Anna Bijns Prijs 2007

Ga direct naar

Details:

De uitreiking van de Anna Bijns Prijs 2007 vond plaats op zondagmiddag 3 februari 2008 in De Balie te Amsterdam. Aan de uitreiking ging het Anna Bijns Debat vooraf.

Uitreikingsrapport:

De jury had het moeilijk. De oogst voor de Anna Bijns Prijs 2007 was misschien niet bijster groot, maar wel heel goéd. De juryleden konden daardoor maar moeilijk kiezen. Ze stuitten op aangename verrassingen. Op auteurs die proberen het doorsneeproza te ontvluchten met vermakelijke ironie. Op auteurs die het huiskamerproza een nieuwe wending geven met absurde omstandigheden. Op auteurs die in een trefzekere stijl cultuur en samenleving becommentariëren, en zo de lezer uitdagen. De juryleden stuitten kortom op auteurs die de lat zo hoog mogelijk leggen en die daar met ogenschijnlijk groot gemak, zonder dat de lat ook maar enige trilling vertoont, overheen springen. Vandaar dat de jury tot een groot aantal genomineerden kwam, maar liefst zeven auteurs zijn in hun ogen weergaloze hoogspringers: Marja Brouwers met Casino, Kristien Hemmerechts met De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze, Margriet de Moor met De verdronkene, Marja Pruis met De vertrouweling, D. Hooijer met Zuidwester meningen, Wanda Reisel met Witte liefde en Maria Stahlie met Galeislaven.

Toen de jury beraadslaagde over wie van deze auteurs de meest indrukwekkende sprong waagde, vlogen opnieuw vragen, meningen en argumenten over tafel. Het kiezen uit zoveel kwaliteit was vooral zo moeilijk omdat ieder van de genomineerden uitblinkt in een eigen genre.

Er lag een geëngageerde roman op tafel van Marja Brouwers, die als een moderne Houellebecq een genadeloos kritisch én ambitieus tijdsbeeld geeft van de jaren vijftig tot heden en daarmee een huiveringwekkend beeld schetst van individuele leegte en wanhoop. Haar personages zijn geen bordkartonnen illustraties bij een debat, maar levende, dubbelzinnige en interessante figuren, in wie we veel van onszelf kunnen herkennen.

Daarnaast was er dat meesterstuk van Kristien Hemmerechts, de roman over de roman, waarin de auteur buitengewoon intelligent én humoristisch de grenzen van het betamelijke blootlegt; wat mag een schrijver van zijn eigen werkelijkheid annexeren? Hemmerechts’ inzet bij het beantwoorden van deze vraag is bijzonder groot, terwijl haar aanpak toegankelijk blijft en haar toon verleidelijk licht. Dat komt vooral door die ongekunstelde, krachtige en ironische zinnen, waarmee de schrijfster blijk geeft van uitzonderlijk schrijfgemak.

Maar dan. Margriet de Moor schreef een historische, plotdriven roman, een tweeluik over de watersnoodramp van 1953, waar bij weten van de jury nog niemand eerder over geschreven heeft en waarin vooral de details zo uitblinken – dat recept voor pannenkoeken, dat door de aan een kluit drijvende hoofdpersoon nooit meer geproefd zou worden. Bijna Dickensiaans toont De Moor haar grote compositorisch vermogen, waarin tegenstellingen tussen personages, plaatsen, tijdperken, tussen sociale klassen en levensstadia met elkaar in verband worden gebracht zonder dat de constructie afbreuk doet aan de dramatische kracht van elke scène afzonderlijk.

Er lag een spannende vriendschapsroman van Marja Pruis, over de eigenzinnige verdwijning van een vriendin. Een boek dat zo soepeltjes en volmaakt geschreven is dat het jaloezie oproept. De vrienden blijken elkaar minder goed te kennen dan ze dachten, in welk sfeervol decor - Engeland, Amsterdam en Den Haag zij zich ook bevinden.

Hoe raspend en rauw waren dan de miniaturen van D.Hooijer, waarin met serieuze ironie de bodem van treurige levens wordt geraakt. Wat een hoogstandje in taal; stamelend, rauw, op het botte af, vol raadselachtige woordspelletjes, direct en kortaf, zo zijn deze verhalen geschreven. Zo, dat hoogst eigenaardige hersenspinsels vanzelfsprekend worden.

