenstrijdige emoties verbeelden.

    De bekoring ís zo'n roman, spelend op de rand van een nieuwe tijd waarin het leven voorgoed zal veranderen. Weliswaar is het verhaal gesitueerd in de kleine wereld van een katholiek Amsterdams gezin anno 1960, maar de problematiek is universeel. Om de strekking van De bekoring heel kort samen te vatten: het gaat over de beloftes die de moderniteit te bieden heeft en de onmogelijkheid daarvan te profiteren. Actueler kan bijna niet.

    Als we Marianne, de moeder van de hoofdpersoon een hoofddoek om zouden doen (die ze waarschijnlijk ook droeg) en haar in haar krappe bovenwoning tot gek wordens toe zien tobben met haar zeven kinderen en haar gefrustreerde echtgenoot, zitten we in één klap middenin onze huidige tijd. Nog geen veertig jaar is Marianne. Ze kan geen kant op, maatschappij en geloof verbieden haar dat. Haar plaats is thuis, bij de onbetaalde rekeningen, de afwas en een weinig aanlokkelijk echtelijk bed, waarin niet de liefde maar verkrachting haar deel is.

    Deze vrouw breekt uit, loopt weg. Niet naar een Blijf van mijn lijf huis - dat was er toen nog niet - maar naar een onbetrouwbare minnaar die haar evenmin het geluk van individuele vrijheid en autonomie kan bezorgen. Haar onvermijdelijke capitulatie, waarover ik zal zwijgen om de plot van het boek niet te verraden - heeft de vrouwelijke leden van de AKO-jury tot tranen geroerd. Maar gelukkig brengt het einde van het boek hoop. De zoon van de in haar vrijheidsliefde gefnuikte Marianne blijkt zijn moeder te zijn gevolgd in haar vlucht uit de benepen jaren vijftig en met hem een hele generatie.

    De bekoring is een pijnlijk maar tegelijk prachtig boek dat - zoals het oude Marianne-lied - in essentie gaat over innerlijke vrijheid en de pijn die het kost om die te verwerven. Hulde daarvoor.

    Nominatierapport
    De beloftes van een nieuwe tijd die op uitbreken staat en de onmogelijkheid daar deel aan te hebben, dat is de inzet van Hans Münstermanns roman De bekoring. De ‘sixties’ gloren aan de horizon, maar het katholieke zeven kinderen tellende gezin van de Duitser Joachim Klein en diens echtgenote Marianne Petersen leeft in alle opzichten nog in het knellende keurslijf van de naoorlogse wederopbouw. Ze zijn getrouwd op 10 mei 1940, een symbolische datum die als een schaduw over het huwelijk hangt. Andreas Klein is hun vierde kind en degene die later als schrijver de geschiedenis van het gezin te boek stelt. In De bekoring grijpt hij de sterfdag van zijn moeder aan om zijn herinneringen aan een jeugd in Amsterdam-Zuid te evoceren.

    Alles in die jeugd draait om één dag, 16 juli 1960, toen de moeder man en kinderen verliet met de mededeling nooit meer te zullen terugkeren. Aan haar sterfbed probeert Andreas te reconstrueren wat zijn moeder tot haar ‘verraad’ aan man en kinderen heeft gedreven. Dat levert een verstikkend beeld op van een doorsnee vrouwenleven in de jaren vijftig. Nauwelijks bijgekomen van vijf jaar oorlog, fysiek uitgeput na zeven bevallingen, financieel afgeknepen en geterroriseerd door een gefrustreerde echtgenoot, hunkert moeder Marianne naar vrijheid.

