Theo Thijssen-prijs 2012

Winnaar

  • Sjoerd Kuyper

    Juryrapport Theo Thijssen prijs 2012:

    Schrijvers die als ze de kans krijgen overal een liedje in proppen, moet je koesteren. Sjoerd Kuyper is zo’n schrijver. Zijn proppen is van het bevlogen soort: het houdt al decennialang aan. De armlastige freules uit de televisieserie van Villa Achterwerk jubelden het uit (De freules), Mees Grobben sloeg zingend op zijn trom (Het zakmes), een koor aan kikkers kwaak-zong in hun boerensloot (Eiber!) en Grace en haar opa lieten geen gelegenheid voorbijgaan om in een lied uit te barsten (Mijn opa de bankrover).

    Liedjes zijn het vuurwerk in het oeuvre van Sjoerd Kuyper. Een boek is zwoegen, zei hij eens, een liedje is meer exploderen. En dat is precies wat ze zijn, die liedjes: kleine exposies. Als fonkelende bommetjes van taal trekken ze een spoor door Kuypers werk. Soms zijn ze vermomd als gedicht, soms zijn ze uit steen gehouwen op een graf, maar ook dan sijpelt de muzikaliteit er onontkoombaar doorheen.

    Zanger wilde hij worden, maar godzijdank ontbrak hem daarvoor het talent. Met een zingende Kuyper op een podium was het met dat schrijverschap vast nooit wat geworden. Nu zijn het andere zangers die resoneren in zijn taal: Bob Dylan, Boudewijn de Groot, Neil Young, Lou Reed. Kuypers teksten zijn aards en helder, filosofisch en warm, vrolijk en diepgaand, lichtvoetig en ernstig, ritmisch en afgewogen, nostalgisch en humoristisch – en soms allemaal tegelijk. Wij noemen hier teksten en niet kinderboeken. Kuypers oeuvre reikt verder dan zijn bejubelde zakmes, zijn begriffelde Robin, zijn ten onterechte in de schaduw gebleven verhalen voor beginnende lezers. Veel verder. Boeken, filmscenario’s, musicals, gedichten, brieven, liedjes voor kinderen en volwassenen, voor boekenplank, toneel, televisie en filmdoek – voor Kuyper zijn het slecht verschillende manieren om zich uit te drukken. Hij is een schrijver die voor vrijwel alle genres de juiste woorden vindt. Met haar voordracht voor de Theo Thijssen- prijs eert de jury Kuypers kinderboekenoeuvre, maar eigenlijk kun je zijn werk voor kleine mensen niet loskoppelen van dat voor grote. De boekenwoorden niet van eht gesprokene en gezongene. Zou Jelka van Houten in de muscial Turks Fruit ooit hebben gezongen:

    Jij zat naast mij, ik zat naast jou
    Ik bleef wakker tot jij sliep
    Nam je in mijn armen liefste
    Keek omhoog totdat de hemel
    Niet meer hoog was maar zo diep
    En ik neerkeek in t’ heelal
    En verlangde naar de val


    Als Kuyper zijn kleuter Robin jaren eerder niet op zijn rug naar de hemel had laten kijken waaruit sneeuwvlokjes dwarrelen, net zo lang ‘tot de hemel niet meer hoog is, maar diep’? Het een ligt in het verlengde van het ander, is ermee vervlochten en alles is onmiskenbaar ontsproten aan dat ene schrijvershoofd.

    Wat niet wegneemt dat er in dat hoofd iets gebeurt als Kuyper voor kinderen schrijft. Een goed kinderboek is geschreven met het hart van een kind en de hand van een volwassenen, zei Kuyper tijdens een lezing die hem bijkans meer publiciteit opleverde dan al zijn boeken bij elkaar. Het is waar Kuyper altijd naar streeft in zijn verhalen voor kleuters, pubers en alles ertussenin. Vaak gaan ze over vriendschap en over hoe je jezelf kunt blijven in een wereld die steeds verandert. Het zijn ontroerende of geestige prentenboeken (Malmok, Een muts voor de maan), veilige warme voorleesverhalen (Robin-boeken), mysterieuze sprookjes over goed en kwaad (De rode zwaan), historische jeugdboeken (Het hart en het mes) of allegorische vertellingen (Josje). In zijn boeken verzoent Kuyper leesbaarheid met stijl en diepgang. Belangrijke levensvragen worden direct en met grote openheid behandeld. Kuyper zoekt het niet in ingewikkelde beelden of volwassen overpeinzingen. Bij hem staat het kind centraal met z’n oprechte drijfveren en al z’n onbevangenheid. Als dat kind een kleuter is die rondscharrelt in het landschap van Kuypers eigen jeugd, zoals in Robin en God, kan dat leiden tot de volgende schitterende dialoog én de Gouden Griffel:

