Libris Literatuur Prijs 2009

Ga direct naar

Details:

Aantal inzendingen: 171 titels
Prijzengeld: 65.000 euro
Winnaar: 50.000 euro
Genomineerden: ieder 2.500 euro
Plaats en datum uitreiking: Amsterdam, Amstel Hotel, 11 mei 2009

Rapport:

In een klassieke roman valt geen mus van het dak, zonder dat dit gevolgen heeft. Dat schreef Willem Frederik Hermans halverwege de jaren zestig. Het is de kern van een opvatting over de roman die lange tijd dominant was: een geslaagde roman was een in zichzelf besloten eenheid van nauw samenhangende elementen, een autonoom kunstwerk.

Wie zo’n klassieke roman las, kon de illusie hebben op te gaan in een fictionele wereld die aan zichzelf genoeg had. Omdat elk detail verwees naar andere elementen binnen de roman, kon de wereld buiten de romanfictie tijdelijk vergeten worden. Dat was één van de charmes van de klassieke roman: hij deed je even vergeten waar je was en waartoe.

De romanproductie van 2008 overziend, concludeert de jury van de Libris Literatuur Prijs dat het ideaal van de klassieke roman nog steeds aan slijtage onderhevig is. Er is altijd vrolijk van het ideaalbeeld afgeweken, maar nu lijken tal van auteurs zich van de dogma’s van de klassieke roman helemaal niets meer aan te trekken. Een sluitende roman is een zeldzaamheid geworden: overal zijn losse eindjes, de nauwe samenhang waar Hermans voor pleitte is soms ver te zoeken.

We stellen ook vast dat de zogenaamde postmoderne roman uit het zicht is verdwenen. Het is mogelijk dat er een verband is tussen die twee vaststellingen. De complete, sluitende werkelijkheid van de ‘klassieke’, modernistische roman werd ondergraven en ontmaskerd door de postmoderne roman. Inmiddels lijken we aanbeland bij de synthese: hedendaagse schrijvers voelen niet langer de behoefte te ontmaskeren, maar hebben evenmin de neiging terug te keren naar een sluitende roman. Er is een lossere variant ontstaan op de klassieke roman.

Vreemd is dat niet. De realiteit is immers ook niet erg sluitend en is dat trouwens ook nooit geweest. Er vallen voortdurend onverklaarbare mussen van het dak. Het lijkt erop dat romanschrijvers op het moment meer in de duiding van de onsamenhangende werkelijkheid geïnteresseerd zijn, dan in een literaire eenheidsconstructie als tegenwicht tegenover de chaos. Romanschrijvers hebben zich de straat op laten jagen. En ze floreren daar.

De tendens is al een paar jaar duidelijk: het literaire engagement is terug van weggeweest. Ook in 2008 lazen we romans van auteurs die bibliotheek of studeerkamer verlieten om te kijken wat zich aan romanstof van de straat liet plukken. Na jaren van getouwtrek over de vraag of schrijvers zich nu wel of niet moeten bezighouden met maatschappelijke kwesties, lijkt het pleit beslecht: de multiculturele samenleving, de politieke situatie na Fortuyn, de gevolgen van de oorlog in voormalig Joegoslavië, het Israëlisch-Palestijnse conflict, mensensmokkel, de War on Terror – al deze kwesties zijn in de romanproductie van 2008 aanwezig, soms alleen op de achtergrond, maar soms ook expliciet als thema van afzonderlijke romans.

Ook verteltechnisch aarzelen schrijvers niet om de realiteit in hun literaire wereld binnen te laten. Dat leidt tot steeds meer essayistische romans of omgekeerd, tot verhalende non-fictie. Soms lopen schrijvers wat al te opportunistisch de realiteit achterna; dan is genrevermenging een manier om de beperkingen van een schrijver te verdoezelen. Maar over het algemeen staat deze tendens borg voor boeiende literatuur. Literaire experimenten zijn niet langer het tijdverdrijf van een kleine groep liefhebbers. Inhoudelijke en stilistische mengvormen hebben langzaam maar zeker ingang gevonden bij een breed publiek.

Dat we een tendens bespeuren in een bepaalde richting, betekent intussen allerminst dat boeken die meer naar zichzelf verwijzen dan naar de buitenwereld, niet meer zouden meetellen. De shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2009 omvat zowel romans die je klassiek-gesloten kunt noemen als geëngageerd-experimentele romans of iets er tussenin. Maar dat is in een tijdperk waarin de mussen zich allang niet meer laten dresseren, natuurlijk geen probleem.

De jury
Ivo Opstelten, voorzitter
Mark Cloostermans
Carel de Haseth
Janet Luis
Thomas Vaessens

Uitreikingsrapport:

De jury had het grote genoegen en de moeilijke taak een keuze te moeten maken uit zes bijzondere, schitterende boeken. Waarvoor moest zij kiezen?

De ontroerende roman over de mooie en de smartelijke kanten van het moederschap, waarbij Anna Enquist steeds balanceert tussen woede en zelfbeheersing?
De uitzonderlijke veelzijdigheid van Rob van Essen die een sublieme, onderkoelde roman schreef over een te heet gestookte maatschappij?
De confrontatie met de rauwe wereld van Arnon Grunberg en zijn zoektocht naar een nieuwe urgentie voor de roman, zowel in het politieke als in het ethische?
Het morele laboratorium van Charlotte Mutsaers en haar gevecht om de verbeelding terug te brengen in de wereld, en de wereld terug in de literatuur?
De zwartgallige geschiedenis van de mens van oertijd tot heden, gegoten in opzettelijk scabreuze en agressieve formuleringen van Dimitri Verhulst?
Of
De harde werkelijkheid aan de andere kant van de raciale barrière waarover Robert Vuijsje de lezer dwingt na te denken en stelling te nemen?

De jury heeft tot op het bot gestreden en uiteindelijk gekozen voor weergaloze taal – in een sardonische komedie over de mens als dader en lijdend voorwerp.

De Libris Literatuur Prijs 2009 gaat naar Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimtri Verhulst.

De jury
Ivo Opstelten, voorzitter
Mark Cloostermans
Carel de Haseth
Janet Luis
Thomas Vaessens

Winnaar

  • Dimitri Verhulst - Godverdomse dagen op een godverdomse bol

    Rapport winnaar
    Op de tragikomische roman De helaasheid der dingen (2006) volgde de novelle Mevrouw Verona daalt de heuvel af (2006), een ijzingwekkend verhaal over liefde en dood. Godverdomse dagen op een godverdomse bol is weer een totaal ander boek, dat alle verwachtingen weglacht. Een schrijver die zo veel verschillende boeken op rij aflevert, noem je op z’n minst een fenomeen.

    Godverdomse dagen is geen klassieke roman. Dit is een van die boeken die zich op allerlei raakvlakken bewegen en een nadere genreomschrijving vakkundig omzeilen. Er is amper een plot, er is amper een hoofdpersoon. Of juist heel veel hoofdpersoon. Een onzijdig ‘het’, afgekort tot ‘’t’ is het collectief waar het in dit boek om draait en dat is meteen de hele mensheid. Godverdomse dagen is een sardonische komedie met de mens als dader en als lijdend voorwerp. Maar behalve als geschiedenis van een haperende mensheid valt het ook te lezen als een weergaloze stijloefening.

    De taal is opzettelijk scabreus en agressief, waardoor al van meet af een bepaalde toon is gezet. Duidelijk is dat in de ogen van Verhulst de mensheid geen gunstige ontwikkeling doormaakt. Er wordt af en toe gerept van voortgang, gesymboliseerd door de regelmatig herhaalde vraag van de verteller hoe laat het is. De tijd tikt voort, maar van vooruitgang is geen sprake. De mens is en blijft dezelfde hulpeloze ellendeling. We volgen hem vanaf het moment dat hij uit het water opduikt, als amfibie, tot aan de atoomaanval op Hiroshima. ‘Een purperen licht neemt het hele uitspansel in bezit. Magnifiek. Hiervoor zou ´t ooit uit het water gekropen kunnen zijn.’ Druipend van ironie beschrijft hij het vredebrengende wereldwonder, waarbij in een fractie van een seconde meer dan 70.000 zielen omkomen. Hier eindigt de geschiedenis van Verhulst. ‘Het is acht uur zestien,’ schrijft hij. ‘Zo laat is het. En acht uur zestien zal het altijd blijven, wat horloges één minuut later ook mogen beweren.’