    Dat hunkeren mag niet. Ze wordt geacht gelukkig te zijn in haar door een tijdgenoot van Berlage speciaal voor de kleine burgerij ontworpen buurt. De geest van deze architect die het gezinsideaal van een vorig tijdperk belichaamt, wordt door Münstermann in een fijnzinnig literair spel tot leven gewekt. Hij volgt de moeder op haar vlucht met de bedoeling haar terug te voeren naar huis en haard. De compositie van De bekoring, een leven teruggebracht tot een vlucht die één dag in beslag neemt, is meesterlijk. Met louter literaire middelen - er komt geen politiek of maatschappijkritiek aan te pas - laat Münstermann ons de beschimmelde benauwenis van een op zijn eind lopend tijdperk voelen en ruiken. Vanuit het perspectief van het verlaten kind schetst hij in een fraaie, suggestieve stijl het wezen van een radeloze vrouw, een twintigste-eeuwse Madame Bovary.

    Haar uitbraak loopt uit op een capitulatie, maar ze heeft de weg gebaand voor haar uiteindelijk begripvolle kinderen. Zij behoren tot de generatie ‘babyboomers’ die een paar jaar na Mariannes mislukte vlucht massaal een geslaagde uitbraakpoging zou ondernemen. Onnadrukkelijk, maar daardoor des te overtuigender schetst Münstermann in De bekoring de onvermijdelijkheid van die uitbraak waarmee in de jaren zestig van de vorige eeuw het leven in Nederland voorgoed veranderde.

Genomineerd

  • Stefan Brijs - De engelenmaker

    Rapport Stefan Brijs:
    ‘Soms is wat onmogelijk lijkt alleen maar moeilijk,’ meent dokter Victor Hoppe in De engelenmaker van Stefan Brijs, en dus laat hij niet af in zijn pogingen om eerst dieren, dan mensen en uiteindelijk ook zichzelf te klonen. Brijs schildert een indrukwekkend portret van deze man, bij zijn geboorte door zijn moeder verstoten om zijn lelijkheid, door zijn vader als debiel gedumpt in een gesticht. Opvoeders ontdekken in hem een autistisch kind met onvermoede capaciteiten en hij wordt later een vermaard wetenschappelijk onderzoeker. Om een reden die pas veel later duidelijk wordt, keert hij terug naar zijn dorp bij het drielandenpunt, in het gezelschap van drie identieke, misvormde baby’s die geen lang leven beschoren zijn. De dorpelingen maken zich allerlei voorstellingen over wat deze gesloten man met moederloze probleemkinderen over zichzelf te vertellen zou kunnen hebben.

    In zijn eenkennigheid heeft Victor Hoppe nooit goed en kwaad leren nuanceren. Hij ziet de strenge en genadeloze oudtestamentische God als de bron van alle kwaad en identificeert zich meer en meer met Jezus, die om zijn overtuiging een groot offer moet brengen. In de aanloop daartoe blijkt hij bereid eerst zware offers van anderen te vragen. Op het einde van het boek breekt zijn waanzin open als een overrijpe vrucht, maar zonder dat iemand het weet bereikt hij toch zijn doel: hij kloont zichzelf. Met een perfide ambitie heeft Victor Hoppe zich in zijn scheppingsdrang en in zijn obsessie om blindelings het kwaad te bestrijden met God zelf gemeten.

    In een knap uitgekiende structuur bouwt Stefan Brijs een boeiende roman over een eigentijds, controversieel thema uit tot een huiveringwekkende vertelling, zo geleidelijk dat de geloofwaardigheid nooit in het gedrang komt. In de beklijvende finale, waarin het drielandenpunt met de kruisweg dramatisch en symbolisch een bijzondere allure krijgt, vertoont De engelenmaker affiniteiten met de gothic novel, die graag de duistere krochten van de menselijke persoonlijkheid verkent en ook de gruwel niet schuwt. Daar blijkt dat achter het masker van een innemende huisarts een krankzinnige dokter met een infame obsessie schuil kan gaan.

    In een bescheiden maar boeiende stijl en met een opvallende zorg voor het arrangement van treffende verhaalelementen sleept Brijs de lezer vanaf de eerste bladzijde mee. Via zijwegen door het verleden van het hoofdpersonage en langs verrassende wendingen in het sterke plot loodst hij hem naar de plek waar alle personages samenkomen en alle verhaalelementen vakkundig bijeengeknoopt worden.