Weer anders waren de psychologische, strevende verhalen van Maria Stahlie, die excelleert in kinderlijke vindingrijkheid. Ieder verhaal blinkt uit in speelsheid. Door de humoristische herhalingen, die een mythische cadans verlenen en het vertelde monterheid verschaffen. Door de frisse, wat bevreemdende observaties. Door het dartele spel met metaforen, die de auteur graag letterlijk neemt. En door de onverwachte wending die zij aan haar verhalen weet te geven.

De jury:
Fleur Speet (voorzitter)
Hans Maarten van den Brink
Marjolijn Februari
Kees ’t Hart
Arie Storm

Winnaar

  • Wanda Reisel - Witte liefde

    Rapport winnaar
    En toch. Toch moest er één winnaar aangewezen worden. De blik van de jury viel op een perfecte ansichtkaart, ondertekend door Ro Weller. Aan de ene kant een foto van een jonge, aantrekkelijke vrouw wier sjaal wappert in de wind terwijl zij zich in een auto bevindt die door een gelukkig uitziende, gebronsde man bestuurd wordt. Alles op de foto straalt warmte uit; de palmen, de zon, maar vooral de twee mensen, die een stiekeme verbintenis lijken te hebben. De fotograaf legde slechts een fractie van het verlangen vast, en dat maakt nieuwsgierig. Aan de andere kant in dikke lijnen van een sterk handschrift: ‘Wat een toestand in Marokko’. Het was deze cynisch-nuchtere constatering van Ro Weller die de jury overtuigde, dit wijze, mijmaak- je-niets commentaar op een zinderende, prille liefde.

    Aan Witte liefde, waarin Ro schittert als de jonge, aantrekkelijke vrouw van de foto, is zo ontzettend veel - om niet te zeggen álles – goed. Het vertelperspectief is gedurfd: we kijken door de ogen van een dode. Sterk contrasteert daarmee de montere en nuchtere verteltrant van deze dode, die verhaalt over een buitenechtelijke liefdesaffaire waar ze als hoofdrolspeelster bij betrokken was in de jaren vijftig op Curaçao. De rauwe stem van de dode Ro maakt de stem van de dertiger des te naïever en aandoenlijker. Sterk in contrast daarmee staat de stem van Bob, de minnaar, die afstandelijker, maar tegelijk minstens zo hevig in zijn verlangen verstrikt raakt. Witte liefde gaat daarmee over overspel, maar ook over echte liefde, intense verliefdheid, over trouw en over de onmogelijkheid van het huwelijk. Het is geen conventioneel liefdesverhaal, allesbehalve. Het laat de complexiteit van verlangen zien, het trillen en rillen dat daarbij hoort. Witte liefde is een psychologische liefdesroman met surrealistische trekjes, die de verliefdheid versterken. Zoals de dromerige tocht door de Curaçaose onderwereld een letterlijk tasten in het duister is voor de personages. Vakkundig versterkt Reisel de tegenstellingen.

    Zo blinkt ze uit in het oproepen van het grijze Nederland, nadat ze het leven op het zonnige Curaçao beeldend en bijna paradijselijk heeft neergezet.
    Witte liefde is niet alleen een aantrekkelijk zintuiglijk boek, maar ook nog eens een roman die voortreffelijk verzorgd is in zijn stijl. De woordkeus is precies, puur en prachtig. In alles is Witte liefde van Wanda Reisel een winnaar.

    Rapport nominatie
    Er is veel, heel veel - om niet te zeggen álles - goed aan deze roman van Wanda Reisel. Het vertelperspectief is gedurfd: we kijken door de ogen van een dode. Sterk contrasteert daarmee de montere en nuchtere verteltrant van deze dode, die verhaalt over een buitenechtelijke liefdesaffaire waar ze als hoofdrolspeelster bij betrokken was in de jaren vijftig op Curaçao. Witte liefde gaat daarmee over overspel, maar ook over echte liefde, over trouw en over de onmogelijkheid van het huwelijk. Reisel blinkt uit in het oproepen van het grijze Nederland, nadat ze het leven op het zonnige Curaçao beeldend heeft neergezet. Witte liefde is vooral een uiterst zintuiglijk boek.


    De juryleden kozen ieder een favoriet fragment uit deze roman. Tezamen vormen deze stukken het complete juryrapport.

    De keuze van Hansmaarten van de Brink
    ‘Ik neem wel waar, als je dat zo kunt zeggen, maar het kan zijn dat mijn blik onbetrouwbaar met mijn verbeelding verkeert, dat die de twee de boel een beetje aan het bedonderen zijn’... ’Het voelt dof, alsof ze me een duikpak hebben aangetrokken’... ‘Ze schuiven je als een malse reerug de koeling in, maar dat is toch minder koud dan verwacht. Wel donker, dat zie je zo, wat dat betreft ben ik net zo goed niet dood’... ‘Wat een gedachten après-ski, zal ik maar zeggen, komt zeker door die filosofentemperatuur hier’...

    De verleiding is groot om meer van die losse zinnetjes te citeren uit de monoloog van de overleden hoofdpersoon waarmee Witte liefde begint, en overigens ook eindigt. Het lijkt spreektaal, maar dat is het natuurlijk niet. Daarvoor zijn de waarnemingen en overdenkingen te precies. De overgangen wekken de indruk van willekeurigheid, maar er is altijd een verband. Er wordt schijnbaar nonchalant over grote gevoelens van weleer gesproken, terwijl de altijd op de loer liggende nostalgie effectief wordt bedwongen door nieuwsgierigheid naar de nieuwe toestand, die van het rouwcentrum met zijn banale rituelen en die van de dode met haar zintuigen die niet meer als vroeger functioneren.

    Dat perspectief van de opgebaarde is mooi gekozen; heden en verleden komen in het uur van de dood immers samen. Maar het is eerder gedaan en het had gemakkelijk pathetisch of melodramatisch kunnen worden. De schrijfster voorkomt dat door haar perfect gekozen en volgehouden toonhoogte, door relativeringen als het verlangen naar een sigaret en door die stijl waarin thema’s en motieven niet als een massieve streng ineen worden gevlochten maar als schakels in elkaar haken, in een geraffineerd ritme, verbonden door komma’s en er ook door gescheiden, waardoor ze afzonderlijk fonkelen en toch elkaar versterken, juist dankzij de ruimte die er tussen en om hen heen ontstaat, zoals bij de colliers van twee en drie rijen om de halzen en in de decolletés van de verveelde en wellustige tropenvrouwen tijdens een ontvangst op het paleis van de gouverneur van Curaçao in de jaren vijftig toen het leven van Ro Weller nog bezig was te beginnen.

    In de dood spiegelen zich de omstandigheden van destijds, in de koelcel de hitte van de Caraïben, in de lust de eeuwigheid. Maar noch het sterven, noch de liefde wordt als verpletterend tragisch beschreven. Ze zijn eerder wonderlijk, verwarrend, vermakelijk. Ze relativeren elkaar.

    Zo licht te schrijven over zulke zwarigheden, dat is knap, vooral wanneer de schittering van de oppervlakte niet ten koste van de diepgang gaat. De lichtheid zorgt voor helderheid. Gecompliceerde zaken lijken eenvoudig, althans voor zolang de formulering duurt en meer mag je van een roman niet verwachten. ‘Wof. Daar zal je de eerste schep zand hebben.’ Dit vakmanschap is kunst. Als er niet ook zoveel te glimlachen viel bij Witte Liefde was mijn bewondering voor Wanda Reisel allang omgeslagen in blinde jaloezie.

    De keuze van Marjolijn Februari
    'Hij staat op van het plankier, mijn kant zakt wat naar beneden, hij loopt een eindje weg, steekt zijn hand op en zwaait nog als hij van me af loopt. Bij de lichtblauwe Chrysler draait hij zich naar me om en lacht. Als hij wegrijdt, maakt de motor een lekker licht, ronkend geluid. Van de pomp, een meter of tien naast de ijskiosk, komt de geur van verse benzine gedreven, ik hoor het belletje en het zoemen van de meter.' (Witte liefde, blz. 89)

    Deze tropenroman van Wanda Reisel is een sensueel boek. En sensueel dan opgevat als ‘zintuiglijk’. Dat komt allemaal door het eiland waarop het verhaal zich afspeelt, Curaçao, en het komt door de manier waarop Reisel dat eiland op papier heeft gekregen, met zijn kodakkleuren, zijn houten veranda’s en jarenvijftig jurken, het getinkel van ijsblokjes in de cocktails en de zwoele muziek die vanuit de verte door de avond op je toezweeft. Curaçao op zijn best.

    Tegelijk is Witte liefde een geserreerd boek. Geserreerd en beheerst. De vorm springt nergens uit de band, het verhaal wordt door de schrijver met vaste hand naar een bestemming geleid, en die bestemming is de vrieskist waarin de hoofdpersoon na haar dood ligt opgeslagen. Geen rare sprongen in deze roman, geen schokkende taferelen, geen grote commentaren of de gooi naar een alomvattend wereldbeeld. Gewoon een vrij onopmerkelijk levensverhaal dat met verve wordt verteld. Het resultaat is wat de Engelsen een ‘gem’ noemen, een gelukkig geslaagd werk binnen de duidelijke lijnen van het genre. De zintuiglijkheid van het proza krijgt je al gauw in de greep; ik herlas het boek in het buitenland en zodra ik opkeek was ik steeds weer verrast en teleurgesteld niet op Curaçao te zijn. Het duurde iedere keer een paar seconden voordat de koenoekoe was verdwenen, de kabrieten die in het licht van de ondergaande zon onder een struik liggen te suffen, de raffinaderij, de dansfeesten bij de gouverneur. En iedere keer was dat een teleurstelling omdat ik net zo hartstochtelijk als de hoofdpersonen begon te verlangen naar vervulling. ‘Toe nou’, riep ik een paar keer hardop. Schiet nou eens op, word nou eens gelukkig.

    Maar gelukkig worden is helemaal niet zo simpel. Op Curaçao net zo min als elders. Misschien is het op een eiland - waar iedereen naar je kijkt en de sociale hiërarchie meedogenloos is - zelfs moeilijker dan elders. Bovendien hangt boven het Curaçao van de jaren vijftig de schaduw van het einde. De lezer weet dat het niet zo kan blijven, misschien is de geschiedenis even in een stiller water terechtgekomen, maar dat gaat veranderen.
    Geluk. Het ligt voor het grijpen en toch ontschiet het je: dat maakt de liefde moeilijk en mooi. De liefde van een moeder voor haar gezin, van een dochter voor haar moeder, van een vrouw voor de geliefde die ze nauwelijks kent. Aan al die liefdes mankeert wel wat, ze zijn geen van alle perfect, maar ondanks de schade die het teveel en het tekort aan emoties aanricht, overleeft de liefde uiteindelijk zelfs de vrieskist. Witte liefde is een heel mooi boek.

    De keuze van Kees ‘t Hart
    ‘Op officiële recepties van de gouverneur luister ik naar iemand. Dan merk ik ineens dat ik alleen nog maar het gelijkmatige roezemoezen in de ruimte hoor, de sprekersstem is veranderd in een klank, een motorboot, een wiekslag. Mijn voeten raken los van de grond, mijn hoofd zweeft enkele millimeters boven mijn nek en kantelt langzaam als een poppenhoofd naar alle kanten, wat niemand merkt. Het is een aangenaam gevoel, niets betekent meer iets, niets hoeft. Het is wegglijden in de beslotenheid van mijn eigen gedachten. Mij is wel eens gezegd dat ik op zo’n moment bijna devoot kijk, misschien moet je het bête noemen. Maar als ik zo ben, niks versta van wat ze zeggen, dan ben ik eigenlijk tevreden, dan weet ik dat er nog een wereld bestaat buiten die pratende monden, die patio, die receptie waar ik elegant hangend aan Rudi’s arm de mensen begroet en iedereen iedereens avondjurken met de exact bijpassende juwelen, tasjes en schoenen bewondert.’ (Witte liefde, blz. 44)

    Hoe laat je lezers een verhaal voelen? Je kunt je daar natuurlijk helemaal niet druk over maken en je alleen rechtstreeks en zonder omhaal bezig houden met de ontwikkeling van je verhaal. Er was eens een vrouw die verliefd werd op een man. En het liep niet goed af. Zo’n verhaal dus. En er voor de zekerheid af en toe bij melden dat het een verdrietig verhaal of sentimenteel verhaal is, of verschrikkelijk of wie weet toch ook romantisch. Dan loop je niet het risico dat je verkeerd begrepen wordt, je volgt de oude wetten van het ongelukkige liefdesverhaal en daarmee uit. Duizenden van die verhalen zijn allang geschreven en als we niet uitkijken vervelen we ons. Wanda Reisel laat alleen al met dit fragment zien dat ze met haar boek veel hogere ogen wilde gooien.

    Luister eerst naar de dwingende klank en ritmiek van deze zinnen. Lees ze hardop voor en merk dat ze deinen en klinken, dat ze af- en aangolven met een zorgvuldig opgebouwde afwisseling in lengte en ritmiek. Zie ook dat deze schrijfster wars is van mooischrijverij, ze wil geen literaire krachtpatserij, ze zoekt het in concrete beelden, in ‘gewone’ taal die juist daardoor aan haar verhaal een realistische laag geven. Ze wil niet aan komen zetten met opgelegde sentimentaliteit maar de zinnen in hun deining, klank en woordkeus een gewone vrouw laten representeren. Niet ‘de’ vrouw dus, maar ‘deze’ vrouw. Reisel wantrouwt literaire hoogstandjes omdat ze daarmee niet direct en concreet genoeg bij de lezer kan oproepen wat ze met haar kunst wil: verlangen en begeerte dat verlangen te vervullen. Want dat is het richtinggevende uitgangspunt van deze roman, dat wil ze oproepen.

    Merk vervolgens dat ze haar heldin in dit kleine fragment op drie verschillende manieren naar de wereld laat kijken. Eerst concreet en koel, ze zet in met een mededeling over haar receptiegedrag, dan al snel overgaand op dromerigheid die afgewisseld wordt door een vlaag van zelfreflectie (is ze devoot of bête?) en tenslotte eindigend met een enigszins ironische kijk op wat er op deze Curaçaose wereld te zien en te beleven valt aan mensen en hun ambities. Deze zinnen zijn niet voor niets zo geschreven: ze weerspiegelen het karakter van de heldin. Reisel beschrijft haar uiterlijk in Witte liefde nauwelijks, maar in deze scène, er zijn er veel meer, probeert ze haar met succes te vangen, innerlijk te vangen. Aan lezers te laten voelen hoe ze is: concreet en aards, dromerig en verlangend, maar toch ook altijd afstand tot de wereld bewarend. Ze staat midden in de wereld maar wil er ook aan ontsnappen, ze is realistisch en droomster, werelds en onwerelds. Ze wil zich bevrijden van de conventies van de wereld ( hier via de droom) en tegelijkertijd blijft ze eraan verbonden met een sterk gevoel van zelfreflectie. Ze blijft zichzelf zien, dat is haar lot, ze blijft ook steeds de anderen zien, daaraan weet ze niet te ontsnappen. Ze kijkt en weet dat ze zelf bekeken wordt, in het hele boek klinkt dat door.

    ‘Mijn voeten raken los van de grond, mijn hoofd zweeft enkele millimeters boven mijn nek en kantelt langzaam als een poppenhoofd naar alle kanten, wat niemand merkt.’ Hier is in de metaforiek van het zweven en het gekantelde poppenhoofd het komende verhaal van een verscheurende liefde al aangekondigd. Niet sentimenteel of banaal, maar in het schitterende beeld van het gekantelde poppenhoofd. We zijn nog maar op bladzijde 45 van de roman, maar het thema ervan, het verlangen te ontsnappen zindert er al dwars doorheen. Het is tastbaar geworden, ze zegt het niet, maar het is er, je voelt het in deze kleine scène van een feest op Curaçao. Schrijven is bij Wanda Reisel geen kwestie van be-schrijven maar van laten voelen waar het om gaat. Schrijven is bij haar een grote kunst.

    De keuze van Fleur Speet
    ‘Ro is elegant, sportief, onweerstaanbaar. Ze heeft een vanzelfsprekende gratie die meteen jaloezie oproept, zelfs bij een man als ik. Zoals zij is, zo zou ik willen zijn als ik een vrouw was, de charme waarmee ze een hoofddoekje omknoopt, haar zonnebril afzet. En die constatering is even dodelijk als aantrekkelijk, het zou betekenen dat als je met je ideale zelf, getransformeerd tot vrouw, zou samenvallen, je jezelf zou opheffen, en wie weet, misschien is dat wel de opdracht voor ons, de menselijke soort.’ (Witte liefde, blz. 100)

    Jezelf opheffen door samen te vallen met de vrouw van je dromen, Bob weet maar al te goed dat hij een gevangene is van deze illusie. Ook al wil Bob alleen maar in haar ondergedompeld zijn ‘en nooit meer ademen, alleen omklemmen en omklemd zijn,’ hij kán zichzelf niet opheffen, niet letterlijk en niet figuurlijk. Sterker nog, op het moment dat hij met Ro het eiland zou kunnen verlaten om een nieuw leven te beginnen, besluit hij bij zijn vrouw te blijven. Ro’s voorstel te vertrekken klinkt hem te romantisch in de oren. Aan zijn gevangenschap zit beslist een verslavend element, dat wel. Hij verkiest het een gevangene te zijn, maar realiseert zich tegelijkertijd dat op een dag zijn ketenen losgemaakt worden en hij de poort uit zal lopen. Terug naar huis.

    Bij bovenstaand fragment horen de vele zinnen waarin de jonge Ro onvoorwaardelijk opgaat in haar verliefdheid; ‘Mijn middenrif ligt voortdurend in een zoete kramp, alsof daar een hand met vol gewicht op steunt,‘er liep elektrische stroom naar mijn navel. Als we onder een straatlantaarn zouden staan, konden we hem samen van energie voorzien,’ et cetera, et cetera. Ro’s verlangen kan rampen aanrichten, zij gaat erin onder en heft zichzelf in het verlangen op.

    Wanda Reisel raakt met dit geraffineerd uitgewerkte contrast de kern van de onmogelijke liefde. Het citaat lijkt het scharnierpunt van haar boek en van de emoties die erin vertolkt zijn. De twee manieren waarop te verlangen weet Reisel bijzonder overtuigend te vangen in psychologische spiegelingen en verschillende taal; iedere maalstroom in het hoofd kabbelt op eigen wijze, met een ander, aandoenlijk onmachtig geluid.

    Bob, die stoer-nuchter in afgemeten, rustige zinnen wéét dat zijn verliefdheid onmogelijk in te lossen is, die zich realiseert dat het slechts een glinsterend moment is op de lange tijdsbalk. Ook al vindt hij het voor even het mooiste samen te vallen met zijn ultieme verlangen, die opdracht voor de menselijke soort zal hij nooit kunnen vervullen. En hij legt zich daar – wijselijk - bij neer. Bob is gepokt en gemazeld door de eilandcultuur. Hij kent de vele verhalen over overspel bij de eilandbewoners en is meer deel van hen geworden dan hijzelf bevroedde. Ook al erkent hij aan het einde van Ro’s leven hoe aangedaan hij door haar was, hoezeer hij leefde ‘op dat opiaat van liefde, op het rekkende verlangen,’ het was en bleef een onmogelijkheid.

    Hoe anders is Ro, die opgaat als in een meisjesboek, in veel extatischer zinnen, in taal die zindert en warm is van lichamelijkheid. Zij voelt geen afstand tot haar verliefdheid, zij kijkt niet over het moment heen terwijl ze er deel van uitmaakt. Zij, nieuw op het eiland, voelt zich gekooid in haar huwelijk. Haar gevangenschap is realiteit in plaats van illusie. Van haar wordt verwácht dat ze zichzelf opheft en een wordt met haar echtgenoot. Haar verliefdheid staat gelijk aan vrijheid. Dat dit uiteindelijk toch een zinsbegoocheling is, is een wijsheid die pas met de jaren komt. Wanneer ze aan het eind van haar leven ironisch terugblikt en toch haar ziel nog even opveert.

    De keuze van Arie Storm
    ‘Op officiële recepties van de gouverneur luister ik naar iemand. Dan merk ik ineens dat ik alleen nog maar het gelijkmatige roezemoezen in de ruimte hoor, de sprekersstem is veranderd in een klank, een motorboot , een wiekslag. Mijn voeten raken los van de grond, mijn hoofd zweeft enkele millimeters boven mijn nek en kantelt langzaam als een poppenhoofd naar alle kanten, wat niemand merkt. Het is een aangenaam gevoel, niets betekent meer iets, niets hoeft.’ (Witte liefde, blz. 44 )

    Een fragment doet, hoe welgekozen ook, bijna nooit recht aan een roman. Was dat wel zo geweest, dan had er geen roman te hoeven worden geschreven. Dat geldt zeker voor Witte liefde. In zijn geheel is die roman een prestatie van formaat, uit elkaar gehaald in afzonderlijke delen, lees je weliswaar goed geschreven stukken proza, maar het werkelijk bijzondere ervan dreigt je te ontgaan. Soms is dat een frustratie van de criticus of recensent. Om een indruk te geven van de stijl van een boek wil hij een passage citeren. Maar het lukt niet daarmee werkelijk een goede indruk van de roman in kwestie te geven. In een roman gróéi je namelijk, al lezende. Dat is een van de eigenschappen van het genre.

    Wel moet worden gezegd dat Witte liefde een roman is die van de eerste zin af je meteen bij de kladden heeft. Dat zit ’m in de toon van de eerste verteller (of vertelster: Ro) die aan het woord komt en die slechts af en toe wordt onderbroken door de stem van haar grote, geheime liefde. De toon van Ro is monter. Waardoor de situatie waarin ze terecht blijkt te zijn gekomen des te intrigerender is. Om precies te zijn zit het ’m in de combinatie van die twee: montere toon plus intrigerende situatie. Om met Ro te spreken: ‘Wat een toestand in Marokko.’ Die nuchterheid vind ik terug in het hierboven afgedrukte stukje. De vrouwelijke hoofdpersoon en verteller van Witte liefde is heel goed in staat om naar zichzelf te kijken. Zonder hysterie. Zonder ijdelheid. Objectief. Analyserend.

    En passant wordt iets verderop het vermoeden van een andere wereld aangestipt. Dat kan een wereld zijn, gewoon, buiten de sfeer van borrels en recepties. Maar de lezer van de roman weet beter. We blijven niet aan de oppervlakte van deze receptie. We stappen ook niet eventjes uit die sfeer om een frisse neus te halen. Nee, we worden verplaatst naar iets compleet anders. We zakken diep af in een mysterie. Dit fragment wordt een halve pagina later kenmerkend nuchter afgesloten, onze heldin neemt zich iets voor: ‘[…] me in acht nemen, dat ik door al die cocktails niet aangeschoten raak, in elk geval niet zo dat ze me weg moeten brengen, hoewel ik enorme zin krijg om me te misdragen.’ Te misdragen hoeft onze heldin zich niet: ze wordt door Wanda Reisel met vaste hand toch wel weggebracht naar een andere wereld. Figuurlijk én letterlijk. Eigenlijk zou je om te zien hoe dat in zijn werk gaat de hele roman moeten lezen. Ja, dat is een goed plan. Lees de héle roman Witte liefde.

Genomineerd

  • Marja Brouwers - Casino

    Rapport Marja Brouwers:
    In deze ambitieuze roman geeft Marja Brouwers een indringend beeld van maatschappelijke ontwikkelingen vanaf de jaren vijftig tot heden. Ongelijke machtsverhoudingen, seksuele aantrekkingskracht en onderdrukking, verraad en hypocrisie, met deze ingrediënten schetst de schrijfster een huiveringwekkend beeld van individuele leegte en wanhoop. Haar boek geeft ze extra lading via een vertellende stem die maatschappelijke ontwikkelingen uitvoerig becommentarieert. Brouwers ondergraaft bestaande opinies en zet daar nieuwe en originele ideeën tegenover, altijd in prachtig, eigenzinnig proza. Haar personages zijn nooit bordkartonnen illustraties bij een debat maar levende, dubbelzinnige en interessante figuren, in wie we veel van onszelf kunnen herkennen.

  • Kristien Hemmerechts - De waar gebeurde geschiedenis van Victor en Clara Rooze

    Rapport Kristien Hemmerechts:
    Kristien Hemmerechts begeeft zich met dit boek in het lastige genre van de roman over de roman. Maar het lukte Hemmerechts zeldzaam goed haar ideeën op te nemen in een verhaal dat de aandacht tot het eind toe vasthoudt; uiterst intelligent schrijft ze over literatuur en over de fundamentele vraag of de schrijver eigen liefdes en vriendschappen mag verwerken in een roman. De inzet is bijzonder groot, maar de aanpak bleef toegankelijk en de toon verleidelijk licht. Dat komt vooral door de ongekunstelde, krachtige en ironische zinnen, waarmee de schrijfster blijk geeft van uitzonderlijk schrijfgemak. Kristien Hemmerechts toonde meesterlijke beheersing in dit boek.

  • D. Hooijer - Zuidwester meningen

    Rapport D. Hooijer:
    In deze verhalenbundel raakt D. Hooijer met serieuze ironie de bodem van treurige levens. Meestal nadat er rijkelijk alcohol vloeide. Haar sociaal licht gestoorde personages zitten doorgaans aan de grond, maar ze klagen niet. Dat sociaal contact steeds mislukt is eigenlijk helemaal niet zo erg. Er is al genoeg kracht nodig om half te leven, denkt een van de personages. De kracht van Hooijer zit ‘m erin dat zij hoogst eigenaardige hersenspinsels vanzelfsprekend maakt. Dat doet zij vooral via de taal. Stamelend, rauw en op het botte af, vol raadselachtige woordspelletjes, direct en kortaf, zo schrijft Hooijer. En dat is buitengewoon intrigerend.

  • Margriet de Moor - De verdronkene

    Rapport Margriet de Moor:
    Margriet de Moor vertelt over een familie én natie met als kantelpunt de watersnoodramp van 1953. Zij doet dat met een groot compositorisch vermogen, waarin tegenstellingen tussen personages, plaatsen, tijdperken, tussen sociale klassen en levensstadia met elkaar in verband worden gebracht zonder dat de constructie afbreuk doet aan de dramatische kracht van elke scène afzonderlijk. De verdronkene is daardoor veel meer dan een knap gecomponeerde opeenvolging van meeslepende scènes of een tijdsbeeld. Het is een vertoog over tijd en identiteit, over grenzen tussen vroeger en nu, tussen ik en de ander, dat zijn apotheose vindt in een even betekenisvolle als onbeantwoorde vraag. Margriet de Moor toont met dit boek onmiskenbaar haar meesterschap.

  • Marja Pruis - De vertrouweling

    Rapport Marja Pruis:
    Marja Pruis schreef een sfeervolle roman waarin de verdwijning van een vrouw centraal staat. Sfeervol en verdwijning, dat zijn zaken die botsen, en daarin zit meteen het geraffineerde van dit boek. In deze roman staan twee bevriende gezinnen centraal: een Engels en een Nederlands. Tijdens hun samenzijn verdwijnt plotseling de Engelse moeder. De achterblijvers tasten in het duister: wat is haar motief? Langzamerhand blijken de vrienden elkaar minder goed te kennen dan ze dachten. Sterk maakt de auteur gebruik van het decor - Engeland, Amsterdam en Den Haag - waartegen de observaties op overtuigende wijze worden afgezet. Daarbij blijft deze roman tot het eind toe de spanning vasthouden.

  • Maria Stahlie - Galeislaven

    Rapport Maria Stahlie:
    Hoewel dit boek een bundeling lijkt van eerder gepubliceerd werk,blijkt het een hele nieuwe verhalenbundel te bevatten, die in niets onderdoet voor de reeds veelgeprezen, verfijnde verhalen die we van Stahlie kennen. Maria Stahlie excelleert op de korte baan. Zij duwt haar personages tot de rand van hun kunnen, én hun geweten. Ieder verhaal blinkt uit in speelsheid. Door de humoristische herhalingen, die een mythische cadans verlenen en het vertelde monterheid verschaffen. Door de frisse, wat bevreemdende observaties. Door het dartele spel met metaforen, die Stahlie graag letterlijk neemt. En door de onverwachte wending die zij aan haar verhalen weet te geven. Stahlie verrast met haar vakkundigheid, steeds opnieuw.

Naar de overzichtspagina

Delen