Libris Literatuur Prijs 2010

Ga direct naar

Details:

Aantal inzendingen: 247 titels, waarvan er 206 reglementair in aanmerking komen voor de prijs
Prijzengeld: 65.000 euro
Winnaar: 50.000 euro
Genomineerden: ieder 2.500 euro
Plaats en datum uitreiking: Amsterdam, Amstel Hotel, 10 mei 2009

Rapport:

Het eigen bestaan verbeelden, de samenleving onder de loep nemen, de morele dilemma’s van deze tijd in een verhaal gestalte geven, de tijdgeest expliciteren en bekritiseren: die thema’s kenmerken de lange stoet romans die in 2009 voorbijkwam op de lezerstafel van de jury van de Libris Literatuur Prijs 2010. Er werden 247 titels ingezonden, waarvan er 206 reglementair in aanmerking kwamen voor de longlist.

Deze genoemde thema’s zijn natuurlijk niet nieuw in de literatuur, ze zijn van alle tijden. De afgelopen jaren zagen we ook al enerzijds veel romans waarin de eigen kleine wereld of jeugd centraal stond, en anderzijds maatschappelijk betrokken romans. Proza waarin de verbeelding puur om het plezier van het verzinnen en vertellen aan het werk is, was ook nu in de minderheid. Het viel de jury van de Libris Literatuur Prijs op dat dit jaar veel romans een vorm van ontheemding als thema hebben. Personages zoeken een uitweg uit hun eenzaamheid en isolement, weg van hun ontsporende, ontbrekende, of hoe dan ook onbevredigde relaties.

Dat kan een verklaring zijn voor het veelvuldige reizen en zwerven in de romans van 2009. Rusteloosheid typeert dus veel romans. De gevoelens van ontheemding en verweesdheid die de personages ervaren, roepen nu niet bepaald het goede in hen naar boven, zoals blijkt uit een ander veelvuldig terugkerend thema in het proza van 2009: moord en doodslag. Grof, buitensporig en sadistisch geweld wordt niet geschuwd. De jury heeft geconstateerd dat er het afgelopen jaar veel doden op papier zijn gevallen. Is het moordzuchtige karakter van het proza uit 2009 het gevolg van de niet onder controle te houden gevoelens van ontheemding, rusteloosheid en vervreemding? Hangt het samen met de erupties van geweld waar onze wereld regelmatig door wordt opgeschrikt? Of hoopt ook de literaire schrijver door een snufje moord en misdaad de lezer te verlokken?

In vele romans valt de Grote Liefde dood neer, worden vaders en moeders naar de groeve gedragen na langdurige fysieke en geestelijke aftakeling, blijkt eeuwige trouw bedrog en rekenen pubers af met hun ouders. Schrijvers putten daarbij uit eigen ervaring en herinnering, uit familieverhalen, ooit verteld door ouders of grootouders, of teruggevonden in dozen op zolder. Schrijvers destilleren er dramatische verhalen uit over oorlog en onderduik, vlucht en verraad, of over familiegeheimen die generaties later worden onthuld. Het ‘back to the roots’ heeft in nogal wat romans een therapeutisch karakter. Het hoofdpersonage wil achterhalen wie zijn vader of moeder eigenlijk was of hoe de familieverhoudingen lagen. In die autobiografische verhalen reconstrueert de auteur zijn familiegeschiedenis met veel empathie, al vinden er ook afrekeningen plaats. Reële documenten en subjectieve herinneringen worden erin omgesmeed tot vaak ontroerende en aangrijpende fictie. Gezocht wordt naar het terugvinden van geluk in de microsfeer, als dat niet lukt reageert de auteur met inktzwart cynisme en fatalisme.

Ook in 2009 zet de tendens van de genrevermenging zich door: boeiende verhalende non-fictie, essayistische romans, columns die korte verhalen genoemd kunnen worden, onderzoeksjournalistiek met het label ‘roman’. De grens tussen fictie en non fictie wordt flinterdun. Voor de jury gaf een onbetwistbaar hoog niveau van stijl, taal en compositie de doorslag; dat niveau moet zo hoog zijn dat de vraag naar het waarheidsgehalte er niet meer toe doet. Bij de keuze voor de shortlist was dat hoge, onmiskenbaar literaire niveau het ultieme criterium.

De jury:
Hans Wijers, voorzitter
Joris Gerits
Joke Hermsen
Susan Smit
Aleid Truijens


Uitreikingsrapport:

Dames en heren,

De jury heeft uit de shortlist van boeken met een bijzonder hoog literair niveau moeten kiezen. Ik noem u eerst alle schrijvers en hun boek:

Walter van den Broeck met Terug naar Walden. Een wervelende roman waarin de actuele wereldwijde crisis op verbluffend ingenieuze wijze wordt verbeeld.

Bernard Dewulf met Kleine dagen. Een fascinerende schildering van het samenleven in een gezin, gemaakt met de allure van een getijdenboek met schitterende miniaturen.

Mensje van Keulen met Een goed verhaal. Een bundel subtiel opgebouwde en beklijvende verhalen waarin ook de minst fraaie kanten van het verschijnsel mens worden ontleed.

Marie Kessels met Ruw. Zij is zelf niet aanwezig maar wordt vanavond vertegenwoordigd door haar uitgever Robbert Ammerlaan. Een met zeer grote precisie geschreven verhaal over de tochten van de blinde Gemma door de stad, waardoor de lezer opnieuw op zijn zintuigen leert te vertrouwen.

Tom Lanoye met Sprakeloos. Een adembenemend mooi monument voor zijn door ziekte sprakeloos geworden moeder, van wie hij de neergang realistisch en met groot mededogen beschrijft.

Peter Terrin met De bewaker. Een ontregelende, kafkaëske roman over de fantasieën en dwangideeën van twee bewakers in een schimmige onderwereld, die soms wel erg op onze echte wereld lijkt.

De jury is na een lange beraadslaging unaniem tot de conclusie gekomen dat de prijs en de bijbehorende cheque van 50.000 euro gaat naar het stilistische kroonjuweel tussen de genomineerde boeken. De Libris Literatuur Prijs 2010 gaat naar Bernard Dewulf voor Kleine dagen.


Winnaar

  • Bernard Dewulf - Kleine dagen

    Rapport winnaar
    Je moet het maar durven. Schrijven over het aller, allergewoonste, dat tegelijkertijd het meest dierbare is: je eigen kinderen. Maar zo gewoon is het niet als je er met je neus bovenop zit. Het is wonderlijk en fascinerend, als je rust neemt om het groeiproces van kinderen scherp en met liefde te observeren. Dat deed Bernard Dewulf met zijn jonge kinderen, een meisje en een jongen. Hij keek, overwoog en legde vast: ‘hun kleine schommelingen, de schokjes in hun ontwikkeling; ze wikkelen zich af onder mijn ogen’. De bundel miniaturen met de simpele titel Kleine dagen is er het resultaat van.

    Uit de hulpeloze baby groeit de ene keer een vrouw van vijf, koket en zelfbewust, die blikken wisselt met andere kleine vrouwen, ‘een verstandhouding van gewapend suikerglas’. De volgende keer is het een mannetje dat zich een hanenkam boetseert, zich een Viking waant of Michael Jordan, en wil geloven dat zijn vader van beroep bankovervaller is. Dan vormt zich voor het eerst het woord ‘cool’ in zijn kleine hersenpan. Aan het eind van het boek is de zoon twaalf en de vader vijftig; de kindertijd ging voorbij als een zucht.

    In deze chronologisch gerangschikte verhaaltjes ontluiken niet alleen twee mensen in kinderlichamen, we zijn ook getuige van het ontpoppen van een vader. De kinderen slagen erin papa, de sceptische intellectueel die liefst achter zijn bureau zit, te ‘ontstuderen’. Hij gedoogt zelfs kerstbomen met flikkerlichtjes, en lelijk speelgoed dat lawaai maakt. Als hij zijn dochter en haar vriendinnetje van school haalt, probeert hij mee te huppelen, ‘een hinde in het diepst van zijn houterige gedachten’, maar hij hobbelt als een nijlpaard. Hij is bereid tot kneuterige gezelligheid, alleen omdat zijn kinderen zeggen: ‘Gezellig hè, papa?’ Zelfs een handleiding tot het maken van de juiste paardenstaart – te strak, niet te slap – krijgen we van deze schrijver.

    Maar hij laat niet altijd over zich lopen. Hij is niet altijd een aardige opofferende vader. Als hij zijn zoon verslaat met tafeltennis voelt hij ‘zelfzuchtige vreugde’. Waarover hij zich later schaamt. Zijn zoon komt thuis met schoolrapport, bekijkt het fronsend en mompelt: ‘Dat kan beter’ - zoals vaders betaamt. Zoals vaders dat doen, op de automatische piloot, zoals zijn eigen vader deed. Dan beseft ineens hij dat zo’n vader een lege huls is. Ooit sloeg de zoon de vader tot ridder. Maar niemand sloeg hem tot vader, hij blijft een amateur.

    Dat gebeurt vaker in deze verhalen: een herkenbare, traditionele scène wordt met nieuwe ogen bekeken, met nieuwe woorden gewogen, en blijkt dan licht bespottelijk. De schrijver springt moeiteloos van het alledaagse naar het bevreemdende, van ontroering naar analyse, van beeld naar abstractie. Zijn lenige proza is autobiografie, beschouwing en verhaal tegelijk. Het doet er eigenlijk niet toe welke naam je dit genre geeft. Net zo min is het van belang dat veel van deze verhalen een eerder leven kenden in het Vlaamse dagblad De Morgen. Je zou er zelfs een ontwikkelingsroman in kunnen zien, van een vader wel te verstaan. Het is literatuur van hoge kwaliteit, daar gaat het om.

    Het gezinsleven is niet louter een idylle. Over sommige dagen hangt een deken van verveling. Hemelvaartsdag bijvoorbeeld. Op zo’n landerige dag bijt de vader zijn dochter toe: ‘Doe-iets. Verzin–iets.’ Maar ook verveling leent zich voor analyse. ‘Verveling is als een muggensteek,’ denkt hij. ‘Je weet dat hij overgaat en krabt je toch kapot. Je krabt aan een onbepaalde droefenis, die (…) als een requiem over het ontbijt hangt.’

    Deze verhalen zijn niet zomaar ‘ontroerend’ of ‘herkenbaar’, ook al zijn ze dat. De schoonheid van deze notities zit hem in de stijl, in de precisie en elegantie van de verwoording. Dewulf is met huid en haar betrokken bij zijn kinderen, maar neemt genoeg afstand om zijn verwondering voelbaar te maken voor anderen. Zijn stijl is niet alledaags, maar fonkelend, vederlicht en serieus tegelijk. In zijn observaties verraadt zich de dichter die hij ook is. In zijn kinderen schuilen trouwens ook dichtertjes. Dochter weet dat heks rijmt op seks. Zoons ‘examinator’ op school rijmt op de alligator uit zijn ‘plastic prehistorie’.

    Bij Dewulf zit de diepzinnigheid aan de oppervlakte. Voor wie de moeite neemt goed te kijken is die diep genoeg. Het zijn de beste schrijvers die geen kosmische thematiek nodig hebben om te schitteren, en om door te dringen tot de essentie van ons bestaan. Bernard Dewulf is zo'n voortreffelijke schrijver. Kleine dagen is een fascinerende schildering van de evolutie van het samenleven in een gezin, met de allure van een getijdenboek met schitterende miniaturen.

    Voor dit stilistische kroonjuweel bekronen wij dan ook graag en van harte Bernard Dewulf met de Libris Literatuur Prijs 2010.

    De jury
    Hans Wijers, voorzitter
    Joris Gerits
    Joke Hermsen
    Susan Smit
    Aleid Truijens

    Nominatierapport
    Je moet het maar durven. Schrijven over het aller-, allergewoonste, dat tegelijkertijd het meest dierbare is: je eigen kinderen. Maar zo gewoon is het niet als je er met je neus bovenop zit. Het is wonderlijk en fascinerend, als je rust neemt om het groeiproces van kinderen scherp en met liefde te observeren. Dat deed Bernard Dewulf met zijn jonge kinderen, een meisje en een jongen. Hij keek, overwoog en legde vast: ‘hun kleine schommelingen, de schokjes in hun ontwikkeling; ze wikkelen zich af onder mijn ogen’. De bundel miniaturen met de simpele titel Kleine dagen is er het resultaat van.

    Uit de hulpeloze baby groeit de ene keer een vrouw van vijf, koket en zelfbewust, die blikken wisselt met andere kleine vrouwen, ‘een verstandhouding van gewapend suikerglas’. De volgende keer is het een mannetje dat zich een hanenkam boetseert, zich een Viking waant of Michael Jordan, en wil geloven dat zijn vader van beroep bankovervaller is. Dan vormt zich voor het eerst het woord ‘cool’ in zijn kleine hersenpan.

    In deze chronologisch gerangschikte verhaaltjes ontluiken niet alleen twee mensen in kinderlichamen, we zijn ook getuige van het ontpoppen van een vader. De kinderen slagen erin papa, de sceptische intellectueel die liefst achter zijn bureau zit, te ‘ontstuderen’. Hij gedoogt zelfs kerstbomen met flikkerlichtjes, en lelijk speelgoed dat lawaai maakt. Als hij zijn dochter en haar vriendinnetje van school haalt, probeert hij mee te huppelen, ‘een hinde in het diepst van zijn houterige gedachten’, maar hij hobbelt als een nijlpaard. Hij is bereid tot kneuterige gezelligheid, alleen omdat zijn kinderen zeggen: ‘Gezellig hè, papa?’

    Hij laat niet altijd over zich lopen. Als hij zijn zoon verslaat met tafeltennis voelt hij ‘zelfzuchtige vreugde’. Waarover hij zich later schaamt. Hij bekijkt zijn zoons schoolrapport en mompelt ‘Dat kan beter’, zoals vaders betaamt. Dan beseft hij dat zo’n vader een lege huls is. Ooit sloeg de zoon de vader tot ridder. Maar niemand sloeg hem tot vader, hij blijft een amateur.

    Het gezinsleven is niet louter een idylle. Over sommige dagen hangt een deken van verveling. Hemelvaartsdag bijvoorbeeld. Op zo’n landerige dag bijt hij zijn dochter toe: ‘Doe-iets. Verzin –iets.’ Maar ook verveling leent zich voor analyse. ‘Verveling is als een muggensteek,’ denkt hij. ‘Je weet dat hij overgaat en krabt je toch kapot. Je krabt aan een onbepaalde droefenis, die (…) als een requiem over het ontbijt hangt.’

    Deze verhalen zijn niet zomaar ‘ontroerend’ of ‘herkenbaar’, ook al zijn ze dat. De schoonheid van deze notities zit hem in de stijl, in de precisie en elegantie van de verwoording. Dewulf is met huid en haar betrokken, maar neemt afstand om zijn verwondering voelbaar te maken voor anderen. Zijn stijl is niet alledaags. In zijn observaties verraadt zich de dichter die hij ook is. In zijn kinderen schuilen trouwens ook dichtertjes. Dochter weet dat heks rijmt op seks. Zoons examinator op school rijmt op de alligator uit zijn ‘plastic prehistorie’.

    Bij Dewulf zit de diepzinnigheid aan de oppervlakte. Voor wie de moeite neemt goed te kijken is die diep genoeg.

Genomineerd

  • Marie Kessels - Ruw

    Rapport Marie Kessels:
    ‘Wie is er hier eigenlijk blind?’ Deze vraag zullen ongetwijfeld velen zich na lezing van Marie Kessels’ roman Ruw stellen. Want in Ruw wordt het verhaal van de door een ongeluk blind geworden Gemma op zo’n aanstekelijke en zintuiglijke wijze verteld, dat de lezer eerder zichzelf als een wat gebrekkig, want primair op het zicht ingesteld wezen gaat ervaren.

    In plaats van bij de pakken neer te zitten, gaat Gemma het gevecht met de duistere wereld om haar heen aan met blindenstok, brailleschrift én al haar overige zintuigen. Vastbesloten om te overleven, en ‘overleven wil zeggen: bliksemsnel veranderen én uit alle macht degene blijven die je altijd bent geweest’, trekt ze er op uit en ontdekt dan een wereld die rijker, voller en veelvormiger is dan ze ooit had kunnen vermoeden. Dankzij de ontwikkeling van haar geur, gehoor, smaak en tastzin ontvouwt zich beetje bij beetje een eigen ‘edel en prachtig’ universum ‘met zijn eigen onbegrensde mogelijkheden.’ Hoe het einde van de zomer ruikt bijvoorbeeld, ‘als een verloederde diva, een karikatuur van volwassenheid’, of hoe glas aanvoelt, ‘tintelend koel of verwarmd door de zon’, en hoe glas haar de sensatie van kleur kan geven.

    Gemma’s nachtelijke wandelingen door de stad zijn gevaarlijke én zinnenprikkelende ontdekkingstochten door een labyrint van stegen, wegen en pleintjes. Ze leert opnieuw de stad te ‘ontcijferen’ door met haar oren en neus te kijken, dat wil zeggen, te horen of de straten vol of leeg zijn, te ruiken of de pleintjes begroeid zijn of kaal. Hoe moeilijk en angstaanjagend die eerste wandelingen ook zijn – één minuut buiten wandelen betekent voor haar ‘één minuut op de rand van een mes lopen’ – ze laat zich door haar angsten niet klein krijgen. Ze leert op de wind te vertrouwen die haar vertelt wanneer er een zijstraat of hoek aan komt, maar leert ook de regen te wantrouwen, die het geluid van naderende voertuigen kan overstemmen en van één verkeerde stap op de weg haar laatste kan maken. Ze laat de regenpijpen met haar glasvezelstok rinkelen en snuift diep de geuren van voorbijgangers, bladeren en etensgeuren op. Haar wijk wordt aldus een orkestbak, waar musici hun instrumenten stemmen, een proeflokaal voor fijnsnuivers én een tastkussen waar ze stapje voor stapje haar weg leert kennen. De lezer leert en ruikt en tast met haar mee, verwonderd over de rijkdom van de details en vooral ook overdonderd door Kessels’ stijl die schittert in precisie.

    Niet alleen de wereld om haar heen vult zich met geuren, geluiden en klanken, ook de boeken die zij in braille leert lezen, geven vanwege de noodgedwongen langzame en aftastende manier van lezen meer van hun diepgang en reikwijdte prijs dan een vluchtige lectuur met de ogen kan doen. Met de vingertoppen lezen verandert haar perceptie van de taal, verruimt haar denkkaders en verrijkt haar leeservaring, omdat je ‘met ontelbaar veel draden’ met het boek ‘verbonden raakt’. En zo vergaat het ook de lezer. Ruw is niet alleen een prachtig geschreven roman over blindheid en eenzaamheid, het is tevens een lofrede op de zintuigen én een overtuigend pleidooi om langzamer te leven én te lezen.

  • Mensje van Keulen - Een goed verhaal

    Rapport Mensje van Keulen:
    De zes verhalen in Een goed verhaal zijn uitgebalanceerde, afgepaste doses taal. De personages blijven nog lang bij: de vrouw die alles slikt van haar veel oudere, schrijvende partner en die zijn kwetsende woorden ’s nachts uit het raam wegblaast, de man die keer op keer de vragen van zijn echtgenoot moet beantwoorden over zijn overspel. Zelfs passanten blijven hangen bij de lezer: de dikbuikige man die bij het buffet op een cruiseschip zijn bord maar blijft vol laden, het meisje met de mollige enkels waarin een hele toekomst te lezen valt van ‘vermoeidheid, afwijzing, een voortijdige dood op een bank vol vlekken’. Van Keulen weet hen met enkele goed gekozen woorden tot leven te wekken.

    In Een goed verhaal bestaan twee tegenstrijdige werkelijkheden naast elkaar: de tastbare werkelijkheid, dat wat mensen zeggen en doen, en de innerlijke werkelijkheid, wat mensen voelen en denken. ‘Dom wijf,’ denkt de reizigster over de suppoost die haar in het museum tot de orde roept als ze een meubelstuk aanraakt, maar ze excuseert zich beleefd en liegt zelfs dat ze uit een familie van meubelmakers komt. ‘Geen licht aandoen,’ zegt een man die zojuist verkracht is tegen zijn vrouw, als hij paniek voelt over een eventuele besmetting, ‘ik slaap bijna’. Innerlijk woedt een storm, uiterlijk is alles kalm en onder controle.

    Mensje van Keulen heeft, sinds haar debuut in 1972, de mogelijkheden in het genre van het korte verhaal meer en meer uitgebuit. Subtiel bouwt ze haar verhaal op, bedrieglijk losjes en bondig schetst ze een situatie. Ze is onverwacht grappig, laat onderhuidse dreiging, twijfel en huiver voelen en maakt dan met een onverhoedse coup de theâtre duidelijk dat het allemaal nog veel erger is dan gedacht. Die kundig opgebouwde verhalen doen de lezer steigeren als hij geconfronteerd wordt met zoveel wreedheid, valsheid, onmenselijkheid. Groot is het ontnuchterend en ontregelend effect van deze verhalen van Mensje van Keulen.

    Haar personages zijn bang om alleen gelaten te worden, maar maken keuzes die de gevreesde eenzaamheid juist uitnodigen. Soms toont Van Keulen de stille huiselijke wanhoop, dan weer toont ze het grote leed als een macabere nachtmerrie. Ze legt de ingehouden tranen en ontreddering bloot, maar zoomt ook in op ongegeneerde wreedheden, jaloezie, bedrog, wrok en machtswellust, want niemand in de wereld van Van Keulen is alleen maar slachtoffer.

    Zonder pathos, in een dwingend realisme dat bijt en wringt, beschrijft ze de menselijke wanhoop. Mensje van Keulen toont zich in deze bundel een sublieme chroniqueur van de menselijke eenzaamheid.

  • Tom Lanoye - Sprakeloos

    Rapport Tom Lanoye:
    Voordat Tom Lanoye, althans het romanpersonage dat dezelfde naam draagt als zijn schepper, begint te bouwen aan het monument voor zijn moeder, beschrijft hij zijn weerzin en twijfel om zich aan een dergelijke taak te wijden. Hij traineert en chicaneert, maakt omtrekkende bewegingen en vervloekt zijn eigen lafheid.

    Begin, maant hij zichzelf, begin toch. Het is juist deze aarzeling die ons duidelijk maakt dat deze schrijver niet heeft gewacht met verwerken vooraleer te beschrijven, maar ervoor heeft gekozen een pijn te verwoorden die nog onverteerd is ‘in een tijdperk en periode die het vermogen te rouwen hebben verloren’.

    Wanneer Lanoye dan eindelijk aanvangt het leven, de ziekte, de aftakeling en de dood te beschrijven van zijn moeder – een slagvaardige slagersvrouw, flamboyante amateur-actrice en vijfvoudig moederdier – blijkt het standbeeld dat langzaam gestalte krijgt voortdurend te wankelen en onverhoeds van de sokkel te kunnen vallen. De moeder deelde geregeld harde klappen uit aan haar dierbaren. Hartverscheurend is de scène waarin de schrijver zijn homoseksuele geaardheid aan zijn moeder bekent en er kwetsende woorden klinken. Uiteindelijk zwijgt de moeder helemaal. Zo overvloedig als de spraakwaterval is die Lanoye over ons uitstort, zo sprakeloos is zijn moeder als zij na haar beroerte is getroffen door een vorm van afasie. De woorden besterven in haar mond, wat haar razend maakt en op den duur van elke realiteit onthecht.

    Lanoye slaat zowel liefdevol als scherpzinnig haar neergang gade – tot het bittere einde waarbij alle gezinsleden haar toestaan te sterven. ‘Misschien kan liefde maar één ding echt,’ schrijft Lanoye. ‘Uit liefde doden.’

    Door voortdurend zijn eigen verrichtingen als schrijver te becommentariëren, de lezer toe te spreken en zichzelf te verbieden te liegen, te verbloemen of zich te generen, laat Lanoye zijn verhaal ongepolijst achter bij de lezer, alsof het de ruwe versie betreft van een nog te voltooien werk. Dit geeft het boek een prettige spanning, waarbij de beschreven werkelijkheid en het schrijfproces door elkaar heen lopen als bij ‘een roman die geen roman mag worden’.

    De schets van het huwelijk van zijn ouders – het echtpaar in hun symbiotische verstrengeling met hun periodieke kibbelarijen, dierbare routines en wederzijdse verknochtheid – is met vaste hand gemaakt. Lanoye lijkt dan misschien onbeheerst en onbesuisd in zijn aanpak, maar hij houdt de precaire balans tussen lichtvoetigheid en bijtend realisme. Hij vertelt tragikomische anekdotes waarin moeders met haar hang naar frivoliteiten en verlangen naar aandacht (‘barok tot in haar toastjes’) tot leven komt, en hij beschrijft genadeloos het ziekteproces. In een barokke woordenvloed, soms in vet Vlaams of rauw dialect, zet hij een mens neer die met al haar tekortkomingen, kwade luimen en onhebbelijkheden volkomen levensecht is en onder de huid van de lezer kruipt.

    Met Sprakeloos heeft Tom Lanoye een indringend boek geschreven dat leest als een klaagzang, een eerbetoon en een krakende vloek ineen.

  • Peter Terrin - De bewaker

    Rapport Peter Terrin:
    Het beroep van bewaker wordt altijd onderschat. Is er meer eer te behalen met het bouwen van een huis of het besturen van een trein? Van een bewaker wordt iets onmenselijks gevraagd: niets doen, wachten en alert blijven. Dat is de diepste overtuiging van Harry, een hoofdpersonage in de vierde roman van Peter Terrin.

    De bewaker is een vervreemdende, kafkaëske vertelling. Evenals de ik-verteller, Michel, werkt Harry in dienst van wat ‘de organisatie’ wordt genoemd. Die schimmige organisatie, waarin de personages onvoorwaardelijk geloven, zorgt ervoor dat een luxeappartementsblok van veertig verdiepingen, bewoond door superrijken met namen als Olano, Poborski, Van der Burg-Zethoven, de hoogst mogelijke beveiliging krijgt. Het gebouw is alleen toegankelijk via de ondergrondse garage waarvan de bewakers vierentwintig uur op vierentwintig de toegangspoort controleren met een paranoïde routine, hun wapen altijd in de aanslag.

    Peter Terrin creëert met woorden wat Hopper in zijn taferelen en landschappen evoceert met verf: in kaal surrealistische taferelen krijgt het Beckettiaans absurde en uitzichtloze leven van de personages op huiveringwekkende wijze gestalte.

    De scheiding tussen de buitenwereld en de onderwereld, waarin de bewakers Harry en Michel leven en bewegen in toenemende duisternis zonder dat het hun perfectiedrang hindert, is compleet. Peter Terrin slaagt erin de geringste feiten in een verhaal, waarin eigenlijk amper iets gebeurt, in het geheugen van de lezer te prenten. Door de krachtig suggestieve stijl hoort de lezer het water doorsijpelen in de spoelbak van het toilet, ziet hij die ene vlieg die in de garage is verdwaald en ruikt hij de aardbeigeur van een stuk gevallen jampot.

    In de onderbuik van het gebouw leven de bewakers als mollen, blind voor wat er in de buitenwereld te gebeuren staat nadat alle bewoners, op één na, het gebouw hebben verlaten. Zij moeten maar raden waarom die bewoners zijn vertrokken en verzinnen zelf dan maar redenen: een dreigende oorlog? een nucleaire ramp? een gasaanval in de stad? Met grote precisie analyseert Peter Terrin de logica van twee personages die alles streng onder controle willen houden en daardoor zelf ongecontroleerde projectielen worden.

    De bewaker is een ontregelend, allegorisch verhaal over de leegte van het leven van personages voor wie regels regels zijn die altijd gerespecteerd moeten worden. De lezer wordt meegezogen in de fantasieën, dwangideeën en dromen van twee mensen die eenzelfde onwrikbaar geloof hebben in de illusie ooit te zullen behoren tot de elite in de hiërarchie van ‘de organisatie’. Harry en Michel worden gaandeweg van medestanders in het realiseren van die ambitie rivalen en concurrenten die elkaar wantrouwen.

    Tot op de laatste bladzijde slaagt Peter Terrin erin deze vragen open te houden: wie is wie? en wat is er eigenlijk aan de hand? Hoe verwarrend en vreemd de fictieve wereld waarin de personages zich bewegen ook is, de lezer herkent in de bladzijden van De bewaker als in een filigram zijn eigen reële wereld, met bewakingscamera’s, geüniformeerde ordehandhavers, beveiligde woonzones voor wie het zich kan permitteren: de burgers die altijd voor criminelen en terroristen op hun hoede moeten zijn. Het leven is geen sprookje maar een nachtmerrie. De bewaker verwoordt die indrukwekkend.

  • Walter Van den Broeck - Terug naar Walden

    Rapport Walter Van den Broeck:
    Met Terug naar Walden heeft Walter van den Broeck een wervelende roman geschreven met een hoog verhaaltempo en een grote schare kleurrijke personages, van Amerikaanse en Kempense origine, wier afzonderlijke levens door de listige manipulatie van de auteur samenkomen in een tableau vivant van formaat.

    De hoofdpersoon, Ruler Marsh, al tien jaar lang de rijkste man van de wereld, verneemt van zijn dokter dat hij een zeldzame aandoening heeft die hem heel vlug zal slopen. Dan neemt hij de beslissing die hij al een leven lang heeft voorbereid: wraak nemen op het systeem van graaizucht van beursgoeroes en bankspecialisten dat in de jaren dertig de grote depressie heeft veroorzaakt. Die heeft zijn vader en moeder na het faillissement van hun bouwbedrijf, destijds het grootste in Texas, tot zelfmoord gebracht en hem uit het riante ouderlijke huis verdreven.

    Ruler Marsh is de kleinzoon van Wouter Vermeersch die in 1885 uit het Kempische dorp Wallem naar de States emigreerde en daar zijn naam veranderde in Waldo Marsh. In 1939 ontmoette Ruler een Hollandse immigrant die, in het begin van de vorige eeuw, in Wilmington in de Van Eeden Colony had verbleven. Uit zijn verhaal blijkt dat niet alleen een wereld voortgestuwd door het ongebreidelde winstprincipe gedoemd is ten onder te gaan, maar ook een samenleving geënt op het Walden-ideaal.

    Toch is Terug naar Walden geen cynische of dystopische roman. Ruler Marsh geeft uit wraakzucht het startsein voor een wereldwijde crisis, maar besluit ook alle macht uit handen te geven en zich voortaan te laten leiden door het toeval, in de overtuiging dat hij een geroepene is en door iemand naar zijn bestemming gebracht zal worden. Walter van den Broeck is een uitstekend regisseur van het toeval dat Ruler Marsh van New York via het Hilton in Brussel en de Antwerpse hoerenbuurt naar het hotel ‘Het Paradijs’ in Wallem brengt, waar hij zijn Kempische voorvaderlijke roots ontdekt. Door zijn omgang met de filosofiestudente Kaat, die als Kitty haar studies bekostigt als prostituee, komt hij tot het inzicht dat hij zich heeft vergist door zijn leven uitsluitend in te stellen op wraakneming; hij heeft zijn levensdrift compleet onderdrukt. Ook Mr. Missing, het personage waarvoor Steve Fossett model gestaan heeft, en Hanne, de vrouw die bij een parachutesprong neergestort is, hebben een innerlijke stem gehoord die hen aanzette om op zoek te gaan naar een nieuwe dimensie in hun leven, een doelwit, een eindbestemming, het Zijn zelf.

    Terug naar Walden is een serieuze schelmenroman, vol verrassende wendingen. De bewoners van Wallem worden geportretteerd met de onnavolgbare stijl die de auteur eerder magistraal aanwendde in zijn roman Brief aan Boudewijn.

    In Terug naar Walden is Walter van den Broeck erin geslaagd de recente actualiteit - beurskrachs, 9/11, de raadselachtige verdwijning van Steve Fossett, de folterpraktijken in Guantanamo, de parachutemoord - samen te weven tot een fictioneel patchwork dat leest als een thriller, een odyssee en een familiegeschiedenis, en een crisisroman waarvan Hoop het slotwoord is.

Longlist

Naar de overzichtspagina

Delen