    Laudatio voor De engelenmaker door jurylid Jos Borré
    Een arts en wetenschapper die kost wat kost zichzelf wil klonen, is die alleen maar ambitieus of ook goed gek? Als hij bovendien autist is, gaat hij, in zichzelf opgesloten, monomaan op zijn doel af, niet gehinderd door een moreel besef, door inlevingsvermogen of door redelijkheid. En toch maakt Stefan Brijs in De engelenmaker van zijn hoofdpersonage dokter Victor Hoppe een dieptragische figuur. In zijn jeugd verstoten om zijn lelijkheid, gedumpt in een gesticht, verstoken gehouden van enige koestering. Vanuit die afzondering, met die handicaps, maar ook met een onstuitbare gedrevenheid, werkt hij zich op tot hij in zijn scheppingsdrang niemand minder dan God zelf wil overtreffen. Haast onopgemerkt groeit de doem in dit boek, en niemand is voorbereid op de gruwelijke realiteit die er aankomt. (Ook de lezer niet, maar u bent nu gewaarschuwd.)

    Om zijn missie en zijn roeping af te ronden kruisigt Victor Hoppe zichzelf in de finale als een reïncarnatie van Christus. Voor alle getuigen lijkt het erop dat hij daar een laatste smadelijke nederlaag lijdt. Maar een grimmige auteur geeft de lezer nog zijdelings mee dat Hoppe wel degelijk zijn slag thuis heeft gehaald. Daar blijkt dat alle onderdelen, alle details in dit verhaal perfect passen in het uitgebalanceerde geheel.

    Er gaat bijzonder veel effect uit van dit boek. Het stoot je af en trekt je weer aan, het fascineert je en doet je huiveren, het confronteert je schokkend met een heel vreemde persoonlijkheid en het roept tegelijk intens mededogen voor hem op. De engelenmaker is gebouwd op een beklijvende plot en Stefan Brijs gaf die heel overtuigend een ferme psychologische en morele diepgang mee.

  • Joris Note - Hoe ik mijn horloge stuksloeg

    Rapport Joris Note:
    Hoe ik mijn horloge stuksloeg is het verhaal van een ontmoeting tussen twee buitenstaanders: een ex-leraar van middelbare leeftijd die in een crisis verkeert en op zoek is naar rust in een kloosterpaviljoen, en een kloosterzuster die bijna zijn tijdgenote is. Boris is ongelovig maar verloochent zijn christelijke verleden niet, al verfoeit hij het loodzware juk van blinde gehoorzaamheid en verlammend schuldbewustzijn.

    In één van de mooiste hoofdstukken in het boek tekent Boris zichzelf als een door scrupules verminkte jongeman. Wat daar tot een neurotische en dwangmatige tic is verworden, is elders de koppige wil tot kritisch blijven denken, tegen de ideologische en economische ‘mind-forged manacles’ (W. Blake) van deze tijd in. Boris, slechts één letter verschil met Joris, verloochent evenmin de marxistisch geïnspireerde kritiek van weleer. Zijn analytisch en polemisch spervuur richt hij op de taal van de media waaraan niemand ontsnapt. Sjabloon en cliché zijn de verstarde vormen van een ‘schaamteloze allestaal’ waarmee Joris Note in een onophoudelijk gevecht is gewikkeld. Hij wil het eigene en het concrete in vruchtbaar verzet laten aansluiten bij de taal van de gemeenschap, want ‘de kwestie van collectiviteit is een kwestie van begrijpelijkheid’.

    Uiteindelijk is elke taal ‘rondom je’ verkeerd, omdat ze ‘vervlot en versimpelt, verbloemt en afrondt’. Pas door een vrijgemaakte taal kan hij zichzelf zijn in een gemeenschap. Deze strijd kent geen afloop, schuift op naar de grens van wat nog net in proza kan gezegd worden.

