Libris Literatuur Prijs 2006

Ga direct naar

Details:

Aantal inzendingen: 157 titels
Prijzengeld: 65.000
Winnaar: 50.000 euro
Genomineerden: ieder 2.500
Plaats en datum uitreiking: Amsterdam, Amstel Hotel, 8 mei 2006

Rapport:

Voor de twintigste keer heeft een vijfkoppige jury zich gebogen over het aanbod van verhalend proza uit het Nederlandse taalgebied, met als doel de uitreiking van de Libris Literatuur Prijs 2006. De jury heeft zich daarbij gehouden aan het reglement zoals dat door het bestuur van de Stichting Literatuur Prijs is opgesteld en waar nodig die regels geïnterpreteerd. Met name over de grens tussen fictie en non-fictie kon worden gediscussieerd - en dat is dan ook volop gebeurd.

De regels waren eenduidig waar het gaat om mededinging van inmiddels overleden auteurs, maar de jury hecht eraan, haar waardering uit te spreken voor de kwaliteit van het werk van Henk van Woerden, wiens boek Ultramarijn nog bij zijn leven door de uitgever werd ingestuurd, en van dat van Louis Ferron, die eveneens in 2005 overleed en niet door zijn uitgever voor bekroning werd voorgedragen.

Uiteindelijk kwamen uit de lijst van ingezonden boeken 157 titels voor beoordeling in aanmerking. Daaruit werden er achttien geselecteerd voor de longlist die op 30 januari is gepubliceerd. De vijf juryleden hebben zeer verschillende achtergronden en ook hun smaak loopt soms sterk uiteen. Maar tijdens de gesprekken over de oogst van 2005 ontwikkelden zich toch gaandeweg criteria die wellicht niet spijkerhard zijn ¿ dan zou het debat erover niet zinvol zijn ¿ maar die, zeker in samenhang beschouwd, toch een gezamenlijk karakter kregen.

Zo vindt de jury het een aanbeveling wanneer boeken zowel een maatschappelijke lading hebben als een literair avontuur behelzen, wanneer ze geen bevestiging vormen van het bestaande in een streven naar herkenning bij de lezer, wanneer ze verbeeldingskracht verraden en verontrusting teweegbrengen, wanneer ze intelligentie tonen en de lezer niet onderschatten. Nogmaals: niet ieder boek hoeft aan elk van deze criteria te voldoen en verschillende leden van de jury hebben verschillende titels volgens deze maatstaven anders gewogen. Uiteindelijk moet een boek op eigen kracht overtuigen en schept ieder meesterwerk zijn eigen regels. Het zijn maar woorden waarin wij ons oordeel gieten. In goede literatuur krijgen de woorden vleugels en die bevleugelde verhalen hebben wij geprobeerd te selecteren.

In de loop van dat proces heeft de jury de indruk gekregen dat jonge Vlaamse auteurs relatief vaker de uitdaging aangaan van zo¿n literair avontuur, van een zoektocht naar nieuwe vormen en gedachten, dan hun Nederlandse collega¿s. Wij hebben met een momentopname te maken, de selectie van één jaar, en al te stevige conclusies mag men daar niet uit trekken. Maar speculeren mag. Dat scherpt de gedachten. Voelen Vlaamse auteurs zich soms minder ingeperkt door een klimaat dat vraagt om verkoopbare formuleboeken, een manier van werken waarbij marketing al aan het begin van het redactionele proces ter uitgeverij een belangrijke rol speelt?

Of heeft de kwaliteit van auteurs uit de Zuidelijke Nederlanden wellicht te maken met het onderwijs ¿ zowel dat van de schrijvers als van hun publiek? Intelligentie kan worden gevormd en uitgebreid met ervaring, vaardigheid en kennis. Onderwijs hoort de instrumenten aan te reiken om ook een moeilijke tekst te begrijpen en te waarderen. Of om zo¿n tekst te schrijven zonder het gevoel te hebben dat men daarmee boven zijn macht reikt en zich belachelijk maakt. Of dit nu te danken is aan het Vlaamse (literatuur)onderwijs kan de jury niet beoordelen, maar zeker is dat de Vlaamse schrijvers in onze selectie opvallend vaak een geslaagde combinatie van hoge ernst, thematische stoutmoedigheid en een behendige stijl vertoonden.

Toch zijn ze niet oververtegenwoordigd in de shortlist, of ¿kortlijst¿ op zijn Vlaams, die ik u nu ga presenteren. Opnieuw een bewijs dat individuele werken zich aan generalisaties onttrekken. Het opmaken van die lijst van finalisten heeft veel hoofdbrekens gekost. Tegen het eind van de beraadslagingen verzuchtte het gezelschap unaniem: mochten we er maar acht¿ Dan hadden we het wel geweten. Nu hebben we knopen doorgehakt, uiteindelijk met ieders instemming. Vol trots, niet op onszelf, maar op de boeken en hun auteurs, presenteren wij u dan ook de volgende zes titels voor de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2006.

De jury
Guusje ter Horst, voorzitter
Hans Maarten van den Brink
Bart Keunen
Daniëlle Serdijn
Wim Vogel

Uitreikingsrapport:

Kostte het aanwijzen van de zes finalisten de jury van de Libris Literatuur Prijs 2006 al veel hoofdbrekens, nog moeilijker was het daaruit één te moeten kiezen. Zes romans over mensen die de wereld naar hun hand proberen te zetten. Pogingen die in de meeste gevallen mislukken en juist het kwaad oproepen dat men wil bestrijden.

Zo blijken de genetische ambities van Victor Hoppe, hoofdpersonage in De engelenmaker van Stefan Brijs, uiteindelijk kleinmenselijk te zijn en alles te maken te hebben met onze fixatie op perfectie, met ons streven God te willen overtreffen. Een streven dat voortkomt uit verblinding en uitmondt in immoraliteit.

Ook het grimmige sprookje dat Michael Frijda ons presenteert met zijn originele roman Ritselingen vertelt het oude verhaal over mensen die voortdurend het beste voor ogen hebben, maar steeds net het verkeerde kiezen. Over die keuzes en over de schuld die daar het gevolg van is, gaan de verhalen die in Ritselingen worden verteld. Verhalen die wij als mensen móeten vertellen om ons doen en laten, om ons bestaan te rechtvaardigen.

Angstaanjagend is de allegorische wereld die Elvis Peeters, in nauwe samenwerking met Nicole van Bael, oproept in zijn roman De ontelbaren. Een verontrustende parabel over de wijze waarop wij in West-Europa ons welvaartsmodel uitdragen maar aan die exportwoede te gronde gaan als de ontelbaren komen halen waar wij hen op geattendeerd hebben.

Een gevaarlijk spel met de werkelijkheid laat ook K.Schippers zíjn hoofdpersoon spelen in Waar was je nou: een gedurfde en sensibele roman. In dit variété met de werkelijkheid vol schrille contrasten tussen het heden en het verleden, het alledaagse en het door de herinnering gekleurde, triomfeert de verbeelding glorieus.

In Knielen op een bed violen van Jan Siebelink offert zijn hoofdpersoon alle aardse zaken op in een voor de buitenwereld duister verlangen naar goddelijke bescherming. Een Hollands drama dat laat zien dat religieus fundamentalisme geen importproduct is, maar wel degelijk behoort tot ons erfgoed.

Een zinderend jongensboek, zo typeerde de jury eerder Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Een roman over de spanningen tussen beweging en stilstand, over waarnemen en zien, over de vooruitgang van de wereld en de teloorgang van een dorp. En dat alles onontkoombaar aangestuurd door onze driften. Ook in deze roman wordt door de komst van de vreemdeling alles anders: een metafoor die vaak voorkomt in onze beste zes boeken.

Dat de jury er niet snel uit was: het zal u niet verbazen. In meerderheid heeft zij tenslotte gekozen voor de roman die het primaat van de verbeelding voorop stelt. De verbeelding die wel raad weet met de ons omringende werkelijkheid, de verbeelding die het de literatuur mogelijk maakt te blijven fungeren als vrijplaats in een samenleving die niet zonder die vrijplaatsen kan. Wij kiezen voor het verlichte realisme. Als u de zes genomineerden hebt gelezen, waar wij natuurlijk van uit gaan, dan weet u dat het winnende boek van de Libris Literatuur Prijs 2006 Waar was je nou van K.Schippers is.

De jury
Guusje ter Horst, voorzitter
Hans Maarten van den Brink
Bart Keunen
Daniëlle Serdijn
Wim Vogel

Winnaar

  • K. Schippers - Waar was je nou

    Rapport winnaar
    Het grote en veelsoortige werk van K. Schippers bestaat uit gedichten, verhalen, romans en essays. Eén van de kenmerken die al deze uitingen gemeen hebben, is een liefde voor de dingen. Schippers beschouwt ze aandachtig zonder ze stuk te maken. Hij dringt diep erin door, beproeft al hun mogelijkheden en gaat daarin soms heel ver, maar laat ze toch in hun waarde. Hun uiterlijk is voor hem namelijk geen schil die je weggooit om een vermeende kern te bereiken maar deel van hun wezen. Schippers is niet geïnteresseerd in symboliek; hij is op zoek naar de betekenis van wat hoorbaar, tastbaar en zichtbaar is. Maar alles wat tastbaar, zichtbaar en hoorbaar is, is onderworpen aan het genadeloze regime van de tijd. Niets aan te doen. Of toch?

    Een oude camera, zo een waar nog een rolletje film in wordt gedraaid, is het instrument waarmee de hoofdpersoon uit Waar was je nou zichzelf naar het verleden kan transporteren. Met de hulp van twee variétéartiesten en een broche kan hij van daar weer terug naar het hier en nu. Het lijkt het uitgangspunt voor een sprookje, en misschien is het dat ook wel maar dan een van het soort dat zich ieder moment om ons heen afspeelt zonder dat wij het merken. Als een foto een afbeelding van het verleden in het heden is, dan is het moment van de opname immers een blik in de toekomst geweest. Of niet? K. Schippers bedrijft in dit boek variété met de werkelijkheid. Er ligt een doortimmerde constructie aan ten grondslag maar door de manier waarop de verteller aan de draden trekt, stijgt het gevaarte schijnbaar moeiteloos op, net zoals de vlieger die het omslag siert.

    Schippers beoefent een verlicht realisme waarin de dingen moeiteloos van plaats en betekenis veranderen terwijl ze toch hun gewone vorm en kleur behouden. De intrige bestaat uit dagelijkse, bijna achteloze handelingen, het wegleggen van een sleutel, het staren naar een raam of een etalage, een wandeling over het strand. Een mondharmonica, een vlieger, een paar schoenen of een bril zijn de requisieten. Maar alles verdubbelt onder de handen van de schrijver. Decors worden een omgeving. Reclameleuzen of flarden van een lied werken als toverspreuken. Voorwerpen nemen een persoonlijkheid aan. Kleuren wisselen en verschuiven. Truc of magie? Bij Schippers doet dat onderscheid er nauwelijks toe.

    Zoals er dankzij zijn vingervlugheid ook nauwelijks verschil tussen taal en muziek lijkt te bestaan. Het is een soort verhevigde spreektaal die hij hanteert: veel interieure monologen vol omschrijvingen die de blik net even anders richten, afgewisseld met dialogen die een vreemde melodie bezitten en toch heel natuurlijk klinken. Soms ontstaan er schrille contrasten, maar daarna vormt zich uit de confrontatie van klankkleuren en registers weer een verrassende, nieuwe harmonie.

    Wat waarneming, dialoog en handeling daarbij verbindt is een volstrekt eigen ritme dat de lezer soepel maar onontkoombaar langs de meest onwaarschijnlijke wisselingen en overgangen voert in tijd en perspectief. Het is alsof de schrijver op papier beheerst wat grote jazzmusici ook van hun schoolse navolgers onderscheidt: de backbeat, het geluid net na de tel, het hangen in de maat. Op die even lome als dwingende en betoverende swing voert hij ons terug naar het Amsterdam en het Zandvoort van de jaren veertig en vijftig, zo overtuigend dat je er zelf ook wel zou willen blijven, en vertelt hij het verhaal van een liefde die door het verstrijken van de jaren zuiver en vederlicht is geworden, zo ontroerend alsof je haar zelf hebt beleefd.

    Waar was je nou laat zien wat een roman op zijn best vermag – niet alleen vertellen, maar ook verbeelden, denken, dansen, spelen, zingen - en is daarmee niet alleen voorbeeldig binnen de literatuur maar ook voor andere disciplines. Het boek vertoont een engagement met de werkelijkheid zonder haar te reduceren. Het is een hoogtepunt in het unieke oeuvre van K. Schippers, het beste uit de oogst van het afgelopen jaar en in ieder opzicht de moeite waard die iedere goede lezer er voor zou moeten willen doen.

    Nominatierapport
    Een oude camera, zo een waar nog een rolletje film in wordt gedraaid, is het instrument waarmee de hoofdpersoon uit Waar was je nou zichzelf naar het verleden kan transporteren. Met de hulp van twee variétéartiesten en een broche kan hij terug. Het lijkt het uitgangspunt voor een sprookje, en misschien is het dat ook wel maar dan een van het soort dat zich ieder moment om ons heen afspeelt zonder dat wij het merken. Als een foto een afbeelding van het verleden in het heden is, dan is het moment van de opname een blik in de toekomst geweest.

    K. Schippers bedrijft in dit boek variété met de werkelijkheid, met de verleden, de huidige en de toekomende tijd, hij beoefent een verlicht realisme waarin de dingen moeiteloos van plaats en betekenis veranderen terwijl ze toch hun gewone vorm en kleur behouden. De intrige bestaat uit dagelijkse, bijna achteloze handelingen, het wegleggen van een sleutel, het staren naar een raam of een etalage, een wandeling over het strand. Een mondharmonica, een vlieger, een paar schoenen of een bril zijn de requisieten. Maar alles verdubbelt onder de handen van de schrijver. Decors worden een omgeving. Reclameleuzen of flarden van een lied zijn toverspreuken. Voorwerpen komen tot leven en geven de richting aan. Truc of magie? Bij Schippers doet dat onderscheid er nauwelijks toe. Zijn onwaarschijnlijke behendigheid bij de constructie van dit verhaal staat de emoties geen moment in de weg. Zo is Waar was je nou een gedurfde maar ook een sensibele roman geworden vol heimwee en melancholie, waarin het Amsterdam en het Zandvoort van de jaren veertig en vijftig een nieuw leven wordt geschonken dat zo krachtig is dat je er, net als de hoofdpersoon, liever in zou blijven dan in het heden.

    De vingervlugheid van Schippers uit zich in de taal die hij hanteert. Het is een soort verhevigde spreektaal, een monologue intérieur vol omschrijvingen die de blik net even anders richten, en met dialogen die volstrekt natuurlijk klinken. Wat waarneming, dialoog en handeling verbindt is een volstrekt eigen ritme dat de lezer soepel maar onontkoombaar langs de meest onwaarschijnlijke wisselingen en overgangen voert in perspectief en tijd. Het is alsof de schrijver op papier beheerst wat grote jazzmusici ook van hun schoolse navolgers onderscheidt: de backbeat, het geluid net na de tel, het hangen in de maat. Het is die even lome als dwingende en betoverende swing die van Waar was je nou een boek maakt dat op iedere pagina de aandacht vasthoudt en als geheel een hoogtepunt vormt in het rijke oeuvre van de schrijver. Bovendien is het spel dat Schippers speelt met werkelijkheidslagen (het heden en het verleden, het alledaagse en het door de herinnering gekleurde) en locaties (de stad, de zee, de interieurs, de music hall) even betoverend als het spel met muzikale registers dat de muziek uit de jaren van de swing kenmerkt: de kleur wisselt voortdurend en vaak ontstaan er schrille contrasten, maar uit de onderlinge confrontatie van klankkleuren spreken steeds weer verrassende en nieuwe harmonieën.

    Naast dit alles is dit natuurlijk ook een roman over een door de tand des tijds gefileerde en daardoor gezuiverde en vederlicht geworden liefdespassie.

Genomineerd

  • Stefan Brijs - De engelenmaker

    Rapport Stefan Brijs:
    De engelenmaker van Stefan Brijs is een roman over wetenschap, geloof en bijgeloof. In een dorpje op de grens van drie landen (het drielandenpunt in Duitstalig België) komen die drie elementen met elkaar in conflict, gaan ze allianties aan om ten slotte in de martelaarsdood van hoofdpersonage Victor Hoppe te versmelten. Hoppe zelf is aanvankelijk een man van de wetenschap, maar geleidelijk blijkt dat hij er een geheime, quasi-religieuze agenda op nahoudt. Zijn zonen, de drieling Gabriël, Michaël en Rafaël, zijn het product van de wetenschap van het klonen, maar tegelijk zijn zij ook het product van de rivaliteit met God die Hoppe zijn leven lang koestert. Brijs situeert hem bovendien in een wereld waarin de moderniteit nauwelijks doorgedrongen is. Wolfsheim is een dorp met bijgelovige, onzekere mensen die absoluut geen weet hebben van de kosmische strijd die een van zijn zonen uitvecht.

    Brijs maakt de vergezochte tragische geschiedenis van Hoppe aannemelijk door in de beste Vlaams-modernistische traditie te kiezen voor alledaagse en weinig heldhaftige, maar des te meer herkenbare nevenpersonages. Zij vormen het roddelende en bespiedende koor dat getuige is van een uitzonderlijke gebeurtenis. Meewarig en soms ook enggeestig reageren ze op Hoppe. Maar het geheim van Hoppe komt geen van de betweters te weten. Met hun beperkte blik zien ze niet wat er zich onder hun ogen afspeelt.

    Ook de plot van het verhaal baseert zich op het getal drie. De roman is minutieus opgebouwd rond de drie gedaanten van een Heilige Drievuldigheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De Schepper en de biologische vader van Hoppe staan voor de eerste, Hoppe zelf neemt de rol van de Heiland op zich en als Heilige Geest fungeren de klonen die Hoppe van zichzelf meende te moeten maken.

    Wat deze roman boven andere doet uitstijgen, is de manier waarop psychologische, bio-ethische en metafysische problemen met elkaar in symbiose treden via de figuur van Hoppe. Als autistisch aangelegde geleerde leeft hij zozeer in zijn eigen wereld dat hij er niet in slaagt uit te breken – laat staan afstand te nemen van zichzelf en boven het eigen beperkte standpunt uit te stijgen. De roman evolueert dan ook gestaag in de richting van een tragisch eindpunt waarin Hoppes grote idealen kleinmenselijke ambities blijken. Via het avontuur van een gekke geleerde in een banaal Europees plattelandsdorp vertelt Brijs met een meeslepende en overtuigende verbeeldingskracht het verhaal van de pathologische ambities van de moderne mens. Niet ‘god spelen’, maar God overtreffen lijkt de boodschap van de moderne mens. In die zin gaat De engelenmaker over het onvermogen met het onvolmaakte om te gaan, over de fixatie op perfectie en over het mateloze streven naar controle en manipulatie dat onze mythe, onze blindheid is geworden. Hoppe, zijn dorpsgenoten en bij uitbreiding de moderne mens blinken uit door kortzichtigheid. In verblinding, zo leest men tussen de regels, schuilt de kern van het immorele. Moraliteit vergt breeddenkendheid, verbeelding en inlevingsvermogen… alles waartoe Hoppe uiteindelijk niet in staat blijkt.

  • Michael Frijda - Ritselingen

    Rapport Michael Frijda:
    Ritselingen van Michael Frijda heeft zowel de trekken van een sprookje als van een familiegeschiedenis. De sfeer in de roman is grimmig, ongemakkelijk, tragisch, maar op enkele momenten toch ook komisch en absurd. Door de afwezigheid van concreet aangeduide namen, locaties en periodes sluipt er bovendien een spannende onbepaaldheid in het verhaal, waardoor het hier en nu kan zijn, en altijd en eeuwig. Daarnaast bevat Ritselingen vele poëticale opmerkingen over de onontkoombaarheid van het vertellen van verhalen, waarmee de roman in één beweging het eigen bestaansrecht onderstreept.

    In Ritselingen wordt het verhaal verteld van een houthakker en zijn manke zoon Kareltje. Het tweetal woont diep in het bos, onder weinig comfortabele omstandigheden. Op zekere dag vraagt Kareltje om een hert. Terstond trekt de houthakker het woud in. Hij wil er veel aan doen om zijn zoontje, die een moeder moet missen, gelukkig te maken. ’s Avonds keert de houthakker terug. Vol trots toont hij Kareltje een jong hert dat hij de keel heeft doorgesneden. ‘Hoe zullen we hem bereiden?’ vraagt de vader. Maar dat was natuurlijk de bedoeling niet. Het kind verlangde een levend hert, bij wijze van huisdier. Het is een van de eerste scènes uit het boek, en de toon is er meteen mee gezet. Vader de houthakker zal voortdurend het beste voor ogen hebben, maar steeds net het verkeerde kiezen.

    Als in een goed sprookje is er vanzelfsprekend het kwaad. En het kwade wordt hier voorgesteld door de kaasboer, die buiten het bos woont met zijn gezin. Frijda suggereert dat de kaasboer tijdens de Tweede Wereldoorlog de verkeerde kant koos, en zelfs een NSB-uniform droeg. Concreet benoemt Frijda dit gegeven echter niet, waardoor het gelezen kan worden als de eeuwig terugkerende misstap uit elke oorlog. De kaasboer blijkt de vrouw van de houthakker verkracht te hebben. De vader van de houthakker, de stroper genaamd, verkracht uit wraak de vrouw van de kaasboer. Uit dit korte samenzijn wordt een dochter geboren.

    Maar pas aan het eind van de geschiedenis, als de verhalen van de houthakker, diens vader, de stroper, en van diens vader weer, de schilder, én van de kaasboer en van al hun vrouwen, moeders, grootmoeders en overgrootmoeders verteld zijn, dan pas weet je wie zij is, en hoe zij zich verhoudt tot de anderen. Zo blijft tot op het laatst toe verrassend hoe iedereen familie van elkaar is, en hoe het ene familieverhaal het andere genereert. Het is een eindeloze reeks, waarvoor geldt dat zolang mensen zich voortplanten er verhalen blijven ontstaan. In meer algemene zin kun je dit opvatten als het bestaan van een dierlijke, instinctmatige drang om verhalen te vertellen. De idee dat literatuur een luxeproduct zou zijn wordt hierdoor doeltreffend ontzenuwd, want zonder verhalen bestaan wij niet.

    Tot slot: de haast mathematische rechtlijnigheid in Frijda’s benadering van de familiegeschiedenis maakt Ritselingen compositorisch tot een gaaf en fascinerend werk, gesteld in sobere, doeltreffende, soms poëtisch klinkende zinnen. Inhoudelijk gezien werpt deze aanpak een nieuw licht op de familiegeschiedenis. Al met al bepaald geen onaanzienlijke bijdrage die Frijda met deze originele roman aan de literatuur levert.

  • Elvis Peeters - De ontelbaren

    Rapport Elvis Peeters:
    Indringend, en gesteld in poëtische zinnen vertelt de Vlaming Elvis Peeters, die zijn roman De ontelbaren schreef in samenwerking met partner Nicole van Bael, het verhaal van Europa, dat overspoeld wordt door hordes vreemdelingen. Uit alle windstreken komen ze, en het is duidelijk wat hen drijft: de hoop op een beter bestaan. In een nuchtere, bijna documentaire weergave toont de schrijver zowel het perspectief van de migranten als dat van de bewoners van het ontvangende land.

    De ontelbaren laat zich lezen als een allegorisch verhaal. Het verbeeldt de angst voor het oncontroleerbare en ensceneert de onzekerheidsgevoelens van de Europeanen. Peeters toont de lezer een continent dat op drift raakt, en steeds meer de trekken krijgt van een steppe met ronddolende bevolking. Aanvankelijk lijkt het probleem van deze nieuwe nomaden iets marginaals, maar geleidelijk aan raakt de samenleving vergaand ontregeld en wordt de wereld herschapen tot één grote ‘uitzonderingstoestand’. Een nachtmerrie wordt werkelijkheid of, om gelijkgestemde woorden van W.B. Yeats te gebruiken: ‘Things fall apart, the centre cannot hold.’

    Daarnaast is de roman ook een parabel over de wijze waarop mensen reageren op de onbekende, de ander. De autochtone Belgen, in De ontelbaren voorgesteld als de buurmannen Brackx en Schrijvers, hebben alle begrip voor de nieuwkomers. In hun plaats zouden zij hetzelfde doen. Maar wat de sociale en natuurlijke omgeving in rap tempo onleefbaar maakt, zo lees je bij herhaling, is dat de vluchtelingen met zo velen zijn. Het gevolg is dat de omgeving uitgeput raakt; er zijn simpelweg te weinig middelen om iedereen te voeden en te huisvesten. Een van de buurmannen merkt op: ‘Een ellende dat is het, voor ons, maar voor hen is het gewoon, wij moeten het leren.’ En zo is het. De Belgen proberen zich op allerlei manieren aan te passen: ze proberen afspraken te maken, samen te werken, maar de macht van het getal maakt het onmogelijk tot een vergelijk te komen. Er zijn simpelweg te weinig middelen om eerlijk te verdelen over een almaar groter wordende groep mensen. Met grote precisie toont Peeters hoe deze Belgen de westerlingen symboliseren en hoe de westerse wereld haar welvaartsmodel uitdraagt maar aan die exportwoede geleidelijk te gronde gaat. Het Westen mag dan het centrum van de wereld zijn – het centrum slaagt er niet in stand te houden.

    De roman ontwikkelt zich, ten slotte, tot een apocalyptisch ondergangsverhaal. Alledaags ogende personages verdierlijken, de wereld verandert in een onmenselijke habitat. De climax van het verhaal, het derde deel, is een waar inferno: ‘Overal as,’ schrijft Peeters, ‘geblakerde grond, smeulende wrakken. Geen plek om opnieuw te beginnen, om een bed te maken.’ Zo eindigt het verhaal, bijna zoals het begon. Maar deze keer is het probleem universeel: er zijn geen uitwijkmogelijkheden meer. De reis van de gehele mensheid is ten einde.

    In dit filosofisch slotakkoord wordt de mens voorgesteld als een flexibel wezen dat zichzelf voortdurend opnieuw moet uitvinden en gedoemd is eeuwig in beweging te blijven; eeuwig op zoek is om het universele verlangen ‘ergens een bed te maken’ in te lossen. Dit verlangen overstijgt de politieke, religieuze en economische verschillen tussen mensen.

  • Jan Siebelink - Knielen op een bed violen

    Rapport Jan Siebelink:
    Vaste ingrediënten zijn het in het oeuvre van Jan Siebelink: de ondergang van de paradijselijke kwekerij van zijn ouders in Velp, hun huwelijk dat steeds meer versombert doordat de vader gegrepen wordt door het zwartste calvinisme en de tegenstrijdige reacties daarop van hun twee zonen. Maar niet eerder wist Siebelink de machteloosheid van moeder en kinderen jegens de terreur van de fundamentalistisch-calvinistische taal, die haaks staat op de innerlijke zuiverheid waar de vader, Hans Sievez, naar streeft, zo schrijnend te verwoorden. Knielen op een bed violen is daardoor ook zijn gruwelijkste roman geworden.

    Al in Lathum, het dorpje aan de IJssel waar Hans Sievez opgroeit, wordt de veiligheid van zijn jeugd ondermijnd door het genadeloze en vooral ook vreugdeloze geloof van zijn vader. En als jaren later in zijn eigen tuinderij, zijn Hof van Eden, de gnoomachtige, de schrale en smoezelige, in lange zwarte jassen gehulde oefenaars zich met hun devote geschriften opdringen aan zijn ontvankelijk gemoed, dan sijpelt dat spijkerharde geloof uit zijn jeugd opnieuw zijn leven binnen om er nooit meer uit te verdwijnen. Van beslissende betekenis is de dag waarop Sievez in zijn kwekerij door God krachtdadig wordt neergeslagen. Van die dag af raakt zijn zoektocht naar zingeving in een stroomversnelling die geen rekening mag houden met de liefde voor en van vrouw en kinderen.

    Het is vooral dat laatste aspect dat Siebelinks zwartste liefdesroman zo hartverscheurend maakt. En juist omdat de sympathie van de lezer steeds meer verschuift van de vader naar de moeder en haar kinderen, is het goed dat de alwetende verteller in een enkele verdwaalde alinea in het hoofd en in het hart kruipt van de vader, van de bekommerde bekeerde die zijn aardse liefde wel móet opgeven in ruil voor de hemelse. Alsof de verteller de vader nog eenmaal wil doorgronden. Zeldzame momenten van twijfel en inzicht levert dat op.

    Want het gaat Siebelink in deze roman niet om een afrekening. Met bij uitstek literaire middelen als compositie, versnelling en vertraging componeert hij in een heldere stijl zijn klassieke symfonie over een mens die alles opoffert in een voor de buitenwereld veelal duister verlangen naar goddelijke bescherming. Met als noodlottig gevolg dat allen slachtoffer worden. Gezien het motto van de roman, ‘en had de liefde niet’, weten we dat het Siebelink ook niet om die wat al te voor de hand liggende confrontatie gaat. Het zijn zíjn onzekerheden, zijn twijfels die ook de onzekerheden en de twijfels van de lezer worden, versterkt door de laatste woorden van Margje: ‘Zonder twijfel’, die tegelijkertijd de laatste woorden van de roman zijn. Ondanks de door haar man veroorzaakte jarenlange eenzaamheid twijfelt zij er niet aan dat zij hem later zal terugzien. Waarmee ook de lezer met nog meer vragen, raadsels, mededogen en ergernis alleen wordt gelaten.

    In het seculiere Nederland van de jaren nul is een verhaal waarin godsdienstige overtuiging een beslissende rol speelt minder vanzelfsprekend aanvaardbaar dan vijftig jaar geleden. Dat Siebelink erin slaagt deze overtuiging en de daaruit voortkomende conflicten niet alleen begrijpelijk maar zelfs invoelbaar te maken is niet alleen tekenend voor de kracht van zijn inzet maar ook voor de finesse van zijn schrijven. Religieus fundamentalisme is geen importproduct, behoort wel degelijk tot ons erfgoed, zoals onderstreept wordt door dit bij uitstek Hollandse drama.

  • Tommy Wieringa - Joe Speedboot

    Rapport Tommy Wieringa:
    Een geestige, fascinerende en tegelijkertijd ontluisterende roman die wel raad weet met pubers die met hun hoofd in de wolken lopen en er langzaam maar zeker achterkomen dat ook zij onderhevig zijn aan de wetten van de zwaartekracht. Beweging willen zij, geen stilstand. Ze zijn ervan overtuigd dat zij hun oorspronkelijkheid, hun zuiverheid zullen bewaren. Die oude, romantische tegenstelling tussen bevlogen idealen en de grijsheid van het alledaagse, het verhaal van iedere nieuwe generatie, geeft Tommy Wieringa op een oorspronkelijke en navrante wijze weer.

    Een gelukkige vondst is de persoon van de verteller van dit zinderende jongensboek, de jonge, zwaar gehandicapte Fransje Hermans. Om het verstenen en versterven, opgedoken in een boek over een samoeraikrijger, te ervaren, tart hij het lot door op zijn dertiende in een weiland te gaan liggen terwijl de grasmaaier zijn werk doet. Daarna is hij veroordeeld tot de invalidenkar, slechts één arm functioneert nog. Maar dom is hij niet en schrijven met die ene hand kan hij ook en zo wordt hij met zijn genadeloze observatievermogen de kroniekschrijver van een groepje leeftijdgenoten dat de wereld wel eens wat zal laten zien.

    Aanjager en katalysator van de ‘beweging’ is Joe Speedboot, een nieuwkomer in het dorp. De bommen die hij fabriceert, het vliegtuigje dat hij in elkaar knutselt – dat ook echt vliegt, een fantastisch moment – creëren een sfeer waarin zijn vrienden het vermoeden krijgen te kunnen ontsnappen aan de middelmaat en het brave burgerdom.

    Niets is voorspelbaar in dit gloedvolle verhaal. Niet de dood van Engel, die in Parijs een hond op zijn hoofd krijgt. Niet de zegetocht die Fransje Europa door voert als armworstelaar en zeker niet de deelname van Joe, met een shovel, aan de race Parijs–Dakar. De moed van Wieringa het toeval toe te laten werkt verfrissend en is een verademing in onze veelal overgeconstrueerde literatuur. Knap is ook de wijze waarop hij ons wijst op de magie die er tussen lezer en tekst tot stand kan komen. De werkelijkheid, het verraad van het meisje PJ, waar zowel Fransje als Joe van dromen, wordt hun, maar ook de lezer, duidelijk gemaakt door een roman die PJ’s vriend schrijft, wat als deelthema weer iets is om je vingers bij af te kluiven.

    Wieringa beschrijft de opkomst en ondergang van zijn titaantjes geestig, liefdevol, serieus en vol melancholieke treurigheid. In de laatste alinea’s van deze sprankelende roman dringt het ook tot Fransje door dat het grote afscheidnemen is begonnen, dat vriendschap een illusie is en dat ook hij al behoort tot de ‘Alles-Wordt-Minder-Mannen’ op hun bank bij de rivier. Het doet pijn ook bij Wieringa te moeten lezen dat de talentlozen het altijd opnieuw het langst weten uit te zingen. Of om Fransje te citeren: ‘Talent bouwt de motor, de ploeteraar vult olie bij.’

Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen