Jan Campert-prijs 2003

Winnaar

  • Jan Eijkelboom

    J. Eijkelboom ontvangt de Jan Campert-prijs voor zijn dichtbundel Heden voelen mijn voeten zich goed. Gedicht: Dit eiland

    Jury:
    Harry Bekkering
    Yra van Dijk
    Koen Hilberdink
    Aukje Holtrop
    Jos Joosten
    Anton Korteweg
    Janet Luis
    Bart Vervaeck

    Juryrapport
    In Heden voelen mijn voeten zich goed staat Jan Eijkelboom, met die typische Eijkelboom-touch, stil bij de kleine dingen des levens: een theelepeltje, een bes, een merel. En steeds weet hij in dat kleine de grootsheid te ontdekken: de alledaagse werkelijkheid wordt weergegeven in een poëtische transformatie die typerend voor Eijkelboom is. Om het wat deftig te zeggen: de hoge staat van het nietige wordt ons getoond. Zoals in In bessenland:

    In de struiken achter je vroegste huis het opmerkelijk rood van de aalbes.

    Maar meer toch trok het donker van de zwarte bes die niet echt zwart was,

    wel doffer dan het pronte glimmen van die ander, maar met een diepte die trok.

    [...]


    Eijkelboom blijft ook in deze bundel de weemoedige observator, de registrerende passant, die in een eigensoortig parlando herinneringen ophaalt, zoals in het gedicht Dit eiland:

    [...]

    Wel kan men daar gaan staan uitkijken over het eeuwig veranderlijk zichzelf blijvende water,

    ervaren dat tussen benauwenis en ruimtezucht een afgepaald maar onbeklemd domein kan liggen: dit met één dagmars af te ronden

    eiland.


    Maar dit gedicht, dat onmiskenbaar over Eijkelbooms geliefde Dordrecht gaat, welhaast een locus amoenus in zijn oeuvre, is meer dan louter een weemoedige observatie. Het kan óók gelezen worden als een poëticale uitspraak. ‘Dit eiland’ is immers zélf een eilandje van woorden en zo kunnen in de eerste regels ervan, ‘Heden voelen mijn voeten zich goed’, de voeten ook als ‘versvoeten’ gelezen worden. Als een montere uiting van ‘poëtische schrijfzin’ derhalve.

    Niet zonder opzet vielen de woorden ‘weemoed’ en ‘de hoge staat van het nietige’ in dit juryrapport. Eijkelboom plaatst zich heel welbewust in een literaire traditie. Nescio is niet ver weg en in veel van Eijkelbooms gedichten resoneert J.C.Bloem mee. Soms meer impliciet, zoals in ‘Gul geeft het najaarslicht / de grijze pannen van het dak / een tintje zilver mee’, dan weer bijna letterlijk, zoals in het prachtige slotgedicht ‘Non omnis moriar’ over het voortleven van de dichter in taal (‘te bedenken dat lang na je dood / een jonge vrouw een woord van jou / nog op de tong kan nemen’), waarin de Dapperstraat opduikt als ‘een plek van hoge adel’.

    De dingen die voorbijgaan, maar door de kracht van de poëzie niet écht voorbijgaan, dáár gaat deze bundel over. Ons die kracht in Heden voelen mijn voeten zich goed opnieuw te hebben getoond, daarvoor kennen wij Jan Eijkelboom graag de Jan Campert-prijs 2003 toe.

    Dankwoord Jan Eijkelboom
    ‘Ben jij soms een geliefd dichter?,’ vroeg mij eens een dichteres met wie ik op een koude winteravond gedichten voorlas in het verre Terneuzen. Haar toon was quasi-verontrust of bestraffend. Zo van: pas op dat je niet te populair wordt.
    Wat was er dan gebeurd? Er waren van mij in de pauze zo’n twaalf of dertien boekjes verkocht in plaats van de gebruikelijke twee of drie.
    Ik bleef erover nadenken, de volgende ochtend op de - toen nog - veerboot naar Vlissingen. Toen ik, in 1980, debuteerde met Wat blijft komt nooit terug was de in die tijd gebruikelijke poëzie nogal sterk bezig met zichzelf. Er werd veel gedicht over het dichten. Zelf deed ik het anders, niet opzettelijk maar vanzelf, en toch met een zekere aarzeling. In die eerste bundel begint een gedicht bijvoorbeeld als volgt:

    Net als ik op ’t café-toilet
    in de verschoten spiegel kijk
    barst er een bloedrivier
    mijn oogbal binnen.
    Ook wordt het ademen beperkt:
    de refusal is nog aan ’t werk.


    Ik zal u iets pijnlijks vertellen. Ik heb er toen lang over gedacht om in plaats van ‘de refusal’ ‘de weigering’ te schrijven. Waarom? Niet omdat ik het gedicht al te confessioneel vond, maar omdat ik het moeilijker wilde maken. Zo van, laat mij nou ook eens een keer duister zijn.
    Maar zo werkt het natuurlijk niet. Er zijn twee hoofdzonden voor een dichter: je verzen moeilijk maken om de kritiek te gerieven, of ze makkelijker maken om het volk te plezieren.
    Je moet zingen zoals je gebekt bent. En het is al moeilijk genoeg om uit te vinden hoe je bek in elkaar steekt. Waar je tanden zitten, hoe je huig hangt.
    Toch wil je, hoe dan ook, gehoord worden. Marsman, die voor de oorlog het patent op de pathetiek had, schreef Zonder weerklank:

    Volk, ik ga zinken als mijn lied niet klinkt,
    ik moet verdrogen als gij mij niet drinkt.


    En Jan Campert had als ideaal:

    Stem te zijn en anders niet,
    maar zo meeslepend te zingen
    dat elk hart het wonder ziet
    achter mensen, achter dingen.


    Het valt nu op dat deze dichters, die hun verzen toch plachten te schrijven met een vulpen, het over ‘zingen’ hadden. Nu is dat ‘zingen’, het gedicht als ‘lied’, natuurlijk een literaire conventie. Maar als je écht gehoord wilt worden als dichter, dan kun je inderdaad beter gaan zingen. Willem Wilmink was daarvan een lichtend voorbeeld.
    Helaas kan ik geen wijs houden. En ik ben ook eigenlijk al gelukkig met de omstreeks duizend mensen die mijn bundels kopen.
    Toch steun ik van harte de pogingen om een groter publiek bij de poëzie te betrekken, bij zoveel mogelijk mensen het besef te doen dagen dat ze misschien iets prachtigs missen als ze die dunne boekjes laten liggen.
    Onze dichter des vaderlands heeft al veel werk in die richting verzet. Als stadsdichter van Dordrecht probeer ik in zijn voetsporen te treden. Het krijgen van een literaire prijs helpt daarbij. Daarom: hartelijk dank, jury van de Jan Campert-stichting, hartelijk dank, gemeente Den Haag.
    Ik had nu willen eindigen met mijn gedicht Non omnis moriar uit die prachtige opschepperige ode van Horatius, waarin hij alvast stelt dat zijn werk ‘aere perennius’, ‘duurzamer dan brons’ is. Maar ik hoorde dat de jury dat gedicht al heeft gebruikt in zijn rapport. Hartelijk dank, ook daarvoor.

Naar de overzichtspagina

Delen