    Misschien is het geen toeval dat Joris Note uitgebreid stilstaat bij het leven en het werk van een schilder: de Franse anarchist Gustave Courbet, de provinciaal die ‘in Parijs (…) zijn rug had gekeerd naar Parijs’. Boris slaat per ongeluk een oud horloge stuk. De kleine gebeurtenis drukt het onbewuste verlangen uit om uit de tijd te stappen, weg van ‘de furor waarmee het wezenlijke zich uit de voeten maakt’, weg uit de mallemolen die ons tot slaven maakt en die ons van ons zelf vervreemdt. Maar het stukslaan van het horloge gebeurde per ongeluk. Het verzet is niet alleen een kwestie van willen. Het heeft te maken met een geduldige wijze van kijken, luisteren en lezen die dreigt verloren te gaan.

    Deze confronterende roman van Joris Note is een furieus en serieus boek van belang: fragmentarisch en samenhangend, verhalend, polemisch en prikkelend.

    Laudatio voor Hoe ik mijn horloge stuksloeg door jurylid Johan De Haes
    Is dit wel een roman, zoals het voorplat vermeldt? Wordt hier een verhaal verteld, met een begin en een einde en liefst nog wat om op te kauwen onderweg? Toegegeven: het verhaal van een man op de dool in zijn tijd en in zijn leven is vrij dun. Maar om de rechtlijnige afwikkeling van een vertelling was het Joris Note niet te doen. In Hoe ik mijn horloge stuksloeg worden verhalen voortdurend afgebroken en hernomen, verandert de toonaard constant, spiegelt de actualiteit zich in de geschiedenis, en wordt de herinnering aangescherpt tot polemiek, om zich in een essayistische bedding te verruimen.

    Joris Note beoefent de kunst van het fragmentarische, niet als een vrijblijvende gril maar omdat hij naar iets van levensbelang op zoek is: een taal die helemaal van hemzelf is – authentiek, om een gevaarlijk woord te gebruiken – én die tegelijk de gemeenschap toebehoort. Dit gevecht om de taal, om wat hij heel lichamelijk ‘de verlijfelijking van woorden’ noemt, is een gevecht om vrij te kunnen leven. Joris Note speelt hoog spel en stelt hoge eisen aan zichzelf en aan zijn lezers. Hij paait of vleit ons niet, en haalt scherp uit naar al wat ons blind maakt: slordigheid, gemakzucht, clichés, stemmingmakerij. Het is een gevecht zonder einde en soms stuit hij op de grens van wat nog in proza kan gezegd worden.

    Maar nooit is Note zelfgenoegzaam of duister. Hoe ik mijn horloge stuksloeg is geen alledaags boek. Het kan een lezer bepaald onrustig maken. Het leest niet vlot weg. Gesponsorde literaire prijzen wordt soms middelmatigheid verweten. Maar wat is er mooier dan een tegendraads en belangrijk boek dat door een nominatie of prijs opgevist wordt uit een bijna onoverzichtelijk aanbod. Hoe ik mijn horloge stuksloeg van Joris Note verdient ook daarom deze onderscheiding.

  • Frits van Oostrom - Stemmen op schrift

    Rapport Frits van Oostrom:
    Een ‘exercitie in het niemandsland tussen essay en encyclopedie’ noemt Van Oostrom zelf zijn studie Stemmen op schrift. En waar wij, vanuit literair oogpunt, vooral benieuwd zijn naar de essay-kant van zijn werkstuk is het toch die samensmelting van beide genres die dit boek ver doet uitsteken boven al het andere dat wij dit jaar aan creatieve non-fictie onder ogen kregen. Doorwrochte belezenheid gaat hier gepaard met flonkerende stijl, academische precisie met aanschouwelijkheid.

    Van Oostroms onderwerp is de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. De meeste lezers zal daarvan weinig meer bijstaan dan ‘Karel en de Elegast’ en ‘Vanden vos Reynaerde’, maar Van Oostrom brengt die hele dageraad van onze letteren tot nieuw leven, van de kleinste glossen in het begin tot de volledige kunstwerken aan het eind. Het is werkelijk wonderbaarlijk hoe hij daarbij het wetenschappelijk onderzoek naar zaken als oorsprong, vindplaats, traditie en functionaliteit van al die teksten en tekstjes in kaart brengt zonder een brave en dorre archivaris te worden. Integendeel, er gaat een spannende ontdekkingsreis langs oude en nieuwe inzichten in dit boek schuil, iets dat je alleen maar kunt verklaren vanuit de liefde van de schrijver voor zijn onderwerp, zijn imponerende kennis van zaken en vooral zijn meeslepende wijze van beschrijven.

    Hij laat zien hoe literaire gebeurtenissen zijn ingebed in hun tijd maar weet ook, zonder populistisch of anachronistisch te worden, duidelijk te maken dat Henric van Veldeke op een soort Poetry International van zijn tijd optrad en dat het verhaal van Walewein een soort mengsel van James Bond, Monthy Python en Rambo moet zijn geweest. ‘Wat een vreemde wereld – en wat lijken ze op ons’ is het treffende motto van Stemmen op schrift.

    Van Oostroms prachtige taalgebruik, zijn inlevingsvermogen en zijn humor maken van dit academische werk een tegelijk panoramisch en gedetailleerd leerboek, waar je voor je plezier in ronddoolt. Voor de niet gespecialiseerde lezer bij wie de middelbare schoolkennis wat is weggezakt, wordt er in één klap een prachtig, kleurrijk gebied aan onze letterkunde toegevoegd, een gebied waar je na het vroegste op schrift gestelde gestamel al gauw onze eerste romans ziet ontstaan en waar de mooiste liefdespoëzie opbloeit. Vanuit postmodernistisch standpunt lijkt soms de literatuurgeschiedenis te verbrokkeld om nog een synthese te verdragen, maar Van Oostrom demonstreert overtuigend dat het grote verband niet heeft afgedaan. Dit voorbeeldige boek is ouderwetse en moderne historieschrijving ineen.

    Laudatio voor Stemmen op schrift door juryvoorzitter HKH Prinses Laurentien der Nederlanden
    In Stemmen op Schrift wordt de lezer door Van Oostrom opgetild en op ontdekkingsreis meegenomen langs de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300.
    Als ‘exercitie in het niemandsland tussen essay en encyclopedie’, zoals Van Oostrom het zelf beschrijft, is dit een boek dat appelleert aan onze beide hersenhelften. Het is de versmelting van beide genres die dit boek doet uitsteken ver boven alle creatieve non-fictiewerken die wij dit jaar onder ogen kregen. Het is een unieke inspanning om een zo doorwrocht academisch werk meesterlijk literair te verpakken.

    Voor Van Oostrom is dit boek een ‘liefdesverklaring aan een object én aan een vak’. En wat voor een liefdesverklaring. Eén die niet alleen veel respect afdwingt, maar ook een verrijking is voor iedere lezer, ja voor onze hele literatuurgeschiedenis. Het is uitzonderlijk hoe van Oostrom het wetenschappelijk onderzoek naar zaken als oorsprong, vindplaats, traditie en functionaliteit van alle teksten in kaart brengt zonder een dorre archivaris te worden. Integendeel. Hij laat op sprankelende wijze zien hoe literaire gebeurtenissen zijn ingebed in hun tijd én geografie. Zijn imponerende kennis van zaken en academische precisie gaan hand in hand met.prachtig taalgebruik, stijl en verteldrift en aanstekelijke humor. De ontdekkingsreis blijft boeien door de afwisseling tussen vogelvlucht en detaillistisch perspectief.

