Penselen 2002

Rapport:


De Penseeljury 2002, bestaande uit:
Bregje Boonstra (voorzitter)
Marieke Oomen
Anki Posthumus
Ger Schoolenaar
Ida Schuurman

heeft de volgende boeken voorgedragen ter bekroning met een Gouden of Zilveren Penseel. De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek heeft deze voordracht overgenomen.

Gouden Penseel:
Willemien Min - ik schilder je in woorden - Van Goor

Zilveren Penselen:
Harriët van Reek - Bokje - Querido

Tijn Snoodijk - GETVER! ALWEER EEN bOEK - Zirkoon

INLEIDING
Zonder illustratoren zou het met het kinderboek treurig gesteld zijn, of beter gezegd, met de lezers ervan. In één van 's werelds beroemdste kinderboeken wordt dat namens die lezers onomstotelijk vastgesteld, om precies te zijn in de derde regel van de eerste bladzijde: 'Een of twee keer had ze een blik geworpen in het boek dat haar zus las, maar er stonden geen plaatjes of gesprekken in. En wat heb je aan een boek, dacht Alice, zonder plaatjes of gesprekken?' Daarbij maakte Athony Browne voor de Van Goor-uitgave een prent die het belang van zijn kunst en kunde met kracht ondersteunt. Beter dan in de woorden van Lewis Carroll is er de landerige sfeer van een zomerdag voelbaar, met de eindeloze groenheid van de natuur en op de voorgrond Alice, die op het punt staat te ontploffen van verveling. De plaat spreekt zoals dat heet boekdelen.

Dat er dus naast de Griffels Penselen bestaan, is een zaak van rechtvaardigheid en van gezond verstand. En dat het Gouden Penseel vandaag voor de dertigste maal wordt uitgereikt - minus die éne keer in 1983, toen de jury meende geen Goud te kunnen ontdekken - stemt tot grote tevredenheid. Maar ook tot waakzaamheid, want in een tijd waar de verkoopcijfers steeds meer aan invloed winnen, is het niet ondenkbaar dat aan de erkenning van artistieke kwaliteit steeds minder belang zal worden gehecht. Het is prachtig dat de Penselen dit jaar alle drie van eigen bodem zijn, maar dat het met de kwaliteit van het geïllustreerde kinderboek in ons land wel snor zit, is een uitspraak die de jury - na het langs zien komen van een kleine honderdvijftig titels - niet volmondig zou kunnen beamen.

Uiteindelijk bleven er slechts vijftien over die belangrijk genoeg waren om de messen over te slijpen. Vijftien boeken, die meer en anders te bieden hebben dan woest glanzende kleurigheid, zoete aquarelkindjes en koddige beesten, bang in het donker of op weg naar school dan wel naar een onwaarschijnlijk avontuur. Vijftien boeken die zich onderscheiden door een oorspronkelijke gedachtengang en creativiteit, door het zichtbare besef dat illustraties in een kinderboek iets te maken dienen te hebben met de tekst, maar eerst en vooral door een met liefde en overtuiging toegepast vakmanschap.

Van die vijftien titels moesten er in de discussies verschillende wijken voor hun meerdere, andere sneuvelden omdat ze zich binnen het bestaande werk van een kunstenaar niet opvallend genoeg wisten te plaatsen. De negatieve beslissing die de jury het meest te denken gaf, betreft Philip Hopmans illustratiewerk voor de sprookjes van Grimm. Daaruit spreken kwaliteit, uithoudingsvermogen en toewijding, maar de uitgave kreeg niet de vorm die een fijn dik sprookjesboek - immers een aanschaf voor het leven - verdient. Een boek van zulk gewicht bestaat niet alleen bij de gratie van de mooie tekeningen, maar ook bij die van een zorgvuldige en liefdevolle vormgeving. Penselen bekronen in de eerste plaats de inspanningen van een illustrator, maar dienen tevens te waken over wat de lezer uiteindelijk onder ogen krijgt.

Op de momenten tenslotte dat de afwegingen binnen de jury niet op één lijn waren te krijgen, hebben we het boek dat ons inziens moeiteloos zijn weg zal vinden naar de boekenkast en het hart van de lezer een stapje terug laten doen ten gunste van het eigenzinnige en onconventionele. Een beetje zendingsdrang hoort tenslotte bij elke jury die zichzelf serieus neemt.




Gouden Penseel

  • Willemien Min - Ik schilder je in woorden

    Willemien Min hoort niet tot de bekende, met ijzeren regelmaat publicerende illustratorenclub van het vaderlandse kinderboek. Na haar goed ontvangen debuut uit 1988, dat opviel door de fraaie kleurstelling en het gedurfde gebruik van de pagina's, werkte ze stilletjes door.

    Blijkbaar voelt ze zich aangetrokken tot sprookjesachtige teksten. Voor Lemniscaats complete Andersen-uitgave maakt ze in 1992 realistische potloodtekeningen, bevolkt door boerse kinderen met lieve gezichten, gekleed in zwierige rokken en schorten. Het is meisjesachtig werk, romantisch en een beetje braaf. Vier jaar later bij de sprookjes van Bomans is de toon aan het veranderen. Er is nog potlood, het is nog zwart-wit, maar er staat al het een en ander schots en scheef, veel vaker worden angst en treurnis uitgelicht en regelmatig binden slordige grijze vlakken de illustratieve fragmenten tot een geheel, dat meer kracht en suggestie heeft te bieden dan de anekdotische afbeelding alleen.

    En toen waren er het afgelopen jaar opeens twee boeken van haar hand, waar de jury met bewondering en plezier naar heeft gekeken. In het prentenboek Grijsje is de bij de Bomanssprookjes ingezette stilering met vaste hand doorgevoerd. De muis die zo graag gekleurd wil zijn, staat in haar ontevreden misluktheid breed uitgemeten op de zo goed als lege pagina's, de dunne pootjes en staart in onhandige potloodlijnen aan het massieve lijf. De kaalslag maakt dat alle aandacht uitgaat naar de expressieve muizesnuit. Als je het iemand gunt om vrede met het bestaan te hebben, dan is het deze grijze treurmuis.

    Het gevoel voor kleur en voor mise en page, de voortgaande stilering en het streven naar leger en kaler, het komt allemaal met kracht samen in ik schilder je in woorden. De poëzie van Hans Hagen is klein en voorzichtig, passend bij de ik-figuur die aan het woord is. Een kind is op weg in de grote wereld en durft niet goed. 'Ik leef zo klein op school / zo binnen muren / in het harnas van mijn vel'. In het hoofd en in woorden is mogelijk wat in het echt nog te eng is, de gedachte aan de eigen verwekking door de ouders bijvoorbeeld komt als een schok. Willemien Min beziet de zoekende zinnen met liefde en verbindt ze via tere beelden tot een geheel. Door het knappe gebruik van slechts één - grijsblauwe - steunkleur die dromen en gedachten verbeeldt, weet ze met name de abstracte kant van de gedichten te vangen. Maar ook het kinderlijke, op de drempel van de volwassen wereld aarzelende dat Hagens poëzie hier kenmerkt, krijgt vorm. Zie het konijn Snuffie dat zo weerloos dood ligt te zijn, op zijn rug als het menselijk wezen dat hij voor de eigenaar ongetwijfeld is geweest. De voorpoten zijn gevouwen op de buik, de achterpoten steken heel precies over de vouw van de bladzijde heen. Dit boek is namelijk ook met uiterste zorg in elkaar gezet. En zo werd een hechte eenheid van tekst en illustratie tot een perfect uitgebalanceerd boek, precies het soort boek, waarvoor het Gouden Penseel bestemd is.



Zilveren Penseel

  • Harriët van Reek - Bokje

    Rapport Harriët van Reek:
    Als er iemand is op wie begrippen als onconventioneel en eigenzinnig van toepassing zijn, dan is het Harriët van Reek. Na haar veelgeprezen, maar ook verguisde debuut Lena lena uit 1986 verscheen er met lange tussenpozen weer zo'n merkwaardig ongrijpbaar boekje: Het bergje spek (1989), Henkelman, ons Henkelmannetje (1996). Tekst en illustratie borrelen op uit dezelfde bron en zijn dus van nature elkaars complement. De priegelige tekeningen zijn quasi naïef en voorzien van waanzinnige, minuscule details. Aan het verhaal - zo dat al die naam mag hebben - is weinig touw vast te knopen. Het wezen van Van Reeks werk ligt in de schepping van een onaantastbare kinderwereld met een geheel eigen logica.

    Dat is dus ook weer de wereld waarin Bokje - geen mannetjesgeit, maar een meisje - verkeert en de allereerste mededeling over haar zet direct de toon van ongewoonheid: 'Er was eens een meisje dat er niet was, maar dat nog komen moest.' Bokje opereert samen met haar vriendin Li. Ze huizen in een moederlijk geschapen holle wilgenboom en doen niet veel meer dan wat rondscharrelen in de vrije natuur. Ze zijn er de baas over wat ze maar kunnen bedenken en ontmoeten zo een vliegende koe en een dwerg die toversoep kookt. Ook vinden ze een blauw huisje met een blauwe geit, een bos vol pannenkoeken aan de bomen en een pissebed die prachtig dienst kan doen als paard.

    Naast de absurdistische, in precieze zinnetjes genoteerde tekst is er een minstens zo grote rol weggelegd voor de tot in de kleinste details liefdevol uitgewerkte illustraties. Wie geduld en goede ogen heeft, kan zich bijvoorbeeld verliezen in het bos dat toekijkt bij de brij kokende dwerg. Vier boompjes buigen hun knoestige lijven en steken hun nieuwsgierige knobbelneuzen naar voren. Onder één boom staat een keurig opgemaakt bedje van een centimeter groot, onder een andere herkent de nauwkeurige waarnemer een wc met doortrek en closetrol van naar schatting anderhalve vierkante millimeter. Het zijn uiteindelijk vooral deze maffe priegeltekeningen die de sfeer van een eigen en besloten wereld bepalen, waar je als lezer waarschijnlijk alleen toegang hebt als je je over veel verwondert, maar over weinig verbaast.



Vlag en Wimpel

Naar de overzichtspagina

Delen