Griffels 2015

Ga direct naar

Details:

De Griffeljury 2015:
Saskia de Bodt, voorzitter
Lia Reedijk
Erica Ringelberg
Ron van Roon
Thomas de Veen



Uitreikingsrapport:

De Griffeljury kan in vijf categorieën vijf titels voor bekroning voordragen: twee Griffels en drie Vlag en Wimpels. Voor alle duidelijkheid: de Vlag en Wimpels ziet de jury niet als troost- of aanmoedigingsprijs, maar als een onderscheiding voor een boek dat het net niet tot een Griffel bracht. Maximaal kunnen dus 25 boeken bekroond worden. De jury, die in totaal 154 boeken las, kwam echter dit jaar niet verder dan 16 kandidaten. Ook dit jaar bleek de oogst in de categorie Poëzie gering (slechts één titel kwam in aanmerking), simpelweg omdat er in 2014 opnieuw weinig titels verschenen. Spijtig.

Bij de categorie Informatief kon nog een redelijk aantal boeken gevonden worden door het genre ruimhartig te interpreteren. Bij 9+ moest de jury – om het in goed Nederlands te zeggen – haar darlings killen; de kwaliteit van 6+ was – buiten de voorgedragen titels – niet overweldigend.

Opvallend vindt de jury het relatief grote aantal uitgaven waarvoor de beeldende kunst inspiratie heeft geleverd en die soms in samenwerking met musea gerealiseerd werden. Boven alles, en dat moet gevierd, is de gekte terug in de jeugdliteratuur. Het hoeft allemaal niet zo serieus of realistisch: ook met een flinke dosis humor of met een grote portie raadselachtigheid kunnen boeken met diepgang geschreven worden.

De jury benadrukt dat zij niet pretendeert de wijsheid in pacht te hebben, hoewel zij haar taak serieus en zonder gekte heeft opgevat. De keuze is gemaakt door vijf mensen (met vijf verschillende achtergronden – dat wel): een anders samengestelde jury zou ongetwijfeld hier en daar tot andere bevindingen zijn gekomen. Laat dat een troost zijn voor die schrijvers die buiten de boot zijn gevallen. Als het niet zo paternalistisch klinkt, zou de jury hieraan het volgende citaat uit een van de bekroonde boeken hebben toegevoegd:

‘Bedenk dan dit: misschien doe je door deze ervaring de volgende keer nóg beter je best om eerste te worden. En misschien moet je bedenken dat het niet alleen om het winnen gaat, maar ook om de lol.’

De uiteindelijke keuze van de jury is altijd onderwerp van discussie, wat slechts pleit voor de grote betrokkenheid van alles en iedereen die zich met jeugdliteratuur bezighoudt. Die grote betrokkenheid en dus het gekrakeel volgend op de bekendmaking is van alle tijden. In haar stuk ‘Eenvoudig is niet hetzelfde als simpel’, dat opgenomen werd in Het literaire klimaat 19701985 (1986) schreef Aukje Holtrop dertig jaar geleden al: ‘Een grappig bijverschijnsel van het griffelgedoe is de bijna elk jaar terugkerende vraag of de Griffels wel aan de goede boeken worden toegekend. Is het allemaal niet te commercieel? Heeft de jury wel rekening gehouden met de smaak van iedereen?’ De jury ziet met grote belangstelling dergelijke vragen op zich af komen: leve een levendige jeugdliteratuur!



Gouden Griffel

  • Bette Westera - Doodgewoon

    De dood waart rond in de bundel van Bette Westera, maar hij sluipt ook, huppelt, danst, schrijdt, stapt stevig door of slentert. Slaap wordt in sommige gedichten als het kleine broertje van de dood voorgesteld, wat natuurlijk in een traditie staat, denk maar aan de klassieke regels van J.C. Bloem: ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen/en niet slapend denk ik aan de dood’. De lezer van Doodgewoon ontmoet doden in verschillende gedaanten: een ketelbinkie, een moeder, een poes, een hond, een medeleerling, een opa, een te vroeg geboren kind, een oma, een onaangename echtgenoot en een verre voorvader. Ook maakt de lezer kennis met uiteenlopende begrafenisrituelen uit diverse culturen en met verschillende vormen van rouw. Hospice, hemel, heelal en hooggebergte – de lezer wordt ermee geconfronteerd en hoort de tijd op elke bladzijde wegtikken. Bette Westera heeft met Doodgewoon een schitterende, ongekend rijke bundel doodslyriek geschreven, waar verdriet, verwondering, opstandigheid, berusting en woede onder woorden worden gebracht. Troostrijk is de bundel ook, niet omdat Westera de dood sussend toedekt met een roze dekentje, maar juist omdat ze de dood in al zijn afschrikkende facetten vormgeeft, woorden vindt voor het gewoonlijk onbeschrijfelijke verdriet en het grote mysterie dat de dood is. ‘Altijd overal’ is een typerend gedicht, waarin ‘was’ en ‘is’ in de voorlaatste strofe effectief worden ingezet en dat een bezwerend karakter heeft door herhaling en opsomming. Het is te lang om in z’n geheel te citeren. Volstaan wordt hier dan ook met de eerste en laatste twee strofen:

    ‘Ik mis je achter op de fiets, ik mis je in de trein. Ik mis je bij de H&M en bij de Albert Heijn.

    Ik mis je onder rekenen, ik mis je onder lezen. Ik mis je in de winter, bij het voeren van de mezen.

    […]

    Ik mis je als je jarig was en iedereen er is. Ik mis je als ik eventjes niet merk dat ik je mis.

    Ik mis je als ik keelpijn heb, ik mis je als ik val. Ik mis je nergens echt het ergst, maar altijd overal.’

    Wie uit het bovenstaande de indruk gekregen mocht hebben dat Doodgewoon een loodzware bundel is, heeft het mis. Westera’s ontregelende humor zorgt ervoor dat de lezer op adem kan komen, wat welkom is, want veel gedichten grijpen je naar de strot. Met name de korte grafschriften hebben dit luchtige effect:

    ‘Hier ligt Lotje naast haar botje. Hier ligt Kuifje naast zijn kluifje.’

    Humoristisch is ook het gedicht, met de echo van Annie M.G. Schmidt, over de opluchting die een vrouw ervaart na de crematie van haar tirannieke man, dat eindigt met deze drie regels:

    ‘Daar staat-ie dan, haar huistiran, verstoffend op het notenhouten kastje.’

    Down to earth en daarmee een glimlach van de lezer ontlokkend is de ontwapenende constatering van een kind wiens opa overleden is:

    ‘Opa is dood, al een poosje, dat vind ik natuurlijk niet fijn. Maar nu heb ik wel zijn horloge, zijn koptelefoon en zijn trein.’

    De ritmische gedichten van Westera maken niet alleen grote indruk door de inhoud en de lichte toets, maar ook door de stilistische vaardigheid waarmee ze geschreven zijn. Haar verstechniek is klassiek: herhalingen, enumeraties, binnenrijm, gekruist rijm, alliteratie en een enkel enjambement. De muziek die uit de bundel opklinkt, is gevarieerd door de gekozen versvormen: een epitaaf, een lamento, een ballade, een elegie, maar bijvoorbeeld ook een smartlap over het zeemansgraf van kleine Klaas. Bette Westera is alleen al te prijzen om haar durf om gedichten voor kinderen bijeen te brengen met de dood als thema. Een enkele keer lijkt zij impliciet te verwijzen naar eerdere doodsgedichten van anderen. Zo lijkt de regel ‘De dood is maar voor even’ een reactie op ‘Dood zijn duurt zo lang’ van Willem Wilmink.

    De illustraties van Sylvia Weve die in elkaar grijpen zijn wonderschoon. Subtiel is het engeltje op het omslag dat ook in het binnenwerk voorkomt, maar dan zonder vleugels. De boekverzorging is voorbeeldig: zelfs de inhoudsopgave refereert aan het thema van het boek doordat deze als tijdlijn wordt weergegeven. Deze oogstrelend uitgevoerde bundel met onsterfelijk mooie gedichten over de dood is een bezit voor het leven.



    Details:
    Categorie poëzie.


Zilveren Griffel

  • Drew Daywalt - De krijtjes staken

    Rapport Drew Daywalt:
    De krijtjes hebben er geen zin meer in. Hoe Teun ze gebruikt, wat hij ze laat tekenen, de kleuren die hij kiest. Rood, geel, oranje, paars, grijs, groen, wit. Stuk voor stuk zijn ze het zat te worden misbruikt voor de tekeningen van het jongetje. Neem zwart. Zwart háát het om alleen lijntjes te mogen zetten, die vervolgens door zijn medekrijtjes mogen worden ingekleurd en opgefleurd. ‘Vind je het gek dat ze allemaal denken dat ze beter zijn dan ik?’ Of beige. De eeuwige tweede keus die ook nog eens vaak wordt verward met lichtbruin, of geelbruin. Het zwaarst heeft huidskleur het te verduren. Teun heeft het papiertje van zijn lichaam gepulkt en in zijn blootje durft huidskleur het doosje niet uit. Huidskleur schaamt zich dood. Dus gaan de krijtjes in staking. Als Teun van juf een mooie tekening mag maken, vindt hij geen krijtjes in zijn tas, maar een stapel verbolgen brieven. Stuk voor stuk hebben de krijtjes hun grieven op papier gezet, elk in hun eigen kleur en in hun eigen stijl. De krijtjes staken! is het prentenboekendebuut van de Amerikaan Drew Daywalt, die grappig genoeg is begonnen als maker van horrorfilms. De tekeningen naast iedere brief zijn van Teun, maar eigenlijk van illustrator en kunstenaar Oliver Jeffers.

    Een rijk en oorspronkelijk prentenboek; hilarisch, dramatisch, lief, boos en origineel tegelijk. Een ode aan de ouderwetse, handgeschreven brief bovendien. Al is het voor Teun niet zo leuk om het stapeltje jammerklachten te ontvangen, hij krijgt wel inzicht in het gevoelsleven van de kleuren die hij tot nu toe als levenloze eigendommen had beschouwd. Daarmee gaat De krijtjes staken! ook over inlevingsvermogen. En over individualiteit, hoogmoed, woede, de kracht van samenwerken en over vergeving. En natuurlijk ook eenvoudig over het leren herkennen van kleuren, het plezier van het scheppen en over creativiteit. Een pracht van een prentenboek, dat bovendien met veel gevoel en aandacht is vertaald door Koos Meinderts. Vanaf nu zal een krijtje nooit zomaar een krijtje zijn.



    Details:
    Categorie tot zes jaar.


  • Annet Huizing - Hoe ik per ongeluk een boek schreef

    Rapport Annet Huizing:
    Is dit fictie? Is dit slechts een verhaal over een meisje dat jaren na dato om haar overleden moeder rouwt? Is dit informatief? Een boek waarin je leert hoe je iets moet schrijven dat in aanmerking zou kunnen komen voor belangrijke literaire prijzen? ECI Literatuurprijs, Libris Literatuur Prijs, een Gouden Griffel? Of leer je hier over hoe literatuur in elkaar zit? Hoe schrijvers je met hun trucjes hun verhaal binnensmokkelen. Hoe ze perspectief toepassen, zinnen opbouwen, cadans en ritme bedenken, ervoor zorgen dat zich in je hoofd een film van letters afspeelt? Hoe ik per ongeluk een boek schreef is van alles wat en van alles evenveel. Een boek dat in geen enkel hokje past en derhalve in de boekhandels in alle kasten tegelijk zou moeten staan.

    Annet Huizing deed met Hoe ik per ongeluk een boek schreef het alleronmogelijkste. Ze vertelt het verhaal van de jonge Kathinka. Haar moeder is al hartstikke lang dood, maar juist nu haar vader het aanlegt met de best-wel-leuke Dirkje, mist ze haar zo. Kathinka wil schrijfster worden. Maar ze weet niet goed hoe ze de verhalen in haar hoofd op papier moet zetten. Gelukkig is daar haar overbuurvrouw Lidwien, een schrijfster met een writers block die doet denken aan Renate Dorrestein. Zij leert Kathinka de lessen van het schrijven en en passant van het leven.

    Kill your darlings, show, don’t tell, hoe ga je om met onderwerp, lijdend voorwerp en gezegde; het komt allemaal voorbij. Hoe introduceer je personages, wat brengt ritme in een zin? Wie schrijft over schrijven roept nogal iets over zich af. Annet Huizing weet het allemaal zo goed en daarmee stelt ze zich kwetsbaar op. Want wie lessen in schrijven geeft, moet zelf subliem zijn. Geen fouten maken. Annet Huizing had dat lef. Ze weet een ontroerend verhaal neer te zetten en tegelijk anderen aan te sporen hetzelfde te doen. Of er op z’n minst over te schrijven. Boeken die grenzen overschrijden stelen het hart van deze jury. Al was het alleen maar omdat het de jury een alibi geeft zelf met een grens te schuiven, en zo een Griffel te kunnen geven aan dit verhaal, dat misschien wel het verhaal zelf als ware hoofdpersoon heeft.



    Details:
    Categorie informatief.


  • Stine Jensen - Lieve Stine, weet jij het ?

    Rapport Stine Jensen:
    In de allerbeste traditie van ‘Lieve Mona’ en ‘Margriet weet raad’ beantwoordt filosoof Stine Jensen vragen van tien-, elf- en twaalfjarige kinderen. Twintig brieven behandelt zij en evenzoveel vragen en dilemma’s, zoals ‘Moet ik mijn gevoel of verstand volgen?’, ‘Wat is goed of slecht?’, ‘Waarom ben ik bang voor de dood?’ en ‘Mag ik wraak nemen?’. Jensens antwoordbrieven beginnen en eindigen vrijwel altijd persoonlijk, zo begint de eerste brief aan Tasha met ‘Gefeliciteerd met je tweede plaats’ en eindigt met de uitroep ‘Ik hoop dat je je beter voelt!’ De zeer concrete vragen die de kinderen voorleggen – voortkomend uit hun dagelijkse ervaringen – en de persoonlijke, bijna familiaire, toon die Jensen aanslaat, zorgen ervoor dat grote filosofische vraagstukken die van alle tijden zijn ook voor kinderen toegankelijk en inzichtelijk worden. De opdrachten, vragen en filosofische experimentjes waarmee Jensen haar brieven lardeert, dragen daar in hoge mate aan bij. De illustraties van Fredriksen zijn niet zelden een geestig commentaar en verhogen de toegankelijkheid van de op zichzelf zware levensvragen.

    Jensen slaagt erin het leven van kinderen en de vragen die zij daarover hebben soepel in verband te brengen met filosofen als Nietzsche, Diogenes, Alain de Botton en Martha Nussbaum. Het werk van Aristoteles, Kant en Rousseau parafraseert zij in dat verband het vaakst. Maar ook Marcel Duchamps, Godfried Bomans en zelfs het populaire zangduo Nick en Simon komen om de hoek kijken, wat slechts pleit voor Jensens oorspronkelijke aanpak en de lichtheid – wat niet hetzelfde is als oppervlakkigheid – van haar boek. De relatie die zij overtuigend, helder en zonder humbug legt tussen het leven van kinderen en het werk van grote filosofen dat veelal vele jaren geleden geschreven werd, leidt ertoe dat kinderen kunnen concluderen: ‘Mijn vragen en dilemma’s zijn niet belachelijk’ en – nog belangrijker – ‘Ik ben niet alleen’.

    Al herinnert Jensens boek door de vraag-en- antwoordconstructie aan de catechismus, ze pretendeert allerminst het wel eventjes haarfijn uit te leggen. Twijfel fladdert als een duiveltje of engeltje vrolijk tussen de regels door: ‘Soms kan het in een nieuwe situatie heel leuk zijn om te experimenteren met je meerdere “ikken”. Draag je altijd een jurk? Trek een keer een broek aan. Ben je vaak stil? Laat eens van je horen! En wees gerust: weten wie je bent gaat niet van de ene op de andere dag. Zelfs als je zo oud bent als ik, weet je het soms nog niet zeker.’ Wijs kan dit boek genoemd worden. Hoe kan het ook anders als je je poes – zoals Stine Jensen – ‘Sofie’ noemt?



    Details:
    Categorie informatief.


  • Sjoerd Kuyper - Hotel De Grote L

    Rapport Sjoerd Kuyper:
    Een dooie moeder, een vader die in het ziekenhuis dreigt te bezwijken aan een hartaanval, een hotel aan de rand van faillissement en een liefde die niet lukt. Er is niet veel dat Kos bespaard blijft. Dan heeft hij ook nog drie krankzinnige zusjes, waarvan nummer twee hem inwrijft dat hun overleden moeder helemaal nooit een zoon heeft gewild. Alsof dat nog niet genoeg is allemaal, worstelt Kos met de vraag hoe hij het hart van Isabel kan veroveren. De omstandigheden zijn beroerd. Sec beschreven zijn het ingrediënten in overvloed voor een dieptreurige geschiedenis, die niemand wil lezen. Maar gelukkig is daar Sjoerd Kuyper. Met zijn uitmuntende stijl, zijn zwarte humor en ongekend talent voor absurde situaties maakt hij van Hotel De Grote L een boek uit duizenden.

    Kos heeft bergen als die van de Himalaya te beklimmen. Dat hem dat met zijn slungelige onhandigheid en snel blozende wangen niet licht afgaat, lezen we in het dagboek dat hij bijhoudt. Niet op papier, maar op een ouderwetse bandrecorder spreekt hij zijn belevenissen in. Een vondst, die maakt dat hier en daar haast in de zinnen doorklinkt. Haast die wordt gesuggereerd doordat Sjoerd Kuyper zijn meanderende zinnen aan elkaar ‘kommaat’. De gesproken taal biedt ook ruimte voor vertraging. Daar past de reflectie, die niet alleen in de gedachten van Kos zit. Tussen de regels van Kos is cursief het commentaar van Isabel te lezen, zijn (wannabe) vriendinnetje dat – zo blijkt al snel – het bandjesdagboek op papier heeft uitgewerkt en er zo nu en dan iets bij zet. Deze briljant gekozen vorm maakt dat we in het hoofd van de 13-jarige hoofdpersoon kunnen kijken. Naar zijn angst om na zijn moeder ook zijn vader te verliezen. We ervaren zijn droom om profvoetballer te worden. En voelen mee met zijn goed bedoelde pogingen Isabel te veroveren. Het geeft lucht. Het werkt ontroerend. En waar nodig geeft het ook tegenwicht aan de hilarische situaties waarin Kos verzeild raakt als hij geld bij elkaar sprokkelt om te voorkomen dat het hotel de deuren definitief moet sluiten.

    Hotel De Grote L is een boek waar je uit kunt blijven citeren.

    ‘Een 3 is net een stel tieten van boven gezien. […] Of twee lippen die ontzettend graag willen zoenen. Als je tegenover zo’n meisje staat, dan is het alsof ze zeep op je tong hebben gesmeerd, alle woorden glijden eraf voor je erover hebt kunnen nadenken. […] Als hamsterkots. Als je reïncarneert in een meisje en je denkt nog als een jongen dan kun je kijken hoe je er onder je kleren uitziet. Je kunt het leukste meisje van de wereld hebben, zet er twee anderen bij en je hebt drie trutten.’

    Maar ook deze, als Kos denkt aan zijn kale chemomoeder:

    ‘Toen ze die pruik op had zag ik dat ze niet meer beter zou worden, zag ik hoe ziek ze was.’

    Of over zijn vader:

    ‘Hij was zo bang, zijn angst vulde de hele kamer, die van mij kon er niet meer bij. […] De wereld was omgedraaid. Ik wilde dat ik in bed lag en hij op de rand zat. Dan hadden we alle twee geweten hoe het moest.’

    Ergens zegt Kos: ‘Als je aan fantasie kon sterven, was ik al lang dood.’

    Het zijn woorden die ook voor Sjoerd Kuyper gelden. Zijn fantasie maakt Hotel de Grote L tot een onsterfelijk boek. Hotel de Grote L, je zou er eeuwig willen logeren.



    Details:
    Categorie negen tot twaalf jaar.


  • Daan Remmerts de Vries - Soms laat ik je even achter

    Rapport Daan Remmerts de Vries:
    Zelfstandigheid moet je oefenen. En oefenen, dat is precies wat het kleine meisje dat de hoofdrol speelt in Soms laat ik je even achter doet. Ze is nog maar klein en is bang om alleen te zijn, bang voor de wijde wereld die dan ineens zo groot en vol gevaar is. Als je alleen bent, ruisen de takken anders. Vind je beren op de weg. Komen de indianen. Samen met haar knuffelbeer voelt het meisje zich veilig. Maar alleen zijn moet je leren. En leren gaat stap voor stap. Veel tekst heeft Soms laat ik je even achter niet. Maar Daan Remmerts de Vries weet er een wereld mee op te roepen. Een wereld van woorden, die verder gaat in de collageachtige illustraties van dit omni-talent. Een wereld die ontroert. Lief en stoer in alle eenvoud. Razend knap weet Daan Remmerts de Vries de wereld bovendien om te draaien. Het meisje durft nog lang niet alles, maar de onzekerheid is geprojecteerd op haar knuffelbeer. Zoals de beginzin al zegt: ‘Soms laat ik ‘m even achter.’. En in de wetenschap dat ze de bange beer uiteindelijk zal terugvinden, krijgt ze haar eigen angst onder controle. Daarmee zit dit subtiele prentenboek psychologisch sterk in elkaar. Opgroeien tot een zelfstandig mens kan alleen goed aflopen als je je veilig en beschermd voelt, ook als je soms even, heel even alleen gelaten wordt. Het is zoals het meisje ergens bedenkt: ‘Een beetje bang is goed, een beetje bang is leuk.’.



    Details:
    Categorie tot zes jaar.


  • Sylvia Vanden Heede - Een afspraakje in het bos

    Rapport Sylvia Vanden Heede:
    Vleermuis werd verliefd op prachtige vogels als de ijsvogel, de pimpelmees, het goudhaantje en de distelvink. Maar nooit werd het wat. Nu heeft ze een blinddate met een vliegend hert. Misschien werkt dat. Ze droomt van haar nu nog onbekende minnaar: ‘En ze stelde zich grote, witte, zachte, gevederde engelvlerken voor, en een edel dier met een prachtig gewei.’ Ze komt bedrogen uit, want het vliegend hert blijkt een kever. En ook Vliegend Hert was op het verkeerde been gezet, want hij dacht een muis te gaan ontmoeten. Vandaar het stuk kaas als cadeautje. Vleermuis valt als een blok voor Vliegend Hert:

    ‘En wat hij zei klonk zo ernstig, zo mooi, zo teder, zo grappig, zo aardig, zo lief. Het klonk mooier en tederder en grappiger en aardiger dan alle liedjes en deuntjes van alle zoetgevooisde vogels bij elkaar.’

    De kracht van Een afspraakje in het bos schuilt met name in het beeldend woordgebruik van Vanden Heede (‘fladderlappen’ en ‘dolksnavel’) en in de hilarische vergissing: beide dieren dachten een ander te zullen treffen. De zwierige tekeningen van Leroy, die de dieren grote ronde ogen meegeeft, zijn handelsmerk, komen in het grote formaat boek goed tot hun recht. Het verhaal speelt met uiterlijke en innerlijke schoonheid en benadrukt de kracht van het woord, want Vleermuis laat zich immers verleiden door de in honing gedrenkte woorden van Vliegend Hert.

    Geestig is ook dat ‘houden van’ in de dubbele betekenis van het woord gebruikt wordt. Vleermuis houdt van kevers (in de zin dat zij ze graag eet), maar houdt uiteindelijk ook van Vliegend Hert die een kever is. ‘Houden van’ in het laatste geval in de betekenis van ‘gevoelens hebben voor’. Het vertelplezier spat van de pagina’s af en Vanden Heede vertelt de love story met groot gevoel voor humor. De weetjes over de natuur en de zoekopdrachten waarmee het boek afsluit, vormen een welkome bonus.

    Details:
    Categorie zes tot negen jaar.


  • Dirk Weber - De goochelaar, de geit en ik

    Rapport Dirk Weber:
    Maak kennis met een Hollands dorpje in de buurt van België. Maak kennis met een tijd dat de mensen nog in halve centen betaalden, een auto met een maximumsnelheid van 45 kilometer per uur over wegen van zand reed en schoenen tot in het oneindige werden opgelapt. Maak kennis met de jongen Camiel, zijn broertje Joris, en hun vader, de rondreizende illusionist Leon Roossen. Maak kennis met Dirk Weber. Hij presenteert: De goochelaar, de geit en ik.

    Met Dirk Weber weet je het nooit vooraf. Hij is vormgever en tekstschrijver van beroep en maakt in zijn vrije tijd jeugdromans waarin hij steeds iets anders probeert. Een speels literaire toon, zoals in het eveneens bekroonde Duivendrop of een ijzingwekkende tienerthriller, zoals Hij en ik is. Veel schrijft hij niet, maar wat er uit zijn pen vloeit, is raak. In De goochelaar, de geit en ik vertelt Weber een verhaal waarin een jongen worstelt met immense vragen. In afwachting van een proces belandt zijn vader in het gevang. Camiel wil geld verdienen om een advocaat te betalen. Van zijn opa, die hem tot schoenlapper wil opleiden, hoeft hij geen hulp te verwachten. En ook de klusjes die hij voor de dokter doet leveren niet genoeg op. De melk van de geit waarover Camiel zich ontfermt, is een druppel op een gloeiende plaat.

    Is Camiel bereid om zijn ziel aan de duivel te verkopen? De duivel, gepersonifieerd in de rijke slechterik Martens, die Camiel wil inzetten om zijn waren naar de andere kant van de grens te smokkelen. En wat moet Camiel als hij langzaam ontdekt dat zijn vader niet voor niets is gearresteerd? Moet hij de man die zijn grote voorbeeld is van zijn voetstuk halen of geeft hij hem een tweede kans?

    Het zijn modern-psychologische vragen over loyaliteit, rechtvaardigheid, vertrouwen en omgaan met grote teleurstellingen. Dirk Weber confronteert de lezer er terloops mee in een verhaal dat ontroerend is, maar ook buitengewoon spannend. De geit, de goochelaar en ik laat zich lezen als een ouderwets jongensavontuur. En intussen schetst het de tijd tussen twee wereldoorlogen, waarin de crisis het leven zwaar maakt en de armoede overal voelbaar is.

    De taal waarvan Dirk Weber zich bedient, onderstreept die tijd prachtig. Ook in de vorm zit moois verweven. Zo schrijft de vader brieven om Camiel en Joris te vertellen wat hij meemaakt. Daarmee haalt Weber de wereld van het rondreizende theater binnen. Maar tegelijk roept hij de vraag op of vader een betrouwbare verteller is en zet de lezer aan het denken over het lezen zelf. Het is de literatuur die vragen oproept en ook deels een uitweg biedt. Als Camiel zijn broertje voor het slapengaan voorleest, kiest hij voor De avonturen van Robin Hood. Dat brengt hem op de gedachte dat er diefstal is, maar ook rechtvaardige diefstal. Het zijn al deze lagen samen, die De geit, de goochelaar en ik tot zo’n rijk boek maken.



    Details:
    Categorie negen tot twaalf jaar.


  • Håkon Øvreås - Bruno wordt een superheld

    Rapport Håkon Øvreås:
    Als je onderduikt in een andere identiteit, durf je meer. Zeker als je alter ego een superheld is. Overdag is Bruno een jongen wiens grootvader net is overleden. Een jongetje dat een vriend heeft, Arthur, en een vriendinnetje, Louise. Maar ook een jongetje dat wordt getreiterd door grote pestkoppen tegen wie hij zich niet teweer kan stellen. Dat verandert als Bruno ontdekt dat hij in de nachtelijke uren, met een bruin kleed om en een pot bruine verf onder zijn arm sterk is. Durft. Het lef heeft om wraak te nemen op de rotjongens die hem al een tijdje dwarsbomen. Bruno verft hun fietsen bruin en bestempelt ze zo tot wat ze zijn, laffe kinderpesters. ’s Nachts is Bruno Bruino. En komt hij opa tegen, die dan even uit de dood is opgestaan.

    De Noorse schrijver Håkon Øvreås doet in Bruno wordt een superheld hetzelfde als de held van zijn verhaal: hij transformeert een spannend avonturenverhaal in een ontroerend gegeven. Want eigenlijk gaat het over de dood en afscheid nemen, over opgroeien in een wereld die soms bedreigend is, over dapperheid en over de kracht van vriendschap. Håkon Øvreås schildert met een fijn penseeltje een tafereel dat recht het hart binnenkomt om het voor altijd te veroveren. Ondanks de zware thema’s houdt hij het licht en vrolijk. In taal die glanst van eenvoud zet hij een karakter met veel facetten neer. Een jongen van vlees en bloed, die met echte vrienden het leven te lijf kan. En met een potje bruine verf en een flinke dosis humor zijn vijanden laat versplinteren.



    Details:
    Categorie zes tot negen jaar.


Vlag & Wimpel

Naar de overzichtspagina

Delen