    Ook de inzichten van Van Oostrom vond ik bijzonder inspirerend. Zo zegt hij: ‘Het verleden is niet iets om in een boek na te slaan, maar om met zich mee te dragen in hoofd en hart. Heden en verleden liggen rechtstreeks in elkaars verlengde, waardoor zelfs verre historie als nabij aanvoelt. Het levend houden van de geschiedenis is voor de stam zowel een kwestie van eerbied als lijfsbehoud.’

    Hoofd en hart worden door dit magistrale boek aangesproken, en ik hoop dat allen geïnspireerd zullen worden door deze ontdekkingsreis, waardoor het verleden inderdaad als nabij aanvoelt.

  • Dimitri Verhulst - De helaasheid der dingen

    Rapport Dimitri Verhulst:
    Aanvankelijk lijkt De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst op een roman van de hilarische soort zoals die de laatste jaren wel vaker in Vlaanderen is verschenen. Nadat hun liefdesverhoudingen zijn mislukt keren de vader van de ongeveer dertienjarige verteller Dimitri Verhulst en drie van zijn ‘nonkels’ terug naar hun moeder en slijten hun dagen voornamelijk met stevig doorzuipen onder het motto `God schiep de dag en wij sleepten ons erdoorheen’. De meeste van de twaalf als zelfstandige verhalen te lezen hoofdstukken bezingen de vaak lachwekkende avonturen van deze asociale, fantasierijke zatlappen in het bij Aalst gelegen dorpje Reetveerdegem.

    Verhulst onderscheidt zich in positieve zin van soortgelijke romans. Allereerst door zijn stijl, die naast beeldend vaak heel puntig is, en door zijn onstuimige vertelkracht. Maar daarnaast omdat hij meer wil dan een door mededogen getemperde absurdistische beschrijving van een armoedige, in dit geval zelfs smerige en toch liefdevolle dronkemansjeugd. De helaasheid der dingen gaat ook over het falen van vaders en over de kwetsende, woedend makende zelfgenoegzaamheid van de geslaagde maar saaie burgers. De naar zelfmoord neigende vader van de verteller wordt steeds aandoenlijker en tragischer in zijn stuntelige en vergeefse pogingen om van de drank af te komen. Zijn wil om toch een normale vader te zijn die bij sportwedstrijden langs de kant van het veld zijn zoon aanmoedigt, wordt hem fataal. Ook de zoon blijkt op het eind van het boek als ouder een fiasco, zij het van een andere orde. In tegenstelling tot zijn eigen vader houdt hij niet van het kind dat hij heeft verwekt. Hij doet zijn best de jongen als weekendvader goed op te voeden, ‘ik wil zijn atlas zijn’, maar daar blijft het bij en zijn zoon voelt dat maar al te goed.

    Aan het einde van het boek blijkt dat de jonge Dimitri er met behulp van zijn grootmoeder in is geslaagd aan dit uitzichtloze leven te ontsnappen. Dankzij haar ingrijpen wordt hij uit huis geplaatst en dat is zijn redding, daardoor krijgt hij een opvoeding, een opleiding en de kans op wat geluk. Zodra hij als volwassene met zijn niet-gewenste vijfjarige zoon Joeri de kroeg bezoekt waar zijn ooms domicilie houden, schaamt hij zich uiteraard voor dit geluk: het is het geluk van de tegenpartij, van de mensen die hem weliswaar een reddingsboei hebben toegeworpen, maar die de rest van zijn familie verachten: ‘De Verhulsten zuipen. De Verhulsten vechten en bekruipen de ploerten van de gemeente. De Verhulsten profiteren en parasiteren.’

    Het is geluk dat je ten deel valt als je – al heb je geen keus – overstapt naar de vijand. En zoals Dimitri Verhulst in deze door ingehouden woede beheerste roman overtuigend laat voelen, dan verlies je je thuis.

    Laudatio voor De helaasheid der dingen door jurylid Wim Sanders
    De genomineerde die ik met veel plezier de lof mag toezwaaien is Dimitri Verhulst voor zijn prachtige boek De helaasheid der dingen. In eerste instantie lijkt De helaasheid der dingen een hilarische roman over de vader en ‘nonkels’ van de dertienjarige verteller Dimitri Verhulst. Zij slijten hun dagen voornamelijk met stevig doorzuipen onder het motto `God schiep de dag en wij sleepten ons erdoorheen’. De meeste van de twaalf hoofdstukken bezingen de soms onbedaarlijk op de lachspieren werkende avonturen van deze asociale, maar fantasierijke dronkaards uit het dorpje Reetveerdegem. Avonturen die mij als voormalig drinker een bijna schrijnend gevoel van heimwee bezorgden.

    Maar De helaasheid der dingen is meer dan de beschrijving van een armoedige en toch liefdevolle dronkemansjeugd. De roman gaat ook over het falen van vaders en over de kwetsende zelfgenoegzaamheid van degelijke burgers. De vader van de verteller wordt steeds tragischer in zijn aandoenlijke en vergeefse pogingen om van de drank af te komen. Zijn streven om een normale vader te zijn, wordt hem fataal. Ook de verteller is als ouder een fiasco. Hij houdt niet van het kind dat hij heeft verwekt en zijn zoon weet dat intuïtief maar al te goed.

    Aan het einde van het door beheerste woede aangejaagde boek is de jonge Dimitri er dankzij zijn grootmoeder in geslaagd aan dit uitzichtloze zatlappenbestaan te ontsnappen waardoor hij een kans heeft op wat geluk. Zodra hij later als volwassene met zijn zoon de kroeg van zijn ooms bezoekt, schaamt hij zich voor dit geluk: het is het geluk van de tegenpartij, van de mensen die hem weliswaar een reddingsboei toewierpen, maar die de rest van zijn familie verachten.

    Met De helaasheid der dingen heeft Dimitri Verhulst een meeslepende roman geschreven over hoe moeilijk het is om afscheid te nemen van een bijzondere, maar destructieve omgeving. Een boek dat mij volledig in de ban kreeg door zijn beeldend taalgebruik, onstuimige vertelkracht en robuuste humor.

  • Christiaan Weijts - Art. 285b

    Rapport Christiaan Weijts:
    ART. 285b is onmiskenbaar het meest ambitieuze Nederlandse romandebuut van de 21ste eeuw. Sterker: het is de eerste Nederlandse roman waarin een geslaagde poging wordt ondernomen die eenentwintigste eeuw, ingezet op 11 september 2001 gevolgd door de moord op Pim Fortuyn nog geen jaar later, te doorgronden. Beide gebeurtenissen drukken hun stempel op dit post 9/11-epos, waarvoor het begrip 'straatrumoer' tekort schiet. Er barst een maatschappelijke tsunami in los.

    Als typerend voor de nieuwe tijdgeest kiest de begenadigde stilist Christiaan Weijts het recent ingevoerde wetsartikel 285b tegen belaging ofwel stalking. Zijn hoofdpersoon, de al even begenadigde pianist Sebastiaan Steijn, wordt ervan verdacht een stalker te zijn. Maar is hij dat ook? Misschien is deze 24-jarige romanticus gewoon de weg kwijt in een tijd waarin sprake is van een ‘Umwertung aller Werte’. ‘Wat je ook van het derde millennium mocht denken, één ding was zeker: het zou het millennium zijn van de vrouw. Vrouwen en meisjes hebben mannen nergens meer voor nodig en voor het eerst worden ze – althans in de beschaafde wereld – ook nog eens bevoordeeld door de wet,’ denkt de hoofdpersoon.

    Sebastiaan kan niet kiezen tussen Victoria, een door de wol geverfd peepshowmeisje op de Amsterdamse wallen met wie hij geen seks mag hebben, en een gewillige pianoleerlinge van 15. Hij verliest beiden, maar probeert hen aan zich te binden door ze te bestoken met poëtische brieven en smachtende voicemail-berichten. Victoria behandelt hem zoals door de eeuwen heen mannen vrouwen hebben behandeld. ‘Zo had ze hem de eerste keer bereden, zo gedroeg ze zich in financieel opzicht, zo stelde ze zich carrièretechnisch op, zo zou ze later zonder enige scrupules een strafrechtelijke vervolging tegen hem doen instellen.’

    De tijden zijn definitief veranderd en niet alleen als gevolg van het feminisme en de gewijzigde sekseverhoudingen, maar ook door de politieke gebeurtenissen. Wat vóór 06-05-02 - de dag dat Pim Fortuyn werd vermoord en Sebastiaan Steijn voor de rechter moet verschijnen - nog onschuldig kon lijken, een woord, een brief, een taart in iemands gezicht, kan in de wereld die daarop volgt worden berecht. Hoe verwarrend die nieuwe wereld is, blijkt uit het rapport dat Sebastiaan van de reclassering moet schrijven en waarvan de veelvormige roman ART. 285b de weerslag vormt. Het is een klassieke raamvertelling waarin de obsessies van een op drift geraakte kunstenaar in een op drift geraakte samenleving breed worden uitgemeten.

    Het resultaat is een flitsend totaaltheater over onze tijd, waarin, zoals de hoofdpersoon met zijn vernieuwende muziek beoogt, alle geluiden zijn vastgelegd in één stuk. Een complex taalkunstwerk dat met zijn intrigerende verwijzingen naar klassieke literatuur, muziekgeschiedenis en maatschappelijke gebeurtenissen, een rijke bron vormt om uit te putten bij het doorgronden van onze tijd.

    Laudatio voor Art.285b door jurylid Rob Schouten
    Weijts/Wijds, wat een naam voor een auteur! wijds, en nog wel een beginnend auteur. Wat komt er allemaal nog op ons af vraag je je af na zo’n debuut. Artikel 285b, een artikel dat u als het goed is niet kende maar dat dankzij dit boek in ons geheugen staat gegrift, gaat over een pianist die zich even makkelijk in de wereld van de klassieke muziek als in die der pornografie beweegt.

    Hoog en laag verenigt hij in zich, en zijn verhaal speelt zich dan ook af tussen de het Concertgebouw en de Wallen. Op zoek naar ouderwetse liefde en Wahlverwandschaft raakt Sebastiaan Steijn verstrikt in de listen en lagen van het leven van deze tijd en ontwikkelt een heilloze liefde voor een meisje dat het ultieme symbool van de hedendaagse generatie lijkt te zijn, vol megasensaties, beltegoed en coole seks. Zo ontspint zich een soort cultuurstrijd tussen ‘adagio con moto’ en ‘vet arelaxt’. Doe het niet kerel, zou je de hoofdpersoon willen toeroepen, kies voor dat andere leuke, beschaafde meisje dat op je zit te wachten, maar hij gaat godzijdank wel het verkeerde pad op, want zo zijn goede schrijvers.

    Toen ik Art. 285b las was ik in eerste instantie bevangen door een hinderlijk gevoel van jaloezie. Scarlatti en peepshows, had de auteur dat niet aan mij moeten overlaten. Maar jaloezie gaat je niet goed af zonder een fikse portie bewondering. Voor een schelmenroman die op feilloze wijze de hedendaagse culturele verwarring in beeld brengt en waarin onder stilistisch vuurwerk niet alleen een sneue eikel in beeld komt maar ook de strijd tussen burgerlijke verlangens en hogere ambities. In Art.285b valt een aanbidder zijn muze zodanig lastig dat ze hem tenslotte bij de politie aangeeft.

    Het valt te hopen dat ook Weijts van nu af aan met zijn boeken stelselmatig opzettelijk inbreuk komt maken op onze persoonlijke levenssfeer.

Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen