Fabels van Jean de La Fontaine
Recensie door Guus Bauer (6 oktober 2017)
Denk je aan fabels, dan kom je als vanzelf terecht bij Jean de La Fontaine (1621 – 1695). De Franse schrijver en dichter die in de loop der eeuwen synoniem is geworden met zijn licht moralistische vertellingen in dichtvorm. Ter lering en vermaak. La Fontaine Fabels volstaat dan ook op het voorplat. (En uiteraard ook de namen van hertaler en illustrator.) De mens aan de schandpaal, en hoe kun je dat beter doen dan door ze in de huid van een dier te stoppen. Op die wijze kun je makkelijker bespotten, de menselijke onhebbelijkheden afwimpelen. Kijk eens hoe achteloos, dom, hebzuchtig, jaloers die beesten zijn. La Fontaine beschouwde, heel vooruitstrevend, dieren niet als machines zonder ratio, zoals de één generatie oudere Descartes betoogde.

Marietje d’Hane-Scheltema, net als La Fontaine een overtuigd classicist, bracht bekende en minder bekende fabels samen en voorzag ze op zorgvuldige wijze van een hedendaags jasje. Voordeel daarbij is dat de originelen doorgaans een niet al te strak metrum hebben. De hardback – echt voor jong en oud – werd door grafisch vormgever Floris Tilanus geïllustreerd met een vijftal grote overzichtsprenten. Pentekeningen die door de fijne arcering een goed licht-donker effect hebben. Alsof er op sommige details een spotlicht staat. Echt monnikenwerk. Passend daarbij zijn de uitvergrote beginletters met illustratie bij elk van de bijna honderd fabels. Een eerbetoon aan de traditie. D’Hane-Scheltema heeft de teksten subtiel aangepast aan onze tijd, maar de ziel is natuurlijk al eeuwen, om niet te zeggen millennia, ongewijzigd.

Het boek opent met de klassieker De krekel en de mier. Een fabel die elke ‘flierefluiter’ zal aanspreken. De kunstenaar, de muzikant, de schrijver, de recensent die voor een habbekrats voor eenieder zingt en dus geen kans heeft gezien om een paar graankorreltjes te sparen voor de winter. En denk maar niet dat de mier ook maar iets afgeeft. Een vrolijke scherts van La Fontaine met een pijnlijke ondertoon. Het is goed voor de kunstenaar om droog brood te vreten op het lekkende zoldertje. (Denk aan het schilderij De arme dichter van Carl Spitzweg.) Kleinburgers interpreteerden dat in later dagen voornamelijk als: ‘Wie niet werkt zal niet eten’.

De fabel over de smartelijke krekelzang stoelt La Fontaine op het levensverhaal van de Griekse bard Aesopus die in de zesde eeuw voor christus al verhalend rondging, maar nooit iets opschreef. Zijn wijsheden zijn mondeling overgeleverd. Aesopus was de krekel die bij de mensen kwam bedelen en met spot werd verdreven.

Achterin dit grootboek over het lot van de mensheid – een fijn formaat, ietsje kleiner dan A4 – wordt bij verschillende fabels de vaak classicistische achtergrond geschetst. Homerus, Plinius, Herodotus, Horatius, maar evengoed heeft La Fontaine zich laten inspireren door Arabische handschriften, verhalen uit het verre oosten, Babylonische zegswijzen, vroege Franse en Italiaanse literatoren en al dan niet dichtende tijdgenoten.

Alleen al voor deze verduidelijkingen – die ook verwijzen naar, en deels uitleg geven over de niet vertaalde inleidingen en toelichtingen van La Fontaine zelf – dient men dit prachtboek te lezen. Alles is ooit al eens gedaan, gezegd, maar kan telkens weer op een nieuwe, frisse, net iets verschoven manier worden verteld. De fabels zijn mede onvergankelijk geworden door de ooit door La Fontaine gekozen vorm. Ze dragen daarnaast een oeroude vertelhistorie met zich mee. Het zijn eigenlijk stuk voor stuk oude zielen.

Aesopus en ook de Romeinse dichter Phaedrus uit honderd in onze jaartelling, waren slaven, die verhalend sterk waren. Het is niet verwonderlijk dat juist zij uit veiligheidsoverwegingen hun gedachten over machtsmisbruik, over de onhebbelijkheden van hun meesters verpakten in verhaaltjes met dieren in de hoofdrol. La Fontaine verkeerde aan het hof van de Franse koning en werd nergens echt toe gedwongen, maar stilzwijgend werd wel verwacht dat hij in zijn fabels schoolmeester speelde voor de jonge kroonprins. In die zin was La Fontaine een inktslaaf.

De keuze en de volgorde van de fabels in deze bundeling is weloverwogen. Het leest als een continuüm, elke fabel een schakel van een totaalverhaal, een soort feuilleton. In De Leeuw en de Mug staan dieren elkaar naar het leven. In de daaropvolgende vertelling De Duif en de Mier helpen zij elkaar. Twee contrasterende gezichtspunten. Elke fabel is een op zichzelf staande entiteit. Het zorgt ervoor dat Fabels telkens weer op elke willekeurige plek kan worden opengeslagen. Het is een fijn kijk- lees- en bladerboek met veel ‘doorstudeermogelijkheden’.