C. Buddingh-prijs 2002

Ga direct naar

Details:

De Jury:
Marijke Groos
Thomas Vaessens
Elly de Waard

Uitreikingsrapport:

De jury van de Buddingh’-prijs heeft de aangename, maar eigenlijk onmogelijke taak zich een gefundeerd oordeel te vormen over de oogst van een jaar jonge poëzie. 21 bundels werden ons dit jaar voorgelegd: een ruim aanbod. De duizelingwekkende diversiteit ervan bevestigt een veelgehoorde wijsheid over de poëzie van vandaag: er zijn geen dominante richtingen meer. Laat duizend bloemen bloeien. In het juryberaad, echter, bleek deze wijsheid voor relativering vatbaar. Uit het feit dat we besloten het maximale aantal van 5 bundels te nomineren, kan opgemaakt worden dat onze voorkeuren niet geheel parallel liepen. Valt er over smaak te twisten; over de specifieke kwaliteiten op grond waarvan Geert Buelens, Marijke Hanegraaf, Fouad Laroui, Erwin Mortier en Dimitri Verhulst hun nominatie ten volle verdienen, was wel overeenstemming.


Het is, Veerstraat, Verbannen woorden, Vergeten licht, Liefde tenzij anders vermeld: de debuten van de vijf genomineerden hebben de jury nieuwsgierig gemaakt naar het vervolg. Je kunt in poëzie voor heel uiteenlopende kwaliteiten vallen: het taalspel van Buelens, de vormbeheersing van Hanegraaf, het grote gebaar van Laroui, of de bravoure van Verhulst. Voor deze gelegenheid besloot de jury zich te laten meeslepen door de trefzekerheid van de formuleringen. Trefzekerheid zoals in deze prachtige regels uit het gedicht ‘Droomgezicht’:

Slaap mij in, jouw buitensporig tijd-
verdrijf. Schep van lichaam lijf geworden
je voldongen feiten ongeordend op.

Kapseis mij, je even oude lading. Splits
schimmen uit mijn ogen. Herschilder wazig
mijn doordacht portret. […]


De Buddingh’-prijs 2002 gaat naar de dichter van Vergeten licht, Erwin Mortier.

Winnaar

  • Erwin Mortier - Vergeten licht

    Voor de lezer die Erwin Mortiers proza kent, begint zijn poëtisch debuut Vergeten licht vertrouwd. De oude kleermaakster uit de roman Marcel voert opnieuw het woord. In de openingscyclus van de bundel herdenkt ze haar op vijftigjarige leeftijd overleden dochter. Een dichter die zijn debuut opent met de woorden van een grootmoeder uit een vorige eeuw, geeft daarmee te kennen dat het verleden zijn proeftuin is. Het huis dat in de uitgebreide tweede cyclus van de bundel centraal staat, is de locatie waarin deze dichter zijn herinneringen bijeen houdt. ‘Het vouwt me zorgzaam op en slaat / zich onbekommerd dicht om mij’, schrijft hij. Het huis geeft het verleden zijn samenhang. Het is niet zozeer een stenen gebouw, maar veeleer een virtuele plek waarin de ik uiteenlopende voorvallen uit zijn verleden in gedachten experimenteel met elkaar in verband brengt. Datzelfde gebeurt in Mortiers gedichten. Het is het laboratorium van de herinnering. Wat de poëzie daarbij vóór heeft op het huis is haar vermogen tot vitalisering: de dichter kan het levenloze levend maken, zodat uiteindelijk in het slotgedicht ‘Reünie’ de ganzen uit hun graf worden gehaald, de haan begint te spartelen in de braadslee, en de vader zijn botten samenraapt en wandelt. In Vergeten licht wordt de herinnering aan een verleden levend gehouden dat paradijselijk is, maar niet idyllisch. Dit is hoegenaamd geen romantische vluchterspoëzie, daarvoor worden de herinneringen te nadrukkelijk bevraagd. Deze dichter wil begrijpen, zoals hij het uitdrukt, waarom het huis samenvoegt, ‘nu buiten alles uit elkaar valt’.
    De meest opvallende kwaliteit van Vergeten licht is voor de jury de ambachtelijke voldragenheid ervan. De ogenschijnlijk gewone, maar bij nader toezien zeer ingedikte en precieze taal van deze gedichten moet langzaam tot stand gekomen zijn: Mortier kauwt op zijn woorden en proeft ze. Groot is zijn aandacht voor klankwaarde en ritme. Deze poëzie mag zich dan nadrukkelijk aan het verleden verplicht hebben en weinig vernieuwend elan uitstralen, zij is bijzonder knap gemaakt.

