De bekoring van Hans Münstermann
Recensie door Ingrid Hoogervorst (18 januari 2008)

Lichte roman over zwaar onderwerp

‘Moeder is weg,’ zegt de oudste dochter op een zomerdag in 1960 tegen haar broertjes en zusjes. Niet eventjes weg naar de Bijenkorf of een verjaardagstaart voor Andreas halen bij de bakker. Nee, moeder is weggelopen. Koffer in haar hand heeft ze de deur van haar woning in Amsterdam-Zuid achter zich dichtgetrokken en is in de tram gestapt om zich in de armen van een automonteur te storten. Haar zeven kinderen in verbijstering en angstige schrik achterlatend.

In De bekoring, de nieuwe roman van Hans Münstermann (1947), praten ze er vierenveertig jaar later voor het eerst over, wanneer moeder is gestorven. Ze zijn bijeen in haar huis en kijken naar televisiebeelden van het gijzeldrama in de school van Beslan. Zoon Andreas was op de dag dat ze wegliep jarig en heeft zijn moeder nooit vergeven. Daarom zagen ze elkaar niet veel.

Waarom al die oude herinneringen ophalen nu ze dood is, protesteren zijn broers en zusters. In vergelijking met de gegijzelde Russische schoolkinderen is het een verhaal van niets. Een overspannen huisvrouw uit de jaren vijftig, die in de zorg voor zeven kinderen en een futloos huwelijk dreigt ten onder te gaan. Uit verlangen en hoop op geluk gaat ze een relatie aan met een mooie vent, voor wie ze haar gezin verlaat. In die tijd van conventies een overmoedige daad.

De oudste dochter Brunhilde weet er het meeste van. Dat de automonteur moeder heeft laten zitten, net als de cabaretier met wie ze een nachtje doorbracht. Toen kwam ze met hangende pootjes en een koffer vol vuil wasgoed terug naar huis. Naar de zeven kinderen en de echtgenoot ‘die ze niet meer kón zien’. De familieleden zijn er achteraf nog razend om, hoe kon moeder ons zó in de steek laten.

Haar kinderen hebben die zomerdag allemaal anders beleefd, en begrip en woede verdringen elkaar. Toch begrijpen ze het wel, zeker Andreas die schrijver is geworden. ‘Mijn moeder was haar hele leven radeloos,’ zegt hij. ‘Toen ze terug was bestelde zijn vader bij Neckerman een wandmeubel met ingebouwde tv en grammofoon. Dat was haar grootste wens.’

Andreas Klein is de literaire alter ego van Münstermann, de schrijver van deze prachtige roman De bekoring, die uitblinkt door de originele vorm waarin hij het autobiografische verhaal goot. Een vorm waarin de schrijver voortdurend aanwezig is en die wat toon en sfeer betreft doet denken aan Nootebooms Een lied van schijn en wezen.

Toen het bericht van zijn moeders overlijden arriveerde, werkte Andreas aan een boek over de socialistische architect J.C. van Epen, de bouwmeester van het huizencomplex in Amsterdam-Zuid waar het gezin indertijd woonde. Münstermann laat hem meelopen als de idealist die zijn moeder probeert tegen te houden. Ook de vrouw van de schrijver geeft commentaar. Ze wil weten wat er precies gebeurde. De waarheid. ‘Wat was je moeder voor iemand?’ Het biedt de schrijver de mogelijkheid tot het relativeren van de eigen herinneringen: ‘Alles wat ik erover zeg is onbetrouwbaar.’

En zo weet Münstermann op een lichte, speelse manier een indringende roman te schrijven over een zwaar onderwerp, dat geen lezer van zijn generatie ongemoeid zal laten. Een knappe prestatie.

Bron: De Telegraaf, 3 februari 2006