Gouden Ganzenveer 2010

Winnaar

  • Joke van Leeuwen

    Laureaat Gouden Ganzenveer 2010: Joke van Leeuwen

    ‘Elk jaar een boek (en prijs).’ Onder die kop drukte NRC Handelsblad in 2008 een beknopte bibliografie van Joke van Leeuwen af, dat een interview met haar begeleidde. Een treffende vondst. Niet alleen is de Antwerpse duizendpoot al dertig jaar erg productief, maar ook wordt haar werk iedere keer hogelijk gewaardeerd. Meer dan vijftig titels van eigen hand telt haar boekenkast inmiddels. Meer dan vijfentwintig oorkondes, aandenken en beeldhouwwerken vullen haar prijzenkast. Een veelzijdig oeuvre, zo had de kop ook kunnen luiden. Van Leeuwen schrijft en tekent letterlijk voor alle leeftijden. Wie een paar maanden leesonderwijs heeft gehad, kan boekjes als Sus en Jum, Fien wil een flus of Niet wiet, wel nel verslinden. Een paar jaar ouder en haar ‘leeftijdloze boeken’, zoals ze ze zelf aanduidt, worden onweerstaanbaar: Deesje, Kukel en Iep!. Voor volwassenen schreef ze aanlokkelijke poëzie en romans: Fladderen voor de vloed en Alles nieuw.
    En dan treedt ze ook nog met grote regelmaat op. Sinds ze als twintiger het prestigieuze cabaretfestival Camaretten won, heeft ze meerdere theaterprogramma’s gemaakt. Aanvankelijk waren dat traditionele cabaretvoorstellingen. Na een pauze van bijna twintig jaar waarin ze wel als schrijfster optrad en ook kortlopende verteltheaterprogramma’s speelde, keerde ze in 2004 terug in het theater met een eigenzinnige mengeling van literatuur, muziek en cabaret.

    Voor Joke van Leeuwen (Den Haag, 1952) spreekt het allemaal vanzelf. Ze heeft, zolang ze zich kan herinneren, nooit anders gedaan dan tekenen en schrijven en nooit iets anders gewild dan daar haar beroep van te maken. In het grote gezin waar ze als vierde van zes kinderen opgroeide, vulde ze al haar vrije tijd met lezen, knutselen, schrijven, tekenen en luisteren naar de verhalen die andere gezinsleden verzonnen. Haar vader las vaak voor, haar broer had een eigen poppenkast gemaakt.
    Van haar negende tot haar dertiende maakte ze de maandelijkse huiskrant Het leeuwebekje, waarvoor ook andere gezinsleden bijdragen leverden. ‘Zelf had ik een rubriek waarin ik grappige versprekingen in het gezin verzamelde, ik maakte puzzels, raadsels en cartoons en schreef verhalen’ wordt Van Leeuwen door Bregje Boonstra geciteerd in Wat een mooite! ‘Mijn moeder kreeg de nieuwe krant als eerste en dan ging ik achter de deur staan luisteren of ze wel een keer in de lach schoot.’
    Alleen optreden werd bij toeval een discipline waarin ze excelleerde. Hoewel haar vader iedere week op de preekstoel stond en iedereen in het vrijzinnige domineesgezin voor elkaar optrad – bijvoorbeeld in het huisorkest – deed ze tijdens haar studententijd alleen voor het plezier aan cabaret. Alleen op uitdrukkelijk verzoek van impresario Diederik Hummelinck, die haar op een amateurcabaretdag in Den Haag zag optreden, maakte ze één voorstelling. Toen ze daarmee de jury-, publieks- én persoonlijkheidsprijs van Camaretten won, zat ze tot haar eigen verbazing opeens in het circuit. ‘Optreden heeft me veel geleerd. Ik voel me nu totaal vrij op een podium’, blikte ze later terug. ‘Omdat je als schrijver vaak gevraagd wordt voor performanceachtige situaties heb ik daar veel aan. Ik sta graag voor een publiek, maar zou dat nooit meer alléén willen doen. Ik zoek steeds weer de rust van mijn kamer, om iets nieuws te bedenken en nieuwe wegen op te gaan.’

    1978 was het jaar dat Van Leeuwens talenten zichtbaar werden voor de buitenwereld. Naast haar triomf op het Delftse festival debuteerde ze als schrijfster en illustrator met De Appelmoesstraat is anders. Tot die tijd was ze zoekende. Studies aan de kunstacademies in Antwerpen en Brussel bevielen haar matig. Allerlei baantjes waren evenmin bevredigend. Geschiedenis, een nieuwe studie waaraan ze was begonnen, draaide minder om vertellen dan gedacht en gehoopt. De Appelmoesstraat is anders bevat al direct de kenmerken die het oeuvre van Van Leeuwen uniek maakt. De hechte band tussen tekst en tekening. Het spitsvondige gebruik van de Nederlandse taal en de lichte toets. De betrokkenheid waartoe ze de lezer verleidt – in dat geval met tamelijk expliciete opdrachten als ‘zoek de drie verschillen’. En de eigenzinnige blik waarmee ze haar lezers dwingt op een andere manier naar de alledaagse werkelijkheid te kijken. Niet voor niets had Van Leeuwen al snel succes. Haar tweede boek Een huis met zeven kamers, een jaar later verschenen bij dezelfde kleine uitgeverij Omniboek, werd bekroond met de Gouden Penseel voor de illustraties én de Zilveren Griffel voor de tekst. Het zouden de eerste bekroningen zijn van – tot nu toe – in totaal niet minder dan tien Zilveren Griffels, één Gouden Griffel, één Zilveren Penseel, twee Gouden Penselen en talrijke andere nationale en internationale prijzen.

    Cruciaal voor Van Leeuwens oeuvre was haar verhuizing van het provinciale Zetten naar de Belgische hoofdstad Brussel toen ze dertien jaar oud was. Haar vader werd daar in 1965 benoemd tot hoogleraar theologie. De cultuurshock die de schrijfster in de wereldstad onderging, zorgde voor het besef dat alles wat ze altijd als doodgewoon had beschouwd helemaal niet zo gewoon was. In interviews heeft ze daar keer op keer nieuwe voorbeelden van gegeven. ‘Tijdens mijn eerste schooldag in Brussel werd in de gang geroepen: “Ge moogt gaan, maar ge moogt niet lopen.” Dat was natuurlijk verwarrend’, vertelde ze in Zuiderlucht. ‘Brussel was toen nog vooral Frans en zelfs mijn docenten waren onzeker over hun Nederlands. Soms vroegen ze om mijn hulp. Dat vond ik ontzettend gênant, want ik had al gauw door dat er allerlei clichés over Nederlanders bestonden. Een daarvan was dat we betweters zijn en dat wou ik natuurlijk helemaal niet zijn.’ Sindsdien is het openen van ogen en afleren van hokjesgeest Van Leeuwens thema. ‘Ik ontdoe dingen van het vanzelfsprekende, door er op een andere manier naar te kijken’, zei ze tegen NRC Handelsblad. ‘Het schrijven van een kinderboek is voor mij een manier om de wereld van onderaf te bekijken, zoals cabaret mij de mogelijkheid biedt om de wereld van de zijkant te zien. Die blik heeft vaak een humoristisch effect. Met vrolijkheid worden dingen onderuit geschoffeld.’

    Dankzij de verwondering en het onvermoeibaar zoeken naar nieuwe vormen als uitgangspunt gaat Van Leeuwens werk voorbij iedere afbakening. Zozeer dat het onderscheid tussen kinder- en jeugdboeken en boeken voor volwassenen, waar ze zich al jaren hardnekkig tegen heeft verzet – vooral als ze zelf wordt weggezet als kinderboekenschrijfster – in haar werk vanzelf vervaagt. Iedereen lijkt haar oeuvre integraal te kunnen lezen, ook al begrijpen jonge kinderen misschien niet alles.
    Zo bevatten niet alleen haar ‘leeftijdloze’ boeken illustraties, maar is ook in Alles nieuw, waarmee ze vorig jaar op de toplijst van de AKO Literatuurprijs stond, beeld een essentieel onderdeel van de roman. De kunstwerken van de jonge hoofdpersoon hebben een ingrijpende invloed op haar 82-jarige huisbazin Ada. Door een oude foto van een jong meisje te vervormen tot een foto van een vijftiger, denkt Ada dat haar dochter nog in leven is en opnieuw contact met haar zoekt. Andersom slaagt Van Leeuwen er ook in haar werk voor beginnende lezers te overladen met taalvondsten. De jury van de Theo Thijssenprijs, die haar in 2000 voor haar hele oeuvre werd toegekend, haalde in het juryrapport het voorbeeld aan van Fien wil een flus. Omdat Fien voor haar verjaardag een ‘flus’ vraagt, proberen al haar vrienden te bedenken wat ze daarmee bedoelt. Een bus? Een fles? Een mus? Of een papier met wat krassen waarvan Maatje zegt: ‘Dit is een flus’.

    Van Leeuwen is niet de enige auteur van kinder- en jeugdboeken die haar eigen werk illustreert, maar bij haar gaat de band verder. Tekst en tekeningen versterken elkaar door elkaars betekenis diepgang te geven, te becommentariëren of juist te verlichten. Haar beelden zijn nooit zomaar illustraties, maar grijpen in de tekst in. Als Kweenie in het gelijknamige boek een beker chocolademelk omstoot of in huilen uitbarst, maken de vlekken en de tranen een deel van de tekst onleesbaar.
    Het is een samengaan van vorm en inhoud die ze ook als stadsdichter van Antwerpen, in de periode 2008-2009, heeft geëxploreerd. Veel meer dan haar voorgangers heeft ze de stad zelf tot drager van haar poëzie gemaakt. Ze projecteerde een gedicht op het rasterdak van het theaterplein, dat slechts vanuit één standpunt goed te lezen was, en schreef een gedicht over de voetgangers- en fietstunnel onder de Schelde dat over de hele lengte van de tunnel te lezen was. Van Leeuwen is evenmin de enige auteur die lichte taal aan dwarse inhoud koppelt. Ze is vaak vergeleken met Annie M.G. Schmidt met wie ze het anarchisme, de vrijheidsdrang en een zekere maatschappelijke betrokkenheid deelt. Maar waar Schmidts verbeeldingskracht over de grens van het realisme gaat, houdt Van Leeuwen haar personages ‘altijd met twee benen in de werkelijkheid’, hoezeer ze die ook steeds een slagje draait. Zo blijft haar oeuvre in ieder opzicht uniek. En krijgt Van Leeuwen voor ieder boek steeds weer terecht een nieuwe prijs.

Naar de overzichtspagina

Delen