Genomineerd

  • Geert Buelens - Het is

    Rapport Geert Buelens:
    Vraag een Engelsman of ook híj vindt dat het mooi weer is, en hij zal de vraag kortweg kunnen beantwoorden met de woorden ‘it is’. De titel van Geert Buelens’ debuut is de Nederlandse vertaling van dit antwoord: Het is. Een bevreemdende titel, want bij het bepaald lidwoord het hoort voor ons Nederlands taalgevoel natuurlijk een substantief: het debuut, het gedicht, het poëziefestival... Als zo’n zelfstandig naamwoord ontbreekt, dan wordt dat verderop in de zin gecompenseerd, zoals in de zin ‘Het zou vervelend zijn als de genomineerde er vanavond niet bij kan zijn’. Maar in Buelens’ titel verwijst het nergens naar. In de taalkunde spreekt men in zo’n geval van een naamloos het, dat als ‘loos onderwerp’ fungeert. Een loos onderwerp dat ervoor zorgt dat het werkwoord, in dit geval het werkwoord zijn, onpersoonlijk gebruikt wordt.
    ‘Onpersoonlijkheid’ mag dan voor velen in de poëzie als een doodzonde gelden, Buelens behoort tot een ander slag dichters. Voor hem is het gedicht geen spreekbuis voor persoonlijk leed, maar een ding dat zichzelf als autonoom object moet waarmaken. Hij wil zogezegd liever de taal dan de dichter aan het woord laten en schrijft zich vanuit die voorkeur in een traditie van poëtische reuzen. Er is durf voor nodig om je in je debuutbundel citerenderwijs te meten met grootheden als Gorter, Claus, Van Ostaijen en Lucebert. En het is nog meer te prijzen wanneer het niet bij echoklanken blijft. De tradities worden opgerekt in deze bundel, waarin een dichter zijn bewustzijn van de problematiek van taal en communicatie combineren wil met zijn verlangen zinnen te spreken ‘die een mens verstaan’. Hier dient zich weliswaar een nieuwe representant van de Vlaamse postmodernen aan, maar het is een nieuweling die zich kritisch positioneert tegenover of voorbij het werk van collega’s als Van Bastelaere, aan wiens poëticale metaforiek hij refereert. De jury is benieuwd hoe deze kritische dialoog zich ontwikkelen zal. Buelens’ precieze aandacht voor klank en ritme maken van Het is een feest van taal waartoe wij door de dichter worden genood: ‘Speel nu met mij’, dicht Buelens, ‘er gaat een wereld voor je open / die weer terug dichtgaat / als je niet participeert’.

  • Marijke Hanegraaf - Veerstraat

    Rapport Marijke Hanegraaf:
    De bundel van Marijke Hanegraaf, Veerstraat, is van alle inzendingen van dit jaar misschien als bundel de meest geslaagde, de meest voldragene. Hoewel het haar eerste bundel is, is het nauwelijks een debuut te noemen. Hier presenteert zich met zorgvuldige, beschouwelijke verzen een al zeer herkenbaar dichterschap. Verwantschap met een dichter als Martin Reints is aanwijsbaar. De gedichten zijn onderkoeld, soms zelfs afstandelijk en bevatten door denken gedragen waarnemingen die steeds een verrassend verband aangaan. Juist die gedichten, waarin door de onderkoeling iets van emotie heen breekt, of waarin een onverwacht perspectief is aangebracht, zijn de mooiste. Een goed voorbeeld hiervan is het titelgedicht, waarin een stadse ik in een landelijk dorp de Veerstraat bezoekt. In de stad is er slechts vluchtige aandacht voor het spaarzame groen in de treurige geveltuinen. Nadat beschreven is hoe anders het er bij het voormalig veer aan toe gaat, brengt de slotregel van het gedicht het fraaie beeld dat deze poëzie zijn kracht geeft:

    Maar waar het land zich traag door een rivier
    tot drie terrassen bouwen liet

    en weer reconstrueren tot vals plat,
    waar grond zich omdraait in zijn sluimer

    moet je kunnen stilstaan en wachten;
    je hart een voorzichtig dier.


    Het zijn voorzichtigheid (inderdaad) en precisie die deze bundel kenmerken. Hanegraaf schuwt grootspraak en heeft haar daarbij behorende verlangen naar ‘geduldig uitgegraven woorden’ op poëticale wijze uitstekend vormgegeven. Zoals in de mooie regels uit het gedicht ‘Tekening’, dat zich als bedachtzaam poëtisch zelfportret laat lezen:

    Potloodstrepen nemen behoedzaam,
    met een kleine buiging in wat de knie kan worden,
    een houding aan.

    Uit een overvloed aan onzichtbaarheid
    dat je niets zou kunnen noemen
    zie ik hoe jij ontstaat.




  • Fouad Laroui - Verbannen woorden

    Rapport Fouad Laroui:
    Tegenover de gaafheid van Hanegraafs gedichten staat de ruwheid van de vorm waarvoor de derde genomineerde koos. Fouad Laroui schrikt er in Verbannen woorden niet voor terug de worsteling met het genre open en bloot aan zijn lezers te tonen. Zijn poëzie is een gevecht met de taal en de vorm: lyrische passages en fragmenten in proza wisselen elkaar af. ‘Laten we improviseren’, dicht hij, want ‘alles is gedicht’.
    De bundel Verbannen woorden is stevig verankerd in de realiteit: we lezen over Marokko en Algerije; er branden fakkels in het oproer tegen de dictatuur; mensen zijn bang voor de vreemdeling; er passeren ‘stoeten van uitgemergelde vluchtelingen’; Che Guevara figureert; slachtoffers van de onderdrukking… Soms worden deze grote thema’s zonder terughoudendheid in hun volle omvang en abstractie gepresenteerd, soms worden zij geconcretiseerd op het aangrijpender niveau van het specifieke, het particuliere. Maar of Laroui zich nu in de grote ruimte begeeft, of dat hij op de vierkante millimeter opereert, steeds brengt hij op heldere toon verslag uit. Zijn opsmukloze taalgebruik heeft iets kinderlijks. Naïef is dit streven naar onbedorven waarneming niet, want het wordt mooi paradoxaal gecombineerd met het in alle gedichten voelbare karakter van Larouis getekende ikfiguur: een reiziger door culturen is hij, die zich diep heeft laten raken door de politiek en religieus gemotiveerde drama’s van de wereld. Een man die ons delen laat in zijn woede, zijn verdriet en zijn hoop.
    De gedichten in Verbannen woorden staan in een retorische traditie die in Nederlandse literatuur niet bijster goed vertegenwoordigd is: Laroui schuwt de uitroeptekens en de cursiveringen niet. Grote woorden worden niet gevreesd, overdaad is geen schande: in Verbannen woorden is een bewogen dichter aan het woord die zijn emoties niet temt, maar omzet in een heftige poëzie die kolkt als een buiten haar oevers tredende rivier.

  • Dimitri Verhulst - Liefde, tenzij anders vermeld

    Rapport Dimitri Verhulst:
    Waar de stilist Mortier excelleert in beheersing, daar laat Dimitri Verhulst de teugels welbewust vieren. De beeldspraak neigt naar het exuberante bij deze vijfde en laatste genomineerde dichter, en de taal krijgt vrij spel. Rijmklanken, woordherhalingen en nieuwvormingen buitelen in Liefde, tenzij anders vermeld over de bladzijden heen en roepen elkaar op. Het streven van deze dichter is de dramatiek rond het thema van de liefde in al haar hevigheid in versregels te vatten. Zijn gedichten zijn sterk op de fysieke ervaring gericht, onverbloemd erotisch vaak. In een taal die voor het platte niet terugschrikt, toont Verhulst zich uiteindelijk vooral geïnteresseerd in wat er in de liefde verheven en groots is, hoezeer dat ook gecompliceerd lijkt in de wereld die hij oproept. Want de bundel is óók de kroniek van een zwangerschap, waarvan prettig fris en weinig sentimenteel verslag wordt gedaan. Een mens, dicht Verhulst, ‘zoekt naar een mens / in wiens armen hij / de mens vergeten kan’. Een haast onmogelijke zoektocht. Maar deze dichter zet hoog in, en dat weet hij. Met veel durf trekt hij alle registers open. Soms slaagt zijn ik er daadwerkelijk in de mens, de menselijke conditie voor even te vergeten, maar vaker komt hij bedrogen uit en storten geliefden zich in het ongeluk. Het is het energieke spel dat de dichter met de taal speelt, dat de zwaarmoedigheid enigszins verlicht. Hij weet verdriet om te smeden tot krachtige poëzie die met zichtbaar plezier balanceert op de smalle richel tussen overdaad en bravoure. Dat Verhulst niet uit balans raakt, is zonder twijfel te danken aan de sterk persoonlijke inzet van deze bundel. ‘Vertrouw mij’, dicht hij. ‘Vertrouw mij. Gedoog mijn gedichten’.

Naar de overzichtspagina

Delen