Dichter en Dordrechtenaar Jan Eijkelboom overleden

Gepubliceerd: 28-02-2008

Voor Jan Eijkelboom was de ouderdom geen kwelling, zoals bleek in zijn meest recente, in 2005 verschenen dichtbundel Een olifant met geheugenverlies. Niets hoeft meer te worden uitgezocht, zodat je je rustig kunt concentreren op het alledaagse, waarin de woorden toch verrassend nieuwe betekenissen kunnen krijgen. Vandaag is hij overleden in zijn woonplaats Dordrecht, de stad waarvan hij ereburger en sinds 2001 ook stadsdichter was. Hij is 81 jaar oud geworden.

Laatbloeier
Jan Eijkelboom was een schoolvoorbeeld van een dichterlijke laatbloeier. Zijn eerste bundel, Wat blijft komt nooit terug, verscheen in 1979, toen hij de vijftig al was gepasseerd. Strikt genomen was dat niet zijn echte debuut. In 1957 had hij al een vertaling van de Engelse barokdichter John Donne gepubliceerd onder de titel Tien liefdesgedichten en drie preken. In 1988 verscheen daarvan een met vijf nieuwe vertalingen aangevulde herdruk: Liefdesgedichten, heilige sonnetten en preken. Later heeft hij onder meer ook William Butler Yeats, T.S.Eliot, Philip Larkin, de War Poets, Derek Walcott en de laatste jaren Don Paterson en P.C. Evans vertaald.

Vrolijke janboel
Zowel in het inmiddels al zevenmaal herdrukte debuut Wat blijft komt nooit terug als in de daaropvolgende bundels De gouden man (1982) en De wimpers van de dageraad (1987) nam hij ook telkens enkele vertaalde gedichten op. Het gaat dan wel altijd om poëzie die nauw aansluit bij zijn eigen thematiek: de menselijke staat tussen geboorte en dood. Het leven is een janboel, maar een vrolijke. Eenzaamheid, wanhoop, afrekening met het verleden, vlucht in de alcohol, door relativerende humor verzacht, zijn alom aanwezig. Grote woorden werden daarbij geschuwd, de direct aansprekende toon stijlvol gebezigd.

Op kippenvleugels
Na De gouden man, in 1984 met de Herman Gorterprijs bekroond, en De wimpers van de dageraad verscheen in 1991 Kippevleugels. Deze veelzeggende titel, ontleend aan de vertaling van een gedicht van Philip Larkin, geeft aan dat ook de poëzie in deze bundel zich niet op adelaarswieken verheft. In 2002, het jaar waarin de bundel Heden voelen mijn voeten zich goed verscheen (bekroond met de Jan Campertprijs), bundelde hij zijn zeven eerdere bundels in de 246 pagina's van Tot zo ver, met de ondertitel De meeste gedichten.

Politionele acties
‘Bij een waringin lagen wij te wachten, / ik weet niet meer waarop, / waarschijnlijk / op wat toen de vijand werd genoemd, / ik weet niet meer waarom.’ Dit is de eerste strofe van het gedicht ‘Voorval op Java’ in Kippevleugels. Het was ook opgenomen in de bundel Het krijgsbedrijf (2000), die daarnaast vier verhalen bevatte. Het was Eijkelbooms prozadebuut in boekvorm. Na een militaire opleiding in Schotland en Duitsland werd hij bij de politionele acties uitgezonden naar Indonesië. In Vijf benaderingen, zoals de ondertitel van de bundel luidt, heeft hij over zijn ervaringen daar geschreven.

Verlossend boek
‘Zo lang is dat alweer geleden.’ Op die relativerende, onderkoelde wijze eindigde hij het verhaal ‘De opmars’ en daarmee Het krijgsbedrijf. Die woorden volgen op een passage waarin een soldaat die huilt om een omgekomen maat, door een ander wordt getroost. ‘Dit was pas verontrustend.’ De man was omgekomen toen hun carrier op een mijn was gereden. Dat maakte de oorlog daar zo angstwekkend, dat er in feite nooit een vijand te zien was. Er waren mijnen, tankvallen en op ooghoogte over de weg gespannen ijzerdraden, maar de vijand zelf bleef onzichtbaar. In de loop der jaren was Eijkelboom naar dat ‘verlossende’ boek toegegroeid.

Tussen doem en divertimento
Ook in Binnensmonds jubelend (2004) schreef hij over de tijd dat hij soldaat was in een oorlog of over ‘een gefluisterde ziekte’ die stil weer is voorbijgegaan en ook daarin was zijn toon die ‘tussen doem en divertimento’. ‘De titel Binnensmonds jubelend slaat ook op mijn manier van schrijven, een beetje sober, niet al te uitbundig,’ zei hij in Opium. In de titel van Heden voelen mijn voeten zich goed klonk die getemperde opgewektheid eveneens door. Naast gedichten over oorlog en geweld, ziekte en aftakeling, angst en dood, is er de ‘huivering die niettemin / veel weg heeft van genot’. Hij dichtte ook over de magische kracht van landschappen en muziek, over het voor eeuwig naar honing smakende licht bij Aelbert Cuyp en de haast wellustige kuisheid van een bos witte asperges.

Tekst en copyright: Jef van Gool / Literatuurplein (bron: LiTTerair – pagina 433 – van 28 februari 2008)