    ’Dus’ zegt Robin, ‘dus… God is niet gevaarlijk?’
    ‘Welnee!’ zegt opa. ‘Een leeuw, die is gevaarlijk.’
    Robin knikt.
    ‘Ja,’ zegt hij, ‘want een leeuw kan mij wél zien.’
    ‘Jij snapt het,’ zegt opa.
    Robin zucht heel diep. Hij vindt het fijn dat God niet gevaarlijk is.
    Opa zucht ook heel diep.
    ‘Dat was een moeilijk gesprek,’zegt hij.
    ‘Maar je hebt het goed gedaan, opa.’zegt Robin.
    ‘Dank je, ‘zegt opa.


    In de kleine grote wereld die Kuyper in zijn Robin-boeken creëert, krijgen gewone observaties een poëtische zeggingskracht. De wereld die zo wit is als het gesneeuwd heeft, de verbazingwekkende stilte van de sneeuw die Robin ervaart als hij naar buiten stapt:

    Hij kijkt en hij kijkt en hij kijkt, en opeens… hóórt hij iets geks.
    Hij hoort niets.
    Helemaal niets.
    Dat heeft Robin nog nooit gehoord!


    Wij wel natuurlijk, maar misschien waren wij het vergeten. Dat deel van ons dat in slaap was gedommeld, kust Kuypers wakker. Hij laat de volwassen (voor)lezer kijken met de ogen van toen, alsof alles nieuw is. Kuyper kent de woorden en beelden om met kinderen over fundamentele zaken te praten en juist daardoor raakt hij een dubbelpubliek van volwassenen en kinderen.

    Sjoerd Kuyper is nooit een boegbeeld van de kinderliteratuur geweest, maar hij is een kinderboekenschrijver met onwrikbare hoofdletter. Eentje die sinds zijn kinderboekendebuut Het boek van Ko de Boswachter in 1975 bijna achteloos een indrukwekkend oeuvre bijeenschreef. Eentje van wie je je bij het openslaan van zijn boeken soms afvraagt of het jaar van uitgave in het colofon wel klopt, omdat de verhalen niets aan frisheid hebben ingeboet.

    Een van de mooiste scènes in Het zakmes staat aan het eind van het boek als de vrienden Mees en Tim elkaar hebben teruggevonden en een beetje onhandig bij elkaar zitten.

    Stil, heel stil wordt het. Eigenlijk willen ze alletwee zeggen hoe aardig ze elkaar vinden en hoe fijn het is om weer samen te zijn. Maar dat zijn moeilijke dingen om te zeggen. Daar zou je eigenlijk nieuwe woorden voor moeten bedenken, nieuwe zinnen… Een nieuwe taal.

    Misschien hebben deze twee kleine jongens een nieuwe taal nodig – Sjoerd Kuyper niet. Hij kan moeilijke dingen, grootse dingen zelfs, vertellen in een gewone ‘oude’ taal, die zich nestelt in je hoofd en blijft rondzingen als een liedje.
    Een erg mooi liedje.

    Met het grootste genoegen draagt de jury Sjoerd Kuyper voor ter bekroning met de Theo Thijssen-prijs 2012.

    Dankwoord Sjoerd Kuyper:Alle dingen nieuw:

    Filosofen, dames en heren, zijn dichters die zichzelf niet geloven. Ik mag het zeggen, want ik kan het weten. Als een dichter iets moois heeft bedacht, schrijft hij het op en gaat er blij naar zitten kijken, als een filosoof iets moois heeft bedacht, schrijft hij het op en gaat proberen te bewijzen dat het nog waar is ook. Als ik dichter zeg, bedoel ik ook de kinderboekenschrijver, want zij zijn er twee rozen aan één twijg.

    De filosoof zoekt schoonheid in de waarheid, de dichter waarheid in de schoonheid. Als ik schrijf: ‘Er zijn dieren in het bos/ zo mooi/ dat niemand ze kan zien.’ En de filosofen lezen dat, dan gaan ze er met een vangnet op af. Ik trok op mijn zeventiende naar de grote stad om filosofie te studeren maar toen ik vijf later mijn eerste gedichten publiceerde bij een echte uitgever stopte ik meteen met die studie en ging terug naar de dorpen en bossen. En nu sta ik hier.

    Dat wil zeggen, ik sta hier, op 27 september in Den Haag, maar ik schrijf dit op 10 juni op een terras in Sitges, onder Barcelona. Er staat een straffe bries uit zee. De vissers worden van de pier geblazen. Onze cappuccino wordt gebracht door een meisje dat achter het schuim aan rent als het van de koffie waait.

    Mijn moeder vertelt graag hoe ik stopte met studeren: ‘Je kwam de kamer binnen en zei: Ik heb me uit mijn studie gefilosofeerd.’ Prachtig vond ze dat. Mijn ouders hebben mij nooit een strobreed in de weg gelegd. Ik moest de middelbare school afmaken en een instrument leren bespelen, daarna was ik vrij om te doen wat ik wilde. En dat heb ik gedaan. Ze zeiden er zelfs niks van toen ik musicals ging schrijven. Dank je, mams. En ik ben ook mijn vader eeuwig dankbaar.

    We zitten op dit terras in Sitges en mijn vrouw Margje leest verhalen van Raymond Carver. Naast haar koffiekop ligt het blad Happinez. Met een z. Ze kreeg het gratis van de boekhandelaar omdat ze die verhalen van Carver kocht voor de vakantie en de boekhandelaar zei dat je echt een ontzettende rotvakantie had als je alleen de verhalen van Raymond Carver bij je had. Happinez gaat over ‘je bewust vervelen’ en hoe goed dat voor je is.

    Dus ik zit een beetje in het azuur te staren en op dolfijnen te wachten en probeer me voor te stellen hoe ik hier in Den Haag voor u sta. Ik kijk naar deze bijeenkomst als Tom Sawyer naar zijn begrafenis. Maarten heeft zijn liederen gezongen, Thomas heeft zijn woorden gesproken, dank, lieve vrienden. Als mijn begrafenis net zo wordt als deze bijeenkomst hoor je mij niet mopperen. In de wolken zie ik u, leden van de jury, die mij hebben voorgedragen voor deze mooiste aller prijzen, mooi in alle opzichten: de eer, de erkenning, deze middag in het Letterkundig museum, mijn dank aan het museum voor de gastvrijheid, het beeldje van Bayens en het geld dat mij zo wonderlijk goed van pas komt. Dank. En in de branding zie ik de leden van het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs, die zo goed waren de voordracht van de jury over te nemen. Ook u dank ik.

    ‘Als je ook wilt lezen,’ zegt Margje. ‘Ik heb nog een boek bij me. Van een filosofe. Het gaat over de tijd. Sommige stukken zijn wel aardig.’ Ik blader door het boek. Er staat hetzelfde in als in de Happinez. Alleen ‘je bewust vervelen’ heet hier ‘terechtkomen in je ware tijd’. De filosofe wordt op een ochtend wakker in haar boerderij in Frankrijk en weet niet of het dinsdag, woensdag of donderdag is. Dat maakt haar gelukkig want ze heeft zich losgemaakt van de door mensen opgelegde tijd van klokken en kalenders. Ze ontwaakt in haar ware tijd. Mijn oma wist in de laatste jaren van haar leven nóóit wat voor dag het was. En dat lag toch echt aan mijn oma en niet aan de tijd. Ik stel Margje de meest gestelde vakantievraag: ‘Kun jij geloven dat we hier pas gisteren kwamen? Het lijkt zoveel langer geleden.’
    ‘Daar gaat dat boek over’, zegt ze.

    Als je de gulle loer beschouwt die de tijd je draait, is vakantie vrij goedkoop. Je betaalt voor een week en je krijgt er twee. Het lijkt alsof je dubbel zoveel tijd hebt en dus twee keer zoveel kunt doen als thuis. Maar zo is het niet, integendeel, de tijd lijkt dubbel omdat je minder doet dan thuis. Ik drink hier ook veel minder koffie. Thuis verwerk ik liters per dag, hier twee kopjes. Maar of het daarom de ‘ware koffie’ is? Ik weet in Bergen zo drie cafés waar je betere kunt krijgen. Dat onze kinderen geboren werden lijkt gisteren maar ze zijn achtentwintig en vijfentwintig en het vliegtuig naar huis vertrekt op 19 juni om 15.40 uur. Ik ben dol op de tijd zoals hij is, met de praktische indeling en de eindigheid – dat die mij gegund is en zoals die mij gegund is. Ik ben de tijd dankbaar dat hij altijd maar voortraast en mij dwingt mijn dankbaarheid voor dit leven om te zetten in woorden voor het te laat is. Wie de wind in de rug heeft, moet niet in de luwte gaan zitten.

    Waarom heb ik deze prijs gewonnen? Omdat de wonderen de wereld nog niet uit zijn. En die wonderen zijn wij, u en ik, wij allemaal. Door de wonderen om mij heen heb ik geschreven zoals ik schreef. Door mijn ouders, mijn vrienden en mijn vrouw. En door mijn kinderen: Joost en Marianne. Door jullie ging ik helderder schrijven, van jullie stal ik wat ik stelen mocht, de fijnste uitspraken van Robin kwamen uit jullie mond, jullie lieten mij voor de tweede keer in mijn leven door de ogen van een kind kijken, die zegening, die eerste keer alles, alle dingen nieuw. Ook door jullie sta ik op dit podium in Den Haag en ik denk aan jullie op dit terras aan zee. Ik dank jullie met alle liefde die in mij is.

    Ik wilde nooit schrijver worden. Omdat ik het altijd al was. Een kind wil ook niet later iemand worden die naar de bakker fietst. Je wordt als schrijver geboren, met een vol zwaar hoofd en dat moet je tijdens je leven leeg zien te schrijven, anders gaat je kist scheef de kuil in. Als ik me bewust ga vervelen, komt er weer van alles in dat hoofd! Soms gun ik me een uur onder de sterren, om mijn haar te bleken, en dan blazen de sterren zacht van boven naar beneden, van mijn kruin naar mijn slapen, en soms spring ik net te laat open blazen ze iets mijn oor in en heb ik weer een jaar nodig om dat op papier te krijgen. Zelfs als ik honderd word, kan ik niet alles schrijven wat ik schrijven wil. De oudste man van Nederland is honderdveertien. Slauerhoff had nog kunnen leven. Denk daar eens aan.

    Ik wil hier ook mijn uitgevers bedanken. Als ik alles wat ik heb geschreven had geschreven en niemand had het uitgegeven, had ik deze prijs ook verdiend maar ik had hem niet gekregen. Ik dank ze, van Groningen tot Middelburg, van Peking tot New York. En de illustratoren die mijn boeken tot een hemels feest voor het oog hebben gemaakt! Van de eerste tot de laatste en de volgende. Dank!

    Als ik, dames en heren, ooit de tijd had genomen om me bewust te vervelen, had ik hier niet gestaan, en als Theo Thijssen in zijn ware tijd was gaan zitten, hadden ze nooit een prijs naar hem genoemd, en P.C. Hooft kende alleen zijn pruimentijd, en de filosofe in haar boerderij zit in haar ware tijd als een mug geplet tussen twee pagina’s Happinez. De Theo Thijssen-prijs geeft je enorm veel lol in het schrijven, moet ik zeggen. Als ik geen schrijver was, zou ik de hele dag dankwoorden schrijven.

    De wind en de zee, de kwikstaartjes op het strand, het meisje dat nog een cappuccino brengt, die rust. Misschien moet ik toch nog wat lezen in het boek van de filosofe. Ik heb ook een maand lang naar alles gekeken wat op de televisie was. Een schrijver moet weten wat de mens ontzielt.

    Ik sla het boek open en in hoofdstuk drie staat een citaat van de Franse filosoof Henri Bergson, uitvinder van de ware tijd. Ik lees: ‘Er bestaat geen gemoedstoestand, hoe eenvoudig ook, die niet telkens verandert, omdat er geen bewustzijn zonder geheugen is, geen voortzetting van een toestand zonder de toevoeging van de herinnering van voorbije momenten aan het tegenwoordige gevoel.’ Dat schreef Bergson en dat lees ik en dat is akelig secuur geformuleerd de kern van mijn poëzie. De queeste naar de eerste keer, de eerste keer van alles, onbevlekt door herinnering, de pure waarneming. Die sensatie.

    Voor het eerst in mijn leven weet ik waarom ik kinderboeken schrijf. Het wordt me al zevenendertig jaar gevraagd en nooit wist ik het antwoord. Ik mompelde altijd maar wat van al die fantasie die je erin kwijt kunt en dat ze er zulke mooie tekeningen bij maken. Nu weet ik het: waar ik in mijn poëzie naar zoek, dat vind ik in mijn werk voor kinderen. Beter nog: in mijn poëzie staat de vraag, in mijn kinderboeken staat het antwoord. Alles voor het eerst. De sensatie die je ondergaat als er een geur langs drijft, gras, als je het wiegeliedje in de populieren hoort, als er namen van oude voetbalclubs uit de radio komen: Velox, DOS en Rigtersbleek. Heel even word je terug gezogen naar de dag waarop je die magische woorden voor het eerst hoorde, je voelt het lijfelijk, je rolt door het pas gemaaide gras, dan is het verdwenen en blijft het verlangen. Behalve als je kinderboeken maakt. Dan ga je niet zitten verlangen, dan ga je zitten schrijven. En alles is er weer.

    Maar een nostalgisch schrijver ben ik niet. Ik verlang niet naar een bakelieten telefoon aan de muur in de gang of naar Coco en de Vliegende Knorrepot op de beeldbuis. Ik verlang ernaar weer te kijken zoals ik destijds keek naar die telefoon. En naar oom Klaas die een pepermuntje at én een sigaar rookte. Tegelijk. Dat wonder. En naar ballet op tv: plat op de grond om onder de rokjes te kunnen gluren. Maar zo kun je ook naar het Higgsdeeltje kijken en zo kijk ik als ik voor kinderen schrijf: iedere stap een avontuur, de stap van een kind, de allereerste en dus de grootste ooit. Kinder- en jeugdliteratuur zet onze fontanel weer op een kier.

    Een stoutmoedig plan waait mijn hoofd in: ik kan met het geld voor de prijs mijn studie filosofie afronden. Misschien zijn de tentamenbriefjes van veertig jaar geleden nog geldig. Ik heb ze bewaard. Ik weet alleen niet of ik het in zes maanden red, op mijn leeftijd. Vroeger mocht je gesubsidieerd studeren tot drie jaar na je dood, nu moet je voor vier jaar betalen en in zes maanden klaar zijn. Je kunt afstuderen op ‘je bewust vervelen’ maar je kunt er tijdens je studie beter niet in gaan oefenen.

    ‘Zo,’ zegt Margje en ze slaat met een klap het boek van Carver dicht, ‘en nu…’

    Zij en ik:één vlees, één geest. Zij heeft mij leren kijken, nadat ik achttien jaar half blind door het leven was gegaan: zon in onze rug, donkere vliegdennen op een wit duin, en al dat blauw erboven. Margje die zoveel meer is dan mijn teerbeminde, meer dan de redactrice die als eerste en scherpste mijn werk leest, veel meer dan de schilderes van intense landschappen van welke ik er soms een voorop een bundel poëzie mag plaatsen, zoveel meer dan de vrouw met wie ik acht boeken schreef en die plots bedacht voor mijn scenario’s – zij was het die mij ooit uit een ijskoud marmer hakte. Zonder haar was ik een humorloze, kinderloze leraar filosofie in Schagen. Zoals zij zich laat verleiden door de oehoe in Artis en daarover kan vertellen tot ik purper zie van jaloezie! Margje, die altijd het goede zegt op het goede moment op de goede plek, slaat haar boek dicht, staat op en zegt: ‘Zo, en nu is het tijd…’

    Het kan ook de Happinez zijn geweest die ze dichtsloeg. Het geluid had met papier te maken. Ik was in gedachten, ik kom van ver, ik dacht aan een meisje dat bedient op een terras in Sitges en akelig jong sterft en tijdens de afscheidsplechtigheid met kist en al doormidden wordt gezaagd omdat ze had gezegd dat ze nog eens bij een goochelaar wilde werken. Dat verhaal moet ik schrijven voor ik filosofie ga studeren. Misschien sloeg Margje met haar hand op dit dankwoord.

    Ze zegt: ‘Zo, en nu is het tijd voor een glas rode wijn.’



    Feestrede door Thomas Verbogt : Fantaseren als manier van leven:

    Sjoerd Kuyper ken ik gelukkig al lang. Graag zou ik het vandaag over onze vriendschap hebben, maar het moet over zijn werk gaan, en dat begrijp ik ook wel, ook al betreur ik het. Niet heel erg, want ik spreek graag over het werk van Sjoerd. Maar toch een klein beetje, want met het grootste genoegen heb ik het over Sjoerd als vriend. Ik denk trouwens dat als ik Sjoerd niet persoonlijk zou kennen, maar wel was opgegroeid met zijn boeken, ik hem ook als vriend zou beschouwen. Want dat doe je onder meer met Sjoerd: je groeit met hem op. Hij en zijn werk vergezellen je. Als je eenmaal aan Sjoerd begonnen bent, aan het werk van Sjoerd, blijft hij altijd in de buurt en dat wil je ook. Je wilt hem niet meer kwijt.

    Wat ik als ‘gewoon’ lezer waarschijnlijk niet geweten had, maar als bevriend lezer wel, is dat er weinig afstand bestaat tussen wie Sjoerd is en wat hij schrijft. Dat is zo bij meer schrijvers die ik ken, maar bij bijna niemand is die relatie zo hecht als bij Sjoerd. Daarom kan ik het moeilijk niet over onze vriendschap hebben, want omgaan met Sjoerd is voor een belangrijk deel in zijn werk zijn, zijn verwondering delen, zijn verbijstering, zijn melancholie, zijn humor, en vooral ook zijn vragen. Die vragen zijn niet onbelangrijk omdat Sjoerd in zijn boeken veel antwoorden geeft op vragen die hij niet of nauwelijks aan de orde laat komen, hooguit zijdelings.
    De antwoorden krijgen meer ruimte. Soms is een goede vraag wezenlijk, maar bij Sjoerd gaat het om een goed antwoord. Een vraag kan haast nooit verhelderend zijn, een antwoord wel.

    Of het leven ingewikkelder wordt naarmate je ouder wordt, weet ik niet. Misschien zijn vooral de vragen die je erover stelt ingewikkelder met onszelf om in het zoeken naar antwoorden. Dat komt weer omdat we het antwoord verder bij ons vandaan proberen te vinden. Als je al vroeg Sjoerd Kuyper begon te lezen, doe je daar minder moeilijk over. Dat moeilijke zit minder in je. Je weet dat het goede antwoord altijd in de buurt is, als je aandachtig kijkt, als je aandachtig luistert. En als het antwoord er niet is, ga je terug naar de vraag en vervangt die door een andere.

    Sjoerd Kuyper schrijft al lang, maar ging voor kinderen schrijven toen zijn eigen kinderen, en dat zijn natuurlijk ook de kinderen van Margje, zeer jong waren, maar oud genoeg om behoefte te krijgen aan verhalen over wat hen overkwam, verhalen die iets verklaarden, of hun kinderwereld groter en avontuurlijker en nóg mooier maakten.

    Die verhalen kwamen in boeken terecht en die las ik, omdat ik ze van Sjoerd kreeg en ook omdat ik nieuwsgierig was, en wat ik zo sensationeel vond – ja, dat is echt het woord: sensationeel – ik merkte dat ik door boeken van Sjoerd – en toen zijn kinderen jong waren, ging het om kleine boeken, om voorleesverhalen – heel overdonderd voelde dat het maar een kleine stap bleek naar de tijd waarin ik zelf kind was. Dat is iets wat me, vooral nu ik, net als Sjoerd, ouder word, sterk bezighoudt: dat de ruimte van je leven zo klein is. Ik heb het niet over wat je overkomt en deelt en veroorzaakt en aanricht, maar de ruimte waarbinnen dat gebeurt, de tijd van je leven.

    Dat begreep ik ten volle toen ik een van de eerste kinderverhalen van Sjoerd las. Ik meen dat het ging om over een bewegende berg in het bed van je ouders. Die berg leek een beetje op een monster, althans op iets wat je je in je kinderbeleving bij een monster voorstelde, maar het bleek je vader te zijn die onder de dekens lag. En ik stond daar zelf ook weer, als jongen van twee, drie jaar. Ik was uit mijn kleine bed gestapt en naar de kamer van mijn ouders gelopen. Mijn moeder was al zingend ergens anders in huis bezig, maar mijn vader sliep nog. Dat zeg ik nu, zesenvijftig jaar later, maar toen zag ik ook een enorme berg die zwak bewoog. Ik voelde geen angst, dacht dus niet dat ik met een monster te maken had, maar voelde wel ontzag, wat ik toen niet besefte, maar wel met terugwerkende kracht toen ik het verhaal van Sjoerd las. Er waren in mijn prille leven nog niet veel dingen die ik durfde te benaderen, maar nu ineens wel, de berg in het bed van mijn ouders.

    Ik ga niet alles behandelen wat essentieel is in het werk van Sjoerd, maar wel wil ik de fantasie noemen, de permanente aanwezigheid van fantasie. Fantaseren als manier van leven. Daarom houd ik zo van dit werk en van de schrijver. Soms lijkt de werkelijkheid zoals die zich voordoet maar een detail. Ik zal er iets meer van maken: een uitgangspunt, gewoon omdat je ergens moet beginnen, maar dan begint het pas echt. Wat er alleen maar in je hoofd en je hart gebeurt, is even waar als alle gebeurtenissen die we werkelijke gebeurtenissen noemen. Zelfs nu maak ik al een onderscheid, wat helemaal niet nodig is als ik het over het werk van Sjoerd heb. Die fantasie is er, hoeft niet eens te worden opgeroepen of gemobiliseerd. De fantasie is er, zoals aan de overkant van de straat een rode poes loopt, zoals de zon melancholiek kleurt op een nazomerse namiddag, zoals uit een huis een oud lied van Bob Dylan klinkt. In de wereld van Sjoerd, in de wereld die hij in zijn werk verbeeldt en oproept en ons zo gul geeft, is de fantasie even belangrijk als onze gedachten over goed en kwaad, als een liefdesverklaring, als een afscheid, als alles.

    Sjoerd kinderen groeien ermee op en met Sjoerds kinderen alle kinderen die met zijn werk in aanraking kwamen, en ook groeide je als volwassene nog een keer op als je wat Sjoerd schreef, doorgaf, voorlas of meelas. Ik heb nog het geluk dat ik Sjoerd ken en we groeien heel vaak op in elkaars gezelschap. Ook daarom feliciteren wij elkaar als we elkaar zien altijd met onze verjaardag die aan het begin van iedere ontmoeting even gevierd moet worden.

    Als ik zeg ‘Sjoerds kinderen groeiden ermee op’, met die verhalen dus, moet ik bekennen – en ik voel dat ik me vandaag niet helemaal hoef te schamen dat te bekennen, nu al dat inspirerende en stralende en tot in alle uithoeken tintelende werk deze belangrijke bekroning krijgt – dat ik een tijdje, een korte periode, jaloers was op Joost en Marianne, de kinderen van Sjoerd en Margje. Ik dacht: je zult een vader hebben die speciaal voor jou verhalen bedenkt en na jou zijn alle andere kinderen aan de beurt, maar jij bent eerst. Ik wilde ook graag een zoon van Sjoerd Kuyper zijn. Ik wilde graag door hem en Margje geadopteerd worden, maar ik zag gelukkig snel in dat daaraan ook nadelen kleefden, vooral als ik wat ouder zou zijn, als was het alleen maar dat ik vader of pap tegen Sjoerd zou moeten zeggen. Of nog erger: dat wanneer ik zei dat ik naar een feest ging, Sjoerd op dat moment al op zijn horloge keek en streng zou zeggen: ‘Maar we zijn wel voor twaalven thuis, knul.’ En dan heb ik het nog niet eens over het angstvisioen dat wanneer ik dan om tien voor twaalf of net nog iets later de feestruimte zou verlaten, Sjoerd aan de overkant van de straat gepikeerd stond te wachten met zijn reusachtige herenrijwiel aan de hand en dat we dan zwijgend de rit naar huis zouden afleggen, terwijl ik doodsbenauwd was voor wat er daar voor me zou zwaaien. Ik geloof niet dat ik dit had verdragen.
    Ik geloof trouwens dat ik ook moeilijk aan mijn eigen werk was toegekomen, met zo’n vader, met die overrompelende veelzijdigheid.

    Want dames en heren, laten we niet vergeten dat Sjoerd in zijn rijke schrijversloopbaan werkelijk alle literaire genres heeft beoefend en alles wat Sjoerd schreef en nog zal schrijven heeft met elkaar te maken. En als ik zoiets beweer moet ik ook zeggen wat het dan is dat dat allemaal bindt. Ik denk dat het levenslust is, misschien levenskunst. Alles in het werk van Sjoerd loopt goed af en dat is niet omdat hij vindt dat zijn lezers daar recht op hebben of dat het makkelijk is, maar dat komt door zijn geloof in de energie van levenslust, door zijn geloof in het goede van fantasie, door het geloof in het goede van het geloof dat alles uiteindelijk goed komt als je dat maar met heel je hart wilt.

    Dat leer je ook in het werk van Sjoerd: wat je wilt ook met je hele hart willen. Ik gebruik het woord ‘leren’ en dat is omdat ik het heel erg waar vind dat Sjoerd een schrijver is van wie veel te leren valt. Ik zeg het niet omdat Sjoerd mijn vriend is, maar ik heb het maar bij een paar schrijvers. Van de meeste schrijvers leer ik dat ik alsjeblieft niet zo wil schrijven en alsjeblieft niet zo wil denken, wat overigens ook uiterst leerzaam is. Maar na een boek of een gedicht van Sjoerd voel ik altijd energie, voel ik me bijna altijd vrolijk. Net zoals ik dat heb wanneer ik het huis van Sjoerd en Margje binnen kom. En dat ik hier niet voor niets: Sjoerd ontháált je echt in zijn werk. Je mag binnenkomen en hij is onstuitbaar gastvrij.

    Dames en heren, waarover ik het helemaal nog niet gehad heb, en waarover ik het ook nog maar kort kan hebben, terwijl ik er het liefst een paar uur over zou willen praten, is Sjoerd Kuyper als stilist, over de fonkelende taal van Sjoerd Kuyper. Ik dacht: ik ga hiervan lekker wat voorbeelden geven. En ik nam een stapeltje boeken van Sjoerd en ging in een makkelijke stoel zitten. Het was nog vroeg in de ochtend en ik begon te lezen en toen ik weer opkeek was de dag alweer voor de helft voorbij. De middagzon stond fel aan de hemel en ik had nergens een streepje bij gezet. Daarvan had ik waarschijnlijk ook afgezien omdat ik overal wel een streepje bij kon zetten. Ik kon helemaal niets uitkiezen. Het was allemaal te veel.

    Ik weet ook waarom ik zijn taal bewonder. Omdat Sjoerd gul is. Omdat hij voortdurend zingt. En dat kan de blues zijn of het hoogste lied. Hij kan fluisteren en een fanfare optrommelen. Nooit is het zuinig, nooit is het keurig braaf, nooit is het krullerig, het is van mij-voor-jou, van mij-alleen-voor-jou-alleen. En hij heeft allemaal niet ingepakt, want dat uitpakken is alleen maar gedoe. Nee: hier is het, pak het maar, pak er maar zoveel van als je wilt, ik heb het speciaal voor jou uit het gras of de hemel of uit mijn hart geplukt.

    Toen ik een ochtend in Sjoerd had gelezen, lag Robin is verliefd bovenop. Ik sloeg het open en kwam onmiddellijk in het bed van Robin terecht. Dat bed is niet alleen van Robin, maar ook van het varken Knor. Knor is een van mijn favoriete personages in het werk van Sjoerd. Sjoerd heeft altijd fantastische zinnen voor en bij Knor bedacht. Nu ook weer: ‘Hij [Knor dus] kan verschrikkelijk goed slapen. Als Knor in een bed gaat liggen, valt het bed ook in slaap.’
    Na zo’n mededeling kan ik weer een paar uur verder.

    Dat kan ik altijd, lieve Sjoerd, na een boek van jou, boeken die voor kinderen zijn en voor volwassenen die in hun hart kinderen willen blijven. En dan bedoel ik niet kinderachtig, maar mensen die nooit vergeten wat er in het verloren paradijs aan de hand was en dat blijven zoeken, ook al is het er misschien niet meer, maar dat maakt niet uit. Want als je gelooft dat het er is, is het er ook. Dat vertel jij ons, Sjoerd. En ik ken je, ik weet dat je daar nooit over op zult houden. Ook daarom ben ik zo blij dat je boeken er zijn en dat jij er bent, in ons leven.
    Ik eindig met een liedje van je, ik ga het niet zingen, ik lees het voor. Het gaat over jou, over jou en ons allemaal, over je boeken en ons allemaal. Het heet ‘Een vriend’:

    Soms is een vriendje heel dichtbij.
    Dan woont hij in dezelfde straat
    Of zit hij naast je in de klas
    Een vriend met wie je altijd praat.

    Soms gaat zo’n vriend dan heel ver weg.
    Dat doet je dan veel verdriet.
    En soms…ja, soms vergeet je hem.
    Omdat je hem niet meer ziet.

    Maar als je heel vaak aan hem denkt
    En aan hoe leuk het is geweest
    Dan komt hij op een dag terug
    Dan is het feest! Dan is het feest!




    Details:
    De jury:
    Karel Berkhout, voorzitter
    Peter van Gestel
    Rita Ghesquière
    Joukje Akveld
    Jaap Robben


Naar de overzichtspagina

Delen