    Tussen oerwater en atoombom spelen zich allerlei ontwikkelingen af. In een notendop maken we, op z´n Verhulsts kennis met grotbewoners, legionairs, de eerste mohammedanen, uitvinders, godsdiensttwisten, de pest, een groeiend aantal stadbewoners en met de zogeheten ontdekkingsreizigers. ‘’t Is op een lap grond gestoten waar het nog geen weet van had,’ lezen we. Maar dan blijken er al andere mensen te wonen. ‘Okee, te lomp om het wiel uit te vinden, te imbeciel om trekdieren uit te buiten en te mallotig om met een ploeg het land te bewerken. (-) Maar ’t is er toch in geslaagd om op één of andere wijze bonen te verbouwen, maïs en pompoenen te kweken.’ Waarna de oorspronkelijke, ‘in veren en vodden geklede’ bewoners met harde hand tot het juiste geloof worden bekeerd.

    De geschiedenis komt dicht bij huis in deze roman. Zo wordt het brandmerken van slaven omschreven als een ‘inwijdingsritueel’, alsof het gaat om een vrijwillige studentendoop. Overwonnen volkeren moeten de taal van de overwinnaar leren spreken, ‘Het Usurpators zonder moeite’. Dat klinkt als een onschuldige NTI-cursus. Reclameclichés duiken op in het hoofdstuk over de pest. Na de uitvinding van het uurwerk wordt de zandloper niet weggegooid, want ‘die kan nog altijd worden gebruikt voor gezelschapsspelletjes’. Ook de wetenschappelijke vondst van de bacterie krijgt bij Verhulst vanzelf iets huiselijks, al zit het geniep hier in de staart: ‘een onooglijk klein mormel dat het deeg doet rijzen, de kaas doet rijpen en tyfus laat verspreiden’ .

    Verhulst knipoogt zelfs naar de Nederlandse literatuur. Ergens in het boek is sprake van het ‘sadistisch universum’, een uitdrukking die werd gemunt door W.F. Hermans. De term ‘de Grote Drie’, die meestal verwijst naar Hermans, Mulisch en Reve, duikt ook op in Godverdomse dagen – maar nu dient hij om ratten, kakkerlakken en pissebedden aan te duiden.
    Godverdomse dagen is geen boek dat je zomaar naast je neerlegt. Verhulst laat op een bijzonder geestige manier geen spaander heel van de mensheid. Zijn formuleringen zijn wonderlijk, maar altijd welluidend, met evenveel dialectische als zelfverzonnen woorden. Soms is het verband los, soms is het strak als een snaar, maar er zit rijm in bijna elke zin. Dit boek is een vuurwerk van taal en alleen al daarom een literaire prestatie van formaat. Verhulst zoekt de grenzen op van de roman, daagt de lezer uit en zet de geschiedenis en passant ook nog even soepel naar zijn hand.

    Voor zijn scherpzinnige inzichten in de mensheid, met veel flair en virtuositeit gebracht, bekronen wij Dimitri Verhulst graag en van harte met de Libris Literatuur Prijs 2009.

    Rapport nominatie
    Op de tragikomische bestseller De helaasheid der dingen volgde de novelle Mevrouw Verona daalt de heuvel af, een ijzingwekkend verhaal over liefde en dood. Godverdomse dagen op een godverdomse bol is weer een totaal ander boek, dat alle verwachtingen weglacht. Een schrijver die zo veel verschillende boeken op rij aflevert, noem je op z’n minst een fenomeen.

    Godverdomse dagen is geen klassieke roman. Dit is een van die boeken waarover we eerder al opmerkten dat ze zich op allerlei raakvlakken bewegen en een nadere genreomschrijving vakkundig omzeilen. Er is amper een plot, er is amper een hoofdpersoon. ‘Het”, afgekort tot de letter t, is de hoofdpersoon en dat is meteen de hele mensheid. Godverdomse dagen is een sardonische komedie met de mens als lijdend voorwerp, en tegelijk een weergaloze stijloefening.

    De taal is opzettelijk scabreus en agressief. Confronterend is ook dat Verhulst consequent ontkent dat de mensheid, in de loop van de geschiedenis, een gunstige ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zeker, de tijd verglijdt (‘Hoe laat is het?’ vraagt de verteller regelmatig), maar de mens blijft dezelfde ellendeling. We volgen hem (of het) vanaf het moment dat hij opduikt uit het water, als amfibie, tot aan de oerknal genaamd Hiroshima. Maar de geschiedenis blijft niet veilig ver weg in het verleden; Verhulst zorgt ervoor dat ze dicht bij huis komt. Het heden is alomtegenwoordig in dit boek. Zo wordt het brandmerken van slaven bijvoorbeeld beschreven met het woord ‘inwijdingsritueel’, alsof het om een studentendoop gaat. Overwonnen volkeren moeten de taal van de overwinnaar leren spreken, ‘Het Usurpators zonder moeite’, alsof het een NTI-cursus is. Reclameclichés duiken op in het hoofdstuk over de pest. Na de uitvinding van het uurwerk wordt de zandloper niet weggeworpen, want ‘die kan nog altijd worden gebruikt voor gezelschapsspelletjes’.

    Verhulst knipoogt zelfs naar de Nederlandse literatuur. Ergens is er sprake van het ‘sadistisch universum’, een uitdrukking die werd gemunt door W.F. Hermans. De term ‘de Grote Drie’, die normaal gezien verwijst naar Hermans, Mulisch en Reve, duikt ook op in Godverdomse dagen – maar nu dient hij om ratten, kakkerlakken en pissebedden aan te duiden.

    Godverdomse dagen is geen boek dat je zomaar naast je neerlegt. Verhulst is zo intens kritisch over de mens, dat je je bijna gedwongen voelt om het voor je soort op te nemen. In een literair landschap waarin net iets te veel thrillers, incestdrama’s en andere voorspelbare verhalen opdoemen, is Godverdomse dagen een verademing. Zijn tot kunsttaal opgepimpte Nederlands, met evenveel dialectische als zelfverzonnen woorden, is uniek. Soms is het verband los, soms is het strak als een snaar, maar het rijm zit in haast elke zin. Deze roman is een vuurwerk van taal en alleen al daarom een literaire prestatie van formaat. Verhulst zoekt de grenzen op van de roman, gaat de confrontatie met de lezer aan en ondergraaft zijn eigen boodschap soms met érg flauwe grapjes. Verhulst is een getalenteerde durfal.

Genomineerd

  • Anna Enquist

    Rapport Anna Enquist:
    Ongehoord. Het is een woord dat meer dan eens opduikt in de roman Contrapunt van Anna Enquist. Daarmee drukt ze haar ontzag uit voor de Goldbergvariaties van J.S. Bach. Gehoord zijn de aria en de variaties erop wel degelijk. De hoofdpersoon van Contrapunt voert ze alle 32 uit op de piano.

    Dit woord ‘ongehoord’ zal niet toevallig gekozen zijn, zoals over alles in dit hecht geconstrueerde boek diep moet zijn nagedacht. Wat hier in 32 hoofdstukken wordt verkend, dat zijn de grenzen van het hoorbare, de grenzen van taal en muziek, woord en klank. Laat eenzaamheid zich vangen in een akkoord? Laat rouw zich vastleggen in een zin of een alinea? Over deze zaken doet Enquist genuanceerde uitspraken in Contrapunt. Zo meent ze dat Bach in een van zijn variaties ‘puur verdriet’ naar buiten wist te brengen, ‘in kleine, chromatische stappen’. Terwijl hij in een andere variatie alleen maar zichzelf voor de gek zat te houden met veel te veel springerige noten. ‘Theater, dat was het’, heet het dan verontwaardigd. Ook zichzelf leest ze de les, als ze teveel betekenis wil zien in akkoorden, ritmes, drieklanken, kwarten of kwinten. ‘Wat een gelul’, stelt ze dan geërgerd vast.

    Enquist moet niets hebben van gelul. De toon in Contrapunt is ferm, hard, geprikkeld. ‘De vrouw’ of ‘de moeder’, zoals haar hoofdpersoon heet, is bezig met een doelgericht project. Zij studeert de Goldbergvariaties en maakt aantekeningen over haar bevindingen om greep te krijgen op haar gevoelsleven. Al spelend en schrijvend probeert ze vingers, noten en hoofd onder controle te krijgen. Net als Bach, toen hij zijn variaties componeerde. Zoals hij zijn overleden zoon in fuga´s en canons probeerde te vangen, zo probeert de vrouw door te dringen in de verstandhouding die zij had met haar overleden dochter. Wat levert deze wederzijdse bevruchting van muziek en taal precies op? De vrouw is zelf niet helemaal overtuigd. ‘Wat aan de vleugel glansde’, verzucht ze, ‘sloeg aan de schrijftafel neer als een doffe, triviale mededeling’. Maar ze voegt eraan toe dat haar onvolkomen aantekeningen nog altijd beter te verdragen zijn dan ‘de woordeloze ellende’ die eraan voorafging.

    Voor ons, lezers, ligt dit natuurlijk allemaal heel anders. Wij plukken alleen maar de vruchten van alle inspanningen, die ons helemaal niet dof of triviaal voorkomen. Integendeel. In een soepele afwisseling van musicologische en verhalende passages toont Enquist ons de mooie en de smartelijke kanten van het moederschap, in kernachtige, onsentimentele, vaak droogkomische formuleringen.

    Contrapunt ziet er op het eerste gezicht uit als een autobiografische geschiedenis naar aanleiding van een droevig feit. Maar het boek is veel meer dan dat. Het leidt ons via de omweg van Bach en zijn ingewikkelde composities terug naar de wereld zelf en naar de ‘perverse onbetrouwbaarheid’ van die wereld. Iedereen kan op elk moment door ellende worden getroffen. Je kunt die ellende proberen te vangen in klanken of in woorden, maar veel meer dan een wankel evenwicht levert dat niet op.

    En zo zien wij Enquist hier balanceren tussen ongeduld en uiterste discipline, tussen woede en zelfbeheersing. Dat levert een hoogst bijzondere roman op, gepantserd en ontwapenend eerlijk tegelijk. Ongehoord mooi en ontroerend.

  • Rob van Essen - Visser

    Rapport Rob van Essen:
    Visser is het zesde boek van Rob Van Essen, een schrijver die in de luwte groeide en nu naar buiten komt met een sublieme, onderkoelde roman over een te heet gestookte maatschappij. Centraal staat Jacob Visser, een geschiedenisleraar die een fout maakt of in elk geval iets onhandigs doet. Boze tongen doen de rest. We komen nooit precies te weten wàt Jacob gezegd heeft in zijn les, maar voor de school is het voldoende om hem op non-actief te zetten. En als het verhaal terechtkomt bij een journalist van een lokaal dagblad, zijn de poppen helemaal aan het dansen. De in zichzelf gekeerde leraar wordt opeens voorgesteld als een neonazistisch leider.

    Visser is een roman die zich afspeelt in onze hysterische actualiteit. Zo las de jury er in 2008 nog wel meer. Het bijzondere van Visser is dat hoofdpersoon Jacob geen weet heeft van die actualiteit, omdat hij er met zijn hoofd niet bij is. Hij is dus niet alert en neemt consequent foute beslissingen – hij bezoekt een crime scene waar hij echt niets te zoeken heeft, begint bijna een relatie met een studente en vermoordt, haast terloops, een cliniclown. Maar terwijl alles om hem heen ontspoort, blijft hij de rust zelve. Het huwelijk van zijn dochter Rosa wakkert verstopte herinneringen aan zijn jong overleden dochter Lila aan. Jacob is met zijn gedachten bij het verleden en bij het individuele, terwijl de wereld om hem heen schreeuwt dat hij zich zou moeten bezighouden met het heden en het ideologische.

    Dat is waar Visser over gaat: hoe achter onze grote woorden en ideologische discussies altijd gemankeerde mensen en kleine verhalen schuilgaan. Met als ontroerend hoogtepunt een ontmoeting met een klein, stervend kind in een ziekenhuis. Politiek en debat, tegenspraak en polemiek, de hooggestemde taal op de opiniepagina’s – Visser ontmaskert het hele circus. Niet uit een onvruchtbare behoefte om kapot te maken, maar om empathie op te wekken, om terug te keren tot de zaken waar het werkelijk om gaat.

    Visser vertelt een grotendeels realistisch verhaal, maar Rob Van Essen tast de grenzen af. Jonathan Wegereef, de leerling die verantwoordelijk is voor al Jacobs ellende door diens uitspraken uit hun verband te lichten en aan de grote klok te hangen, zou ook Jacobs persoonlijke kwelduivel kunnen zijn. Een duiveltje dat op Jacobs schouder zit en hem probeert te verleiden tot ironie of nog erger: cynisme. Van Essen injecteert zijn realistische plot dus met een hoogst symbolisch personage. Zo wordt Visser ook het verhaal van een persoonlijke strijd tegen gemakkelijke ironie; samen met Jacob Visser probeert de lezer de weg naar echte emoties terug te vinden.

    De laconieke toon, de gelaagdheid van de plot en Van Essens vermogen om je te laten meeleven met Jacob Visser en zijn verwanten, maken van Visser een bijzonder leeservaring. Onvergetelijk is bovendien het open einde: het blijft voor de lezer een vraag of de buitenwereld Jacob zal beschouwen als een slachtoffer van de omstandigheden of als een brute moordenaar.

  • Arnon Grunberg - Onze oom

    Rapport Arnon Grunberg:
    Oorlog in een niet bij naam genoemd Zuid-Amerikaans land, waar een staatsleger vecht tegen een Lichtend Pad-achtige guerrillabeweging: dat is het decor waartegen Arnon Grunbergs Onze oom zich afspeelt. Officieel is er geen oorlog. ‘Dat zou buitenlandse investeerders onnodig afschrikken’, lezen we. Maar de staatsterreur maakt vele slachtoffers. En het verzet ertegen gaat met terroristische aanslagen gepaard.

    In deze rauwe wereld maken we onder meer kennis met Anthony, majoor in het staatsleger. Als militair is Anthony mislukt. Er worden aan hem nooit belangrijke opdrachten verstrekt. Maar ook als echtgenoot faalt hij: zijn vrouw blijft ongewild kinderloos. Het is zijn superieur in het leger die op de parallel wijst: wat moet hij in het staatsleger met mannen zoals Anthony; ‘mannen die thuis niet eens de oorlog in de slaapkamer kunnen winnen’. Menig schrijver van conventionele romans over de oorlog zou met een dergelijke parallel wel raad weten. Hij zou zich toeleggen op het kleine (de oorlog in de slaapkamer) en rekenen op het typisch literaire effect dat zich daarin het grote (de Oorlog in een met harde hand geregeerde samenleving) weerspiegelt.

    Maar Grunberg schrijft geen conventionele romans. Hij legt zich in Onze oom niet toe op het concrete, particuliere en behapbare slaapkamerprobleem van de majoor. In Onze oom smijt hij de Oorlog helemaal en rauw op ons dak. Op de titelpagina staat de genreaanduiding ‘roman’. Maar het is duidelijk dat de auteur ervan zichzelf niet alleen ziet als schrijver van literair proza. Hij is minstens evenzeer onderzoeker, of journalist. Onze oom is een roman die hij niet had kunnen schrijven zonder de ervaringen die hij opdeed in Irak en Afghanistan. Hij verwerkte er ook materiaal in uit gesprekken die hij hield met guerrilla-terroristen en met slachtoffers van de Peruaanse en Boliviaanse staatsterreur.

    In het laatste hoofdstuk van Onze oom verschijnt plotseling een journalist ten tonele: een jonge man in wie we gemakkelijk Arnon Grunberg herkennen. De suggestie is dat deze jonge journalist, die verder helemaal buiten de verhaalgebeurtenissen staat, aan het eind van de roman de documentatie aan het verzamelen is voor het verhaal van Onze oom. Waarom doet hij dat? Omdat hij, zegt hij, ‘zo dichtbij mogelijk’ probeert te komen, zo dicht mogelijk ‘bij het gevaar, bij de vernietiging, bij de dood’. Dat is precies wat Grunberg in deze roman doet. Het is hem om de literaire verwerking van waarachtige ervaringen te doen, om de nabijheid van realiteiten die zich niet laten wegrelativeren. Literatuur moet weer over de essenties van het leven willen gaan, zo lijkt hij te betogen. En dat betekent dat ze om te beginnen een beetje minder literair moet durven zijn.

    Onze oom is een roman die de lezer 700 bladzijden lang het idee geeft naar een schrijver te kijken die de grenzen van de roman probeert op te rekken. Een schrijver die zoekt naar een nieuwe urgentie voor de roman, zowel in het politieke als in het ethische. Het resultaat is een verbluffend boek: indringend en confronterend.

  • Charlotte Mutsaers - Koetsier Herfst

    Rapport Charlotte Mutsaers:
    Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers is het verhaal van de bijzondere liefde tussen twee mensen die niet zonder elkaar kunnen. Hij, succesauteur met een stilstaand en eenzaam leven, kan wel goed schrijven, maar weet niet meer waarover. Zij, dierenactiviste met een missie, zoekt iemand die haar levensverhaal vorm kan geven. De verhouding tussen Maurice en Do die uit dit wederzijdse belang voortkomt, brengt twee tegenpolen bij elkaar: de afstandelijke observator en buitenstaander, en de geëngageerde activiste, die vuile handen maakt.

    Omdat Do in de visafslagen van Oostende gaat deelnemen aan acties van het Kreeftenbevrijdingsfront, vertrekken de geliefden voor een strikt vegetarische vakantie naar de Belgische kustplaats. Daar, tussen de toeristenflats en de visrestaurants, wordt duidelijk hoe rechtlijnig Do is, met haar verlangen naar alles wat echt is en haar wat ongemakkelijke genegenheid voor de persoon en de poëzie van Osama Bin Laden. Maurice stelt zich ten doel het verhaal van hun liefde zo waarheidsgetrouw mogelijk op te schrijven en verliest steeds meer van zijn reserve. Hij besluit literair vorm te geven aan haar compromisloze levensvisie. Zijn buitenstaanderschap wordt daarmee opgeheven. Tegelijkertijd wordt haar engagement daarmee tot fictie: de tegenpolen vinden elkaar in de literatuur. Dat is een symbiose waarin zowel de verbeelding als de realiteit meespelen.

    Literatuur is voor Mutsaers een moreel laboratorium waarin met standpunten kan worden geëxperimenteerd. En daarbij wordt geen enkele opvatting bij voorbaat uitgesloten, waardoor het experiment zo nu en dan bijzonder uitdagend wordt. Wat bijvoorbeeld te denken over het verband dat er in Koetsier Herfst wordt gelegd tussen het gezamenlijk levensmotto van Maurice en Do ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ en de door Do als ‘meesterlijke uitspraak’ aangehaalde woorden van Osama Bin Laden: ‘waarom is uw bloed bloed, en het onze water?’ Wat Koetsier Herfst zo’n intrigerende roman maakt, is onder meer dat Mutsaers ter discussie stelt hoe Bin Laden in de nasleep van 9/11 in het Westen zo gemakkelijk tot icoon van het kwaad uitgeroepen kon worden.

    Koetsier Herfst is een veelkleurige roman over de macht en de onmacht van fictie. Over het dubbele gevecht van de schrijver om de verbeelding terug te brengen in de wereld en de wereld terug in de literatuur. Mutsaers heeft vooral ook een vitale roman geschreven: een roman die er naar verlangt gelezen te worden en die de lezer prangende vragen voorlegt. Waar gaat het om in het leven: schrijven of actievoeren, denken of doen. Met Koetsier Herfst doet Mutsaers een gooi naar het onmogelijke, want denken en doen zijn in deze hartstochtelijke en avontuurlijke romans soms nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden.

  • Robert Vuijsje - Alleen maar nette mensen

    Rapport Robert Vuijsje:
    Zo op het oog lijkt Robert Vuijsjes Alleen maar nette mensen het simpele verhaal van een adolescent op zoek naar zichzelf. David Samuels is een joodse jongen uit een ‘net’ gezin uit Amsterdam Oud-Zuid, die met zijn zwarte haar vaak voor Marokkaan wordt aangezien, met een gymnasiumdiploma op zak. In plaats van net als zijn vrienden naar de universiteit te gaan, gaat hij – gesprekken met een door zijn ouders opgedrongen psycholoog ten spijt – op zoek naar een ‘ghetto fabulous’ negerin, zwart, met grote borsten en dikke billen.

    Die zoektocht brengt hem in Zuid-Oost waar hij korter of langer durende verhoudingen heeft met zwarte vrouwen. Als hij tot de conclusie komt dat de vrouw die hij zoekt ook intellectueel moet zijn, reist hij naar de Verenigde Staten. Daar vindt hij weliswaar een intellectuele negerin, maar hij realiseert zich dan dat zij ‘net zoals wij is’. Hij besluit terug te gaan naar zijn jeugdvriendin Naomi, die niet op hem heeft gewacht en een relatie is aangegaan met zijn beste vriend. Als hij over zijn teleurstelling heen is ontmoet hij een Marokkaans meisje met wie hij een afspraak maakt. Het is de vraag of deze afspraak ergens toe zal leiden.

    Alleen maar nette mensen is meer dan een simpel verhaal. Binnen het raamwerk van een onorthodoxe en gewaagde vertelling dwingt Vuijsje de lezer een confrontatie aan te gaan met zichzelf door zijn hoofdpersoon een duidelijke keuze te laten maken. David kiest niet voor een veilige flirt met ‘de ander’ vanuit de veilige eigen omgeving, zoals zijn moeder die op salsales gaat of zijn vader met ‘de grootste collectie sociaal wetenschappelijke boeken van Nederland’. Vuijsje laat de lezer samen met David de harde werkelijkheid aan de andere kant van de raciale barrière als het ware aan den lijve beleven.

    Dat is een werkelijkheid die zich niet afspeelt in de wereld van mensen in huizen met meubels van Jan des Bouvrie en rijkgevulde boekenkasten, en met ‘nette mensen’ die zich tegoed doen aan meergangendiners. Het is de werkelijkheid van mensen die bijeen hokken in kleine flats waar de televisie de hele dag aan staat, die kip met rijst eten en op de meest rauwe wijze seks hebben met wisselende partners. Een omgeving waar niet vrijblijvend wordt gediscussieerd over het Fortuynisme, omdat men anders is en zich daarom buitengesloten voelt.

    Al lijken beide werelden mijlenver uiteen te liggen, Vuijsje laat met gevoel voor humor zien dat de moderne tijd in beide werelden in gelijke mate is doorgedrongen. Hij laat dit overtuigend tot uitdrukking komen in de inhoudsloze dialogen van zijn personages, vaak in de vorm van chats en sms’jes, en door het verhaal te presenteren in korte hoofdstukken en halfafgemaakte gedachten. De roman doet daardoor soms denken aan talkshows en videoclips.

    Met Alleen maar nette mensen heeft Vuijsje een thema uitgewerkt dat gevoelig ligt. Hij dwingt de lezer erover na te denken en stelling te nemen. Dat hij zelf niet met een pasklare oplossing komt, versterkt die urgentie alleen maar. Alleen maar nette mensen is dan ook beslist meer dan het blitse, oppervlakkige verhaal dat het op het eerste gezicht lijkt. Een prachtig debuut, zowel wat vorm als inhoud betreft.

Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen