Griffels 2016

Ga direct naar

Details:


Anna Woltz heeft de Gouden Griffel ontvangen op dinsdag 4 oktober 2016 op het kinderboekenbal.

De Griffeljury 2016:
Margreet Ruardi, voorzitter
Martijn Blijleven
Adry Prade
Nathalie Scheffer
Nina Schouten



Uitreikingsrapport:

Juryrapport Griffels 2016:

De Griffeljury 2016 las de afgelopen maanden 182 boeken die in 2015 verschenen. Dat waren er 28 meer dan het jaar ervoor en 54 meer dan in 2014. Een opmerkelijk stijgende lijn. Veel van die boeken gingen mee naar een tweede ronde; 2015 leverde een grote hoeveelheid mooie en goede boeken op die de moeite waard waren nog een keer goed te lezen. Ook waren er boeken die die tweede ronde niet haalden, maar wel onderhoudend, bruikbaar en sympathiek waren. Een heel mooi kinderboekenjaar dus, 2015, met een breed kwalitatief aanbod, waaronder ook enkele geslaagde debuten.

De Griffeljury kan in vijf categorieën telkens maximaal vijf titels voordragen voor bekroning. Per categorie maximaal twee Zilveren Griffels en maximaal drie Vlag en Wimpels. De Griffeljury 2016 heeft 23 titels voorgedragen aan de directie van de CPNB. Dat het er geen 25 werden komt door het geringe aanbod aan poëzie. Daarin verschilt 2015 niet van voorgaande jaren. Vooral in de categorieën vanaf negen jaar en informatief was het aanbod groot. Bij informatief was het effect van Kinderboekenweek 2015 merkbaar, met het thema Raar maar waar, over natuur, wetenschap en techniek. Toch droeg de Griffeljury in deze categorie niet alleen titels op dit terrein voor. Volgens het reglement van de Griffels en Vlag en Wimpels gaat de CPNB bij het criterium voor bekroningen in de eerste plaats uit van de kwaliteit van de tekst, waarbij in de daartoe aanleiding gevende gevallen eveneens dient te worden gelet op de eenheid van tekst en illustraties. De jury heeft zich daar keurig aan gehouden: compositie, stijl, karakterontwikkeling – het kwam allemaal voorbij. Helderheid bij informatief. Zeggingskracht bij poëzie.

Bij de categorie tot zes jaar werd de jury overrompeld door de creativiteit waarmee woord en beeld samen een verhaal kunnen vertellen, maar ook hoe het zonder plaatjes kan. Illustraties bleken ook in de categorieën informatief en poëzie een bijzondere rol te spelen. Expressiemiddelen versterken elkaar of lopen in elkaar over. Informatief begint een spannende relatie met poëzie. Aan traditionele genre-indeling wordt gemorreld, daarin verschilt kinderliteratuur niet van die voor volwassenen. Het heeft schitterende resultaten tot gevolg.

Tal van thema’s en onderwerpen passeerden de revue. Gescheiden ouders, gekwelde tieners, ouders die zo hard werken dat ze hun kinderen verwaarlozen, bange kleuters, stoere kleuters. Heel veel dieren: kikkers, walvissen, beren, hazen, konijnen en apen. Wilde dieren en dieren in dierentuinen. Mythische dieren en raadseldieren. En ook heel veel opa’s. Zij staan in de startblokken voor de Kinderboekenweek 2016.

De Griffeljury



Gouden Griffel

  • Anna Woltz - Gips

    Fitz (12) zit voor het raam als ze haar vader de straat in ziet fietsen, met zusje Bente achterop. Als de vader zwaait, gaan ze onderuit in de sneeuw. De slee die Bente onder haar arm heeft, snijdt het topje van haar ringvinger af. Ze moeten in allerijl naar het ziekenhuis. Dit is het begin van een dag waarin ontmoetingen en gebeurtenissen elkaar in razende vaart opvolgen. En dat terwijl er nog iets anders speelt. Een week geleden heeft Fitz te horen gekregen dat haar ouders gaan scheiden. Er steken reusachtige scherven recht in haar buik. Als ze moeten wachten op de spoedeisende hulp dwaalt Fitz verder door het ziekenhuis en ontmoet Adam, een knappe jongen van 15 met wie ze in gesprek raakt. Later voegt ook het hartpatiëntje Primula, die een romantisch plan heeft voor een dokter en een verpleegster, zich bij hen. Als haar moeder belt om terug te komen verzint Fitz dat ze haar arm gebroken heeft. Wil ze straks niet als leugenaar terugkomen, moeten ze gips stelen. Fitz weet hoe gipsen gaat, ze instrueert Adam. ‘Een gezin dat echt heel nodig in het gips moet,’ flitst door haar heen. Het is een echo van wat ze zich die ochtend plotseling realiseerde: dat ze niet meer bij elkaar horen. Onder invloed van de ontmoetingen vindt er een kentering plaats. Adam blijkt in het ziekenhuis te zijn omdat daar zijn veel te vroeg geboren broertje ligt. De dokter vertelt hoe belangrijk liefde voor mensen is, ook voor heel kleine baby’s. Wetenschappelijk bewezen. Als Fitz de piepkleine Benjamin ziet, begrijpt ze het cynisme niet waarmee Adam over hem spreekt. Adam op zijn beurt is hard over Fitz. Dat Fitz denkt dat haar moeder gaat scheiden om van haar af te zijn, vindt hij ronduit dom. Fitz gaat de situatie anders bekijken. We zien het in de scènes, we merken het aan haar gedachten.

    Door Adam en Primula gaat ze in ieder geval weer in liefde geloven, al is die misschien tijdelijk. Gips kent een eenheid van tijd en plaats en een veelheid van handelingen en gedachten. Het boek is in de ik-vorm geschreven, in de tegenwoordige tijd. Heel direct lezen we, in flonkerende afwisseling, wat er gebeurt en wat Fitz voelt en denkt. Knap beschrijft Woltz haar ontwikkeling en de met elkaar botsende gevoelens meesterlijk. Fitz’ taal wordt geleidelijk minder sarcastisch, maar blijft raak en puntig. Gelukkig maar, want dit brengt superieure humor in het boek. Haar stijl maakt het Woltz mogelijk dit rijke verhaal in slechts 166 bladzijden te vertellen. Virtuoos verbindt en vervlecht ze verhaallijnen. Haar beeldende taal heeft geen nadere uitleg nodig. Alles heeft een functie.

    Woltz heeft een geraffineerde manier om informatie te introduceren en te doseren. Sommige dingen zijn raadselachtig en worden pas later duidelijk. Ze stuwen het verhaal voort. Waarom heeft Fitz een tijgermasker op als ze naar het ziekenhuis gaat? Wie is Benjamin? Maar nergens is het boek overgeconstrueerd, integendeel: het is zeer toegankelijk. Handig maakt Woltz in deze ziekenhuiscontext gebruik van fysieke en medische metaforen. Overtuigend is de verwerking van medische informatie, mooi de tegenstelling tussen het klinische van het ziekenhuis en de hitte van de gebeurtenissen.

    Gips kent een eenheid van tijd en plaats en een veelheid van handelingen, dialoog en gedachten, een veelheid die Woltz magistraal tot verhaal smeedt. Virtuoos verbindt ze de verhaallijnen. Geraffineerd introduceert en doseert ze de informatie. Sommige dingen zijn raadselachtig en worden pas later duidelijk.

    Woltz beeldende taal heeft geen nadere uitleg nodig. Maar nergens is het boek overgeconstrueerd, integendeel: het is zeer toegankelijk. Dit overrompelende boek over een cruciale dag uit het leven van een tiener dat in trefzekere stijl vaart aan diepgang paart, verdient de Gouden Griffel 2016

    Details:
    Categorie vanaf negen jaar.



Zilveren Griffel

  • Joukje Akveld - Een aap op de wc

    Rapport Joukje Akveld:
    In het voorjaar van 1940 staat alles klaar voor de verhuizing van de Rotterdamse Diergaarde vlak bij het Centraal Station naar een nieuw terrein in Blijdorp-polder. De oude diergaarde zal worden gesloopt. Maar alles loopt anders. Op 10 mei vallen de Duitsers Nederland binnen en op 12 mei vallen de eerste bommen op Rotterdam. Achttien bommen vallen op de dierentuin. Tientallen dieren komen om, andere zijn er zo slecht aan toe dat ze moeten worden afgemaakt. Tijd om de dode dieren te begraven is er niet. Bij het bombardement op 14 mei vallen de bommen buiten de dierentuin, maar de helse brand die volgt, bereikt de dierentuin wel. Oppassers openen de staldeuren en jagen de dieren naar buiten. De volgende dag worden ze op de raarste plaatsen teruggevonden.

    De bladzijden waarop Joukje Akveld dit deel van haar boek schrijft, zijn grijs. Het zijn de ergste dagen: 10-15 mei 1940. Hier vertelt ze het verhaal van de oorlog en wat er in Nederland en Rotterdam gebeurde, maar telkens zoomt Akveld – Ondertussen in de dierentuin – in op de dierentuin. Verspreid op witte pagina’s staan de verhalen van individuele dieren. Zij zijn de hoofdpersonen in Akvelds boek. Op die bladzijden vinden we de gruwelijke details van de oorlog, zoals de roofdieren die uit voorzorg werden doodgeschoten en de apen die stikten in hun hok. Andere apen werden opgevangen, sommige in een leegstaand café op de wc.

    Akveld beschrijft veel meer dan deze dramatische dagen. Groene bladzijden (Ervoor) gaan over het ontstaan en de groei van Diergaarde Rotterdam en de redenen voor verhuizing; beige bladzijden (Erna) over wat er vanaf 15 mei 1940 gebeurde, zoals de toch al geplande verhuizing die nu versneld moest gebeuren en het probleem hoe in de oorlog aan materialen en eten te komen. Hoe kreeg de dierentuin nieuwe dieren en hoe kwamen dieren die te veel waren in andere dierentuinen? Ook in de groene en beige secties van het boek staan op witte bladzijden verhalen van individuele dieren, met prachtige illustraties van Martijn van der Linden. Extra uitleg staat soms in de kantlijn. De geschiedenis van de dierentuin in oorlogstijd is verbluffend.

    ‘Oorlog is een mensenzaak, maar wel een die de dieren raakt’, zoveel is duidelijk. Ook verbluffend is het is dat Akveld de vele informatie tot een helder en soepel lopend verhaal heeft kunnen verwerken. Enerzijds komt het door de razendknappe compositie van dit boek. Anderzijds door haar prachtig natuurlijke verteltrant, met bijna terloopse uitleg van dingen waar je vragen over zou kunnen hebben. Het maakt van Een aap op de wc jeugd literaire non-fictie op zijn best. In het nawoord legt Akveld helder uit hoe zij voor haar boek gebruik maakte van bibliotheken en archieven, en een enkele keer van haar verbeelding.


    Details:
    Categorie Informatief.



  • Imme Dros - Tijs en de eenhoorn

    Rapport Imme Dros:
    Tijs is met zijn ouders en broertjes naar een huis in het bos verhuisd, maar als zij het over ‘ons huis’ hebben, denkt hij aan het vorige huis, aan zee. Na twee weken loopt hij weg, met zijn beer en tekenspullen onder zijn arm naar het oude huis. Er is nog iemand aan het dolen: de eenhoorn. Hij, die weet dat hij niet bestaat en nergens bij hoort, zoekt iets. Ergens. De paden van Tijs en de eenhoorn kruisen elkaar op de kerktoren in een grote stad. De eenhoorn begint een gesprek en is heel blij dat Tijs hem kan horen én zien. Helemaal gelukkig is hij dat Tijs weet wie hij is. Ook voor Tijs is het een fijne verrassing. Hij had een eenhoorn op zijn verjaardag gevraagd, maar zijn ouders zeiden dat eenhoorns niet bestaan. Hij had wel eenhoorns getekend, dat zien we op de tekeningen van Harrie Geelen eerder in het boek: ze lijken verdacht veel op de eenhoorn die hij nu heeft ontmoet en die bij hem wil horen.

    Samen gaan ze op zoek naar de zee. Hun tocht leidt tot prachtige bespiegelingen. Op straat in de stad zien de andere mensen ook Tijs niet. Bestaat híj wel? Gelukkig ziet hij zichzelf in een etalageruit naast de eenhoorn lopen. Maar de eenhoorn ziet zichzelf daar niet. Tijs tekent de eenhoorn, een keer klein en een keer groot. Nog niet zo gelijkend als op de tegel van mama, maar toch: een bewijs van bestaan. En een voorafspiegeling van wat de eenhoorn blijkt te kunnen: moeiteloos van formaat veranderen. Het wordt donker, ze vinden de weg naar zee niet en Tijs moet huilen. De eenhoorn troost hem. Ze horen bij elkaar in voor- en tegenspoed. Tijs wil naar huis en begint het voordeel van het nieuwe huis te beseffen: hij heeft er een kamer met plaats genoeg voor een eenhoorn. Als de politie Tijs vindt en naar huis brengt, is dat het nieuwe huis. De eenhoorn, in kleine variant mee in de auto, sputtert nog even: ‘Daar wou je nou juist niet heen!’ Maar voor Tijs is het duidelijk dat dit hun huis is, het veilige huis van zijn familie. Hij wijst de eenhoorn op de tegel in de gang aan: het ultieme bewijs van diens bestaan. De lezer weet op dat moment hoe Tijs aan al die eenhoornkennis komt.

    Terecht staat de tekening van die tegel al op de titelpagina – want met die tegel moet alles zijn begonnen. De gelukkige thuiskomst maakt het verhaal tot een mooie ronde vertelling over missen, accepteren en verdergaan. Het is ook een fijnzinnig verhaal over vragen als ‘Kun je iets wat niet bestaat zien? Als je iets tekent, bestaat het dan? Ben je pas iemand als je door anderen wordt gezien?’ Metrum, alliteraties en herhalingen maken Tijs en de eenhoorn tot een geweldig voorleesboek. Ook zonder de tekeningen staat de tekst als een huis, maar deze maken het boek wel tot een bijzonder geheel. Ze ondersteunen de sfeer en dynamiek: zie hoe de ingekaderde tekeningen overgaan in spreads als Tijs verdrietig is en terug naar huis wil. Vooral vertellen ze het verhaal vanuit Tijs’ gedachtewereld, want alleen hij ziet de eenhoorn.


    Details:
    Illustraties: Harrie Geelen.
    Categorie tot zes jaar.



  • Hans Hagen - Nooit denk ik aan niets

    Rapport Hans Hagen:
    ik denk nooit aan niets
    want als ik dat probeer
    denk ik stiekem toch aan iets


    De illustratie bij het gedicht – het eerste uit de bundel – waarin deze strofe staat, laat zien wat er allemaal omgaat in het hoofd van een jongetje. Verbazing, verwondering, herinnering, gevoelens.

    Over de kat, de beer, een zwaan, een zweefmolen, een vliegtuig, groeien en nog meer. Teer getekend door Charlotte Dematons staan ze in een gedachtestroom boven zijn hoofd. Verder in de bundel zullen we dit allemaal tegenkomen. Sommige dingen zijn voor kinderen vanaf een jaar of vijf duidelijk. Warm en koud, zoet en zout, lief en stout, goed en fout: dat alles weten ze wel. Maar wat is nul, nooit en nergens? Dat is mooi verwerkt in het openingsgedicht Ooit nooit niets. Het jongetje kijkt naar boven. Op de volgende bladzijde zijn we in de lucht. Daar vliegen meeuwen en vliegtuigen.

    Ben je zo geboren/ of kom je uit een ei, zouden de meeuwen dat denken over die grote lawaaiige vreemde vogels? Verwondering en verbazing, vragen en denken zijn de thema’s van een aantal van de gedichten. Wat bijvoorbeeld is altijd? In het gedicht met die titel wordt vorderend begrip adequaat en geestig verwoord: altijd bestaat niet zegt opa/ maar we hebben nog zeeën /wat zullen we doen/ met die tijd voor ons tweeën. Het prachtige gedichtenpaar Waar (over de hemel) en God bestaat uit slechts vragen. Dan zijn er ook gedichten over verliefdheid en verlegenheid. Hallo: niet weten wat je moet zeggen als je gebeld wordt. Het is gemakkelijker als je elkaar ziet. Ik zie is bijna visuele poëzie: het jongetje en het meisje uit de bundel lopen in een graanveld en maken niet een graancirkel, maar een graanhart dat de twee liefdesliedjes gaat omsluiten. Er is meer visuele poëzie. Groter is een lang en smal gedicht over bijna de hele lengte van de pagina en even lang als de jongen op de tekening: elke week groei ik/ een streepje/ hoger op de muur/ ik streep/ ik streep me groot. Het gedicht De zweef is helemaal in de vorm van een zweefmolen geschreven. Daar waar de zweefmolen het hardst draait, maken de woorden de sensatie van duizeling voelbaar. Op de grond gekomen draait je hoofd nog steeds. Bang, Boos en Blij is een drieluik over gevoelens. Boos springt het meest in het oog. Het is een knetterend gedicht: rode knetter dynamiet/ takkenbijter kakkepiet/ stekkert kukert slakkensop. Hoe verzin je jezelf dan weer blij als je zo boos bent?

    Sommige gedichten hebben iets magisch of geheimzinnigs. Er klinken echo’s van oude speel-, volks- en bezweringsliedjes in door: klets klas klandere; bramenbloed en avondrood; zwanenzang en maneschijn; hocus pocus icarus. Die gedichten hebben een strakker metrum, en eindrijm. Andere gedichten maken meer gebruik van alliteratie en assonantie. De variatie aan onderwerpen, sfeer en poëtische vorm maken Nooit denk ik aan niets tot een schitterende bundel.

    Door het kinderlijk perspectief van verwondering is het ook een hechte bundel. De illustraties met het jongetje en het meisje dragen eveneens sterk bij aan de samenhang. Bijzonder is de interactie tussen de gedichten en de illustraties. De illustraties laten meer van de kat en de beer zien en zelfs van de rups en de knikkers dan in de desbetreffende gedichten wordt gezegd. Nooit denk ik aan niets is een bundel om tot de allerlaatste bladzijde te lezen en te bekijken.


    Details:
    Co-auteur: Monique Hagen
    Illustraties: Charlotte Dematons
    Categorie Poëzie



  • Joke van Leeuwen - Mooi boek

    Rapport Joke van Leeuwen:
    Letters die bakkeleien over hun plaats in een rijtje. Ze willen een woord vormen, maar betekent het wel iets? Zo niet: omdraaien! Te kort? Daar komt nog een O aan, wat zijn we dan? Het kan nog lekkerder: ROOM! Maar wat als er een D aankomt, waar zetten we die? MOORD willen we niet maken, maar schuif eens op, draai eens om… wat een mooi woord zijn we nu, zeggen de letters met de ogen dicht. Zo gaat het er ongeveer aan toe in een van de strips uit Mooi boek. Mooi dat er letters zijn om een woord van te maken, zo begint dit boek in een gedicht dat ook grafisch laat zien dat je dat eindeloos kunt doen. Het tweede gedicht vertelt op dezelfde manier hoe mooi het is dat er woorden zijn om een zin van te maken. En nog een zin. Dat doet Joke van Leeuwen vervolgens in deze bijzondere bundel. Dat woorden en zinnen tot mooie resultaten kunnen leiden, bewijzen haar dierenverhalen en de gedichten, zoals Maan en aarde, waarin ze het bestaan uitlegt. Maar Van Leeuwen houdt het niet bij letters en woorden. Ze voegt beeld toe aan het palet en dan begint het grote mengen.

    Dat leidt tot een bundel met verhalen, strips, gedichten, raadsels, visuele poëzie, beeldwoorden, brieven met verborgen antwoorden, een Letterbuurt en heel veel ABC’s. Zo is er een lenig ABC, waarin kinderen met hun lichamen een letter vormen (de T kun je in je eentje vormen, voor de M heb je vier kinderen nodig) en een monstertjes-ABC. Het toevallig-ABC laat foto’s zien van uiteenlopende dingen die op letters lijken. In de strip Vurkie en Lepeltjie die verspreid door het hele boek staat, is een dosis onwrikbare kinderlogica verwerkt die je doet lachen en nadenken. Een verhaal waarin a, i, o, u en ij ontbreken, is knap gedaan en menig kind zal popelen om zelf ook zoiets te proberen. Mooi boek is een aanstekelijk boek voor beginnende lezers en meer gevorderde lezers, want het blijft lang mooi. Mooi dat er woorden zijn om zinnen van te maken. Mooi dat er zinnen zijn om boeken van te maken. Mooi dat Joke van Leeuwen er is om een speels en origineel kijk- en leesboek te maken.


    Details:
    Categorie vanaf zes jaar.



  • Ted van Lieshout - Rond vierkant vierkant rond

    Rapport Ted van Lieshout:
    Ted van Lieshout wilde een sonet - het toppunt van deftigheid - schrijven en deed het met alleen de woorden rond, vierkant, driehoek, ovaal, rechthoek en ruit. Eén woord per regel. Het lukte. Wat je kunt lezen, kun je ook laten zien, bedacht hij. Hij verving de woorden door de geometrische figuren en ineens was daar het beeldsonnet. Twee kwatrijnen, twee terzetten. Klaar, dacht hij, maar toen begon het pas. Dat ziet de lezer. Vervang de vierkanten en andere figuren door voorwerpen en je hebt pagina’s met sonnetten van voorwerpen. Schelpen, bonen, kaasblokjes, kurken, bloemen, wattenstaafjes en nog heel veel meer. Beeldsonnetten van overrompelende schoonheid, die Van Lieshout de afgelopen jaren maakte. Beeldsonnetten kun je, afhankelijk van de voorwerpen, wel of niet laten rijmen en je kunt ze - blijkt later - ook nog ritmisch maken. Je kunt ze ook groeperen. Zo zijn er feest-, rondjes- en vakantiesonnetten. Die laatste categorie bestaat uit schelpen van vijf verschillende stranden. Poëzie is vorm. Ted van Lieshout pepert het ons in, soms zelfs met rode pepers. Maar poëzie is ook spelen met taal en taal is toveren. Het begint al voor je geboorte, als je ouders een naam kiezen. Ze wikken en wegen en dat doen dichters ook. Waarover dan, en hoe precies? Aan de hand van een fietstocht langs het raam van een prostituee en een zin die in zijn hoofd blijft hangen, laat Van Lieshout vijf bladzijden lang heel precies zien hoe hij te werk gaat als hij van die eerste zin een sonnet wil maken. Meekijkend over zijn schouder leer je over hikjes in het ritme, klinkerrijm, rijmdwang en over gepaard, gekruist en omarmend rijm. Het sonnet over de dame voor het raam komt er.

    Er is nog iets essentiëlers te vertellen over gedichten. Schrijvers willen dat je zo opgaat in het verhaal, dat je haast vergeet dat je woorden aan het lezen bent. Dichters daarentegen willen dat je de woorden proeft alsof je ze nooit eerder gezien hebt. Ze willen dat je stilstaat bij de woorden. Van Lieshout demonstreert het verschil tussen verhaal, gedicht en blokgedicht aan de hand van één gegeven: een fiets in een schuur. Dichters doen er alles aan om geen platgetreden taal te gebruiken. Ze willen zo persoonlijk mogelijk schrijven. Daar past vaak geen rijm bij. Nietszeggende zinnen terugbrengen tot interessante, dat is voor Van Lieshout de essentie van poëzie.

    Van Lieshout geeft deze ‘leergang poëzie’ op nuchter-opgewekte toon. Hij legt helder uit. Zijn demonstratiemateriaal is van hoge kwaliteit. Naast deze leergang bevat het boek de al genoemde beeldsonnetten, maar ook gewone gedichten en blokgedichten. Van Lieshout bedacht het genre van de blokgedichten zelf, een aantal jaren geleden. Een blokgedicht lijkt op een verhaal, maar de vorm moet rechthoekig of vierkant zijn. Een blokgedicht kan zomaar midden in het verhaal beginnen en eindigen. In Rond vierkant vierkant rond zijn er elf opgenomen, intrigerende teksten door de registrerende stijl en de soms absurdistische elementen. Er zijn prachtige verbanden te ontdekken, door inhoud of kleur. De verschillende tekstsoorten en beeldende expressievormen werpen nieuw licht op elkaar. Rond vierkant vierkant rond is een bijzonder boek over de zeggingskracht van taal en beeld.


    Details:
    Categorie Poëzie



  • Daan Remmerts de Vries - Groter dan de lucht, erger dan de zon

    Rapport Daan Remmerts de Vries:
    In Groter dan de lucht, erger dan de zon schildert Daan Remmerts de Vries een portret van een jongen die het moeilijk vindt om onder de mensen te zijn. Hij is overgevoelig voor geluiden. Elmer haat groepen en hij haat school. Uit zelfbescherming doet hij zijn best om ergens bij te horen, maar veel pakt verkeerd uit. De wraak die hij neemt op klasgenoten die hem wat hebben aangedaan is niet mis en hij moet met zijn ouders bij het schoolhoofd komen. Na een verhuizing lijkt het op de nieuwe school beter te gaan, maar ook daar ontstaan problemen. Niet alleen geluiden storen Elmer steeds heviger, maar ook licht en geuren. Hij ziet verborgen boodschappen in schoolboeken, denkt dat hij bespied wordt en wordt extreem wantrouwend. Aangemoedigd door Lomax, een stem die hij voor het eerst hoort tijdens een zomerkamp op Vlieland, neemt hij weer wraak op klasgenoten. Maar hij wordt gesnapt en van school geschorst wegens herhaaldelijk asociaal gedrag. Elmer weet nu zeker dat hij slecht is. De ouders van Elmer drukken hem telkens weer op het hart dat hij naar hen moet komen als er wat is. Leraren zeggen hetzelfde, maar als Elmer bij hen aanklopt, doen ze niets. Aanvankelijk geeft Lomax Elmer een gevoel van durf, later zijn het zijn influisteringen die Elmer in problemen brengen. Wat moet je doen als je gepest wordt? Tweestrijd ontstaat. Meesterlijk beschrijft Remmerts de Vries de gemengde gevoelens en de verschillen tussen zeggen en voelen. De ik-vorm stelt de auteur in staat Elmers binnenwereld intens te beschrijven.

    In het middelste deel worden de gebeurtenissen chronologisch (met flashbacks) verteld. Het eerste deel gaat over het zomerkamp. Elmer ontdekte er dat leugens lonen, het begin van wat hij zijn gestoordheden noemt. De ontmoeting met Lomax vond hier plaats. In het laatste deel keert Elmer met zijn moeder terug naar Vlieland. Vlieland is de plaats van het zomerkamp met de schreeuwende kinderen maar ook een plaats van rust. Uiteindelijk is dit ook de plaats waar hij, door de ontmoeting met de jonge strandjutter Arri, zijn angsten van zich af kan zetten. Arri leert hem lekker bezig te zijn (‘dan heb je ook geen tijd voor zware gedachten’) en dat vragen stellen niet altijd zin heeft. Vragen zijn vaak al antwoorden. En hij leert nog meer van Arri: de levensles die hij prominent op de eerste bladzijde van het boek meedeelt. In deze mooie ronde compositie worden de gebeurtenissen afgewisseld met Elmers gedachten en gevoelens over bijvoorbeeld vrijheid, anders zijn en onderwijs. Ook volg je de reflectie van Elmer op zijn eigen daden.

    Subtiel en overtuigend beschrijft Remmerts de Vries hoe Elmer verandert van een jongen in wiens hoofd het roezemoest (en bij wie is dat niet het geval?) tot een jongen die afgezonderd wordt, zichzelf afzondert, zich in zichzelf opsluit, maar toch uit het diepe dal weet te kruipen. Subtiel, maar wel vaak in ferme tienertaal. De eigen toon die dat oplevert, maakt Groter dan de lucht, erger dan de zon tot een indrukwekkend boek.


    Details:
    Categorie vanaf negen jaar.



  • Toon Tellegen - De tuin van de walvis

    Rapport Toon Tellegen:
    De walvis woont midden in de oceaan. ’s Nachts ligt hij vaak op zijn rug en fantaseert dat de hemel de tuin van de maan is waar de sterren op bezoek zijn. Hij zou zelf wel een tuintje willen hebben met een bank, om behaaglijk op achterover te leunen. Een fontein heeft hij al. Per brief bestelt hij een tuin met een bank bij de sprinkhaan. Na een lange tocht arriveert deze met een volle boot bij de walvis. Eerst plaatst hij een bank op diens nek, vlakbij de fontein. Dan begint hij met de tuin. Vanaf nu mag de walvis niet meer opspringen. De sprinkhaan heeft alles bij zich om een weelderige tuin aan te leggen en te onderhouden. Er groeien zelfs appel- en perenbomen in. Als de walvis zijn gasten op een appel wil trakteren, hoeft hij alleen maar zachtjes met zijn hoofd te schudden. Nu kan de visite komen. De bezoekers bewonderen de tuin en de walvis geniet van het bezoek. Maar er komen scheurtjes in het geluk. De walvis mag niet hard lachen, want dan schudt alles van zijn rug. Hij kan ook niet op zijn rug liggen om naar de sterren en de maan te kijken. Als het nijlpaard en de neushoorn samen op het bankje gaan zitten, breekt de rugleuning en als ze gaan dansen, bezorgt dat de walvis rugpijn. Als later het vuurvliegje aanbiedt ’s nachts voor het licht in de tuin te zorgen, wijst de walvis dat af. Hij heeft al licht van de maan en de sterren. Wanneer hij zich realiseert dat hij de enige is die niet van zijn tuin kan genieten, maakt hij een woeste sprong de lucht in. De tuin spoelt van zijn rug af, maar hij vindt het niet erg. Hij heeft zijn fontein nog. En hij kan weer uit het water springen en de diepte in duiken. Dat moet.

    Prachtig bouwt Toon Tellegen dit verhaal op: de sterrenhemel is het voorbeeld van een tuin. Een droom over een gezellig, maar glibberig bezoek van de eekhoorn is het laatste zetje voor de bestelling bij de sprinkhaan. De wens van de walvis is bescheiden. Maar de bank met de tuin staan voor meer, want wat hem óók aantrekt in het voorbeeld van de sterrenhemel, is het feest dat daar aan de gang lijkt: de maan die bij iedereen langskomt om een praatje te maken. Die aanspraak is er volop als de tuin klaar is. Er is ook altijd zo veel om te zeggen, zei hij eerder, toen de sprinkhaan hem veelzeggend noemde en niet veeleisend vond. Maar hoe meer zijn droom werkelijkheid wordt, hoe meer praktische problemen er ontstaan en hoe meer hij beknot wordt in wat hij echt graag doet. Een ervaring rijker geniet hij uiteindelijk extra van zijn fontein.

    Tellegen beschrijft dit proces subtiel, in schitterende zinnen. Als lezer vraag je je op de eerste bladzijde al af in welke bochten de walvis zich moet wringen om op een bankje bij zijn fontein te gaan zitten. In de loop van het verhaal stelt de walvis zelf zich dit soort vragen ook. Hoe moet hij bijvoorbeeld schoffelen? Kan hij zijn eigen tuin wel zien? De sprinkhaan biedt telkens hulp. Maar de twijfels slaan toe, de gedachten van de walvis gaan steeds aan en uit, schrijft hij het vuurvliegje. De tuin van de walvis is een verhaal van zachtmoedigheid. De walvis denkt aan anderen en klaagt niet, ook niet als zijn rug pijn doet van de dansende dieren. Hij is zachtaardig, genereus en gastvrij, een dier om van te houden. Tellegen heeft hem schitterend getypeerd.


    Details:
    Categorie vanaf zes jaar.



  • Tjibbe Veldkamp - Kom uit die kraan!!

    Rapport Tjibbe Veldkamp:
    Bart houdt ervan om bij de bouw te kijken: naar de wals, de cementmolen en de hijskraan. Als de bouwvakkers gaan schaften, let hij op of er niemand op de bouwplaats komt. Als dat gebeurt, moet Bart de politie bellen, zo hebben de bouwvakkers hem op het hart gedrukt. Hoe oud zou Bart zijn? Een jaar of vijf? Is dat niet wachten op moeilijkheden? Die blijven inderdaad niet uit. Grote jongens dagen hem uit: hij durft vast niet het terrein op, zijzelf wel. Bart trapt erin en zegt iets doms: ‘Ik ga de bouw op. Maar dan moeten jullie de politie bellen.’ Want hadden de bouwvakkers hem dat laatste niet opgedragen? Dan kruipt hij onder het hek door de bouwplaats op. Hij klimt in de wals, plet het hek en een auto, gaat in de cementwagen en stort beton op straat, klimt in de hijskraan en tilt de inmiddels gearriveerde politieauto op. Een ravage dus. Maar kijk, kijk om je heen lezer. Dat heeft de kleine hoofdpersoon ook gedaan. We zien het op de tekeningen (schitterende spreads in verf van Alice Hoogstad). Die vertellen nog een ander verhaal in dit geweldige prentenboek waarin alles anders is dan het op het eerste gezicht lijkt.

    Als we uitzoomen van de plaats des onheils zien we wat er gebeurt. En op het eind horen we ook hoe het echt zit. Het werpt een heel ander licht op Bart. Hij is niet het onnadenkende jongetje waarvoor we hem hielden, maar een behoorlijk coole gast.

    Tjibbe Veldkamp en Alice Hoogstad spelen een geraffineerd spel met zeggen, tonen en verzwijgen in dit spannende en grappige verhaal. Als je de verrassing van het verhaal kent, ben je nog lang niet uitgelezen. Integendeel: Kom uit die kraan!! leent zich bij uitstek voor terugbladeren en opnieuw lezen en kijken. Iedere keer ontdek je nieuwe dingen. Zie bijvoorbeeld hoe beteuterd de grote jongens kijken aan het eind, of de agenten als ze door hebben wat er is gebeurd. In levendige taal, met veel dialoog, uitroepen en herhalingen tekent Tjibbe Veldkamp de gebeurtenissen op – een boek dat zich dus heerlijk laat voorlezen.


    Details:
    Illustraties: Alice Hoogstad
    Categorie tot zes jaar.



  • Edward van de Vendel - Stem op de okapi

    Rapport Edward van de Vendel:
    Al op de eerste bladzijde worden we het oerwoud in gelokt. De mist slaat ons tegemoet. We moeten opletten, want dit wordt onze eerste keer. Iets zegt ons dat we heel stil moeten zijn. En dan zien we hem. De okapi. Gelukkig dat Edward van de Vendel er is om ons op alle bijzonderheden te wijzen. Heel direct, in de jij-vorm, spreekt Edward van de Vendel de lezer aan en niet alleen dat, hij anticipeert ook op vragen en reacties van de lezer. ‘Wat een dier waahaa!’ Dan begint het Grote Kijken, naar het geheel en naar de details. Heel precies, zoals Herman Gorter dat in het gedicht Zie je ik hou van je deed: ‘En je neus en je mond en je haar/ en je oogen waar/ je kraagje zit en je oor/ met je haar er voor.’ Heel precies wordt alles beschreven. Van de Vendels zinnen dwingen om te kijken, en gelukkig zijn daar de schitterende tekeningen van Martijn van der Linden. Hij zoomt in op de billenvlammen en de slingertong en Edward van de Vendel vertelt waarom okapi’s die hebben.

    Okapi’s hebben ook lepelkousen (sommige hebben zelfs witte kniespatten), vaasjesoren, kalkwangen, glaskogelogen, tiktikhoeven en een koningsvacht. Goed kijken en woorden zoeken voor wat je ziet, leidt tot pure poëzie. Prachtig gaat Van de Vendel over naar geluiden. Als je een hele tijd naar de okapi hebt staan kijken, is het stil geworden om je heen. Want je hebt wel gekeken, maar je hebt niets gehoord. Okapi’s maken nauwelijks geluid. Het zijn stille dieren. Na Deel één weten we heel veel over de okapi. Samengevat: De okapi kan zich verstoppen in het licht én hij kan zich verstoppen in de stilte. Dan is de lezer helemaal verkocht. Hij wil nu alles weten van dit schuwe, angstige en deftige dier. Maar eerst mag Martijn van der Linden ‘los’ in geweldige okapi-impressies. Daarna krijgen we nog veel meer te weten over de okapi. De geschiedenis van zijn ontdekking door Europese en Amerikaanse wetenschappers, okapi’s in het wild en in dierentuinen, stamboekhouderij, voortplanting. Ook leren we uit interviews met okapiverzorgers dat okapi’ s allemaal een verschillend karakter hebben.

    Stem op de okapi bevat heel veel informatie en je wilt het allemaal weten. De informatie wordt afgewisseld met wonderschone gedichten, liedjes en beeldende kunst in het okapimuseum. Net zo intiem als het boek begon, eindigt het. De lezer wordt weer rechtstreeks aangesproken. Misschien heeft die al lezend over de okapi ook aan mensen gedacht die niet schreeuwen en ook niet op de voorgrond willen staan. ‘Okapi-achtige mensen zijn het, schitterend en stil’. Dit boek is een beetje extra voor hen. In visuele poëzie eerder in de bundel ging het daar ook al over: ‘Want je hebt me begrepen,/ okapi, okapi,/ je begreep wat ik schreef:/ Ik ben net zoals jij’.

    Stem op de okapi is op alle fronten een bijzonder boek. De indeling, met zijn hoofdstukken met ouderwetse (maar o zo passende) titels en zijn afwisseling van informatie, tekeningen en gedichten. De samenhang van tekst en beeld. De fijnzinnige grapjes in tekst en beeld. De inkadering in de verkiezing van het lievelingsdier. En vooral door de betoverende toon waarmee de auteur ons de okapiwereld in lokt.


    Details:
    Secundaire auteur: Martijn van der Linden.
    Categorie Informatief.



Vlag & Wimpel

Naar de overzichtspagina

Delen