Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker
Recensie door Guus Bauer (31 mei 2016)

De stille strijd

Vooral in Nederland, het land dat literair gezien soms o zo ongelooflijk smal kan zijn, wordt de gevoelige, licht-autistische Gerbrand Bakker (1962) nog weleens aangezien voor iemand die moeilijk is, misschien wel arrogant, die een norse, afwerende inborst heeft. Maar Bakker houdt de bal altijd aangenaam dicht bij zijn schuurtje, is iemand die eigenlijk wars is van alle tralala in literatuurland, die een grondige hekel heeft aan het feit dat de schrijver sinds jaar en dag een eenmanscircus dient uit te baten.

Hoewel een schrijver van zijn statuur geen memoir nodig heeft – zijn romans spreken meer dan voor zich, voor de goede verstaander is hij er echt wel uit te construeren, zo men dat al wil – is het goed dat nu van zijn hand het privédomeindeel Jasper en zijn knecht is verschenen. De mening van Bakker over het schrijverschap is ontwapenend, laconiek, van een groot doe-maar-gewoon-gehalte, geworteld als hij is in de Noord-Hollandse klei.

De een timmert een meubel, de ander betegelt een badkamerwandje, een derde worstelt woorden op papier. Het is een beroep, niet meer, niet minder. Een beroep waarmee je – in het gunstigste geval, het is niet velen gegeven – in je onderhoud kunt voorzien, waarmee je in een afgelegen gebied een huis en een stuk bosperceel kunt kopen, alwaar je redacteur van je eigen tuin kunt zijn. Waar het lege, verweesde gevoel, de onrust, de angst nog enigszins op te vangen lijken te zijn. Soms dan toch. Het isolement als medicijn tegen de eenzaamheid. De paradox van de depressie.

Sinds jaar en dag doet Bakker in dagblad Trouw en op zijn weblog verslag van zijn perikelen in en rondom zijn huis en bosperceel in Schwarzbach in de Eifel, een gehucht met acht huizen. Sommigen daarvan staan leeg. Wanneer hij daar komt wonen, huist naast hem een ruim negentigjarige vrouw die wordt verzorgd door haar kinderen. Buurman Klaus aan de andere kant is een echte Eifeler, in doen en laten. Misschien nog wel laconieker dan de grote schrijver zelf, maar hij is wel in alles behulpzaam. Iemand die het gemoed van Bakker goed aan lijkt te voelen. Bakker heeft geen rijbewijs. Tochten van en naar zijn huis, naar lezingen, naar zijn huuroptrek in Amsterdam, geschieden met de trein, met de taxi of met sturende passanten. Klaus haalt hem op of brengt hem weg naar het dichtstbijzijnde treinstation of neemt hem mee naar een bouwmarkt of een tuincentrum voor de nodige materialen c.q. planten. Ach, af en toe wordt er ook weleens wat tabak uit Luxemburg gesmokkeld.

En dan is daar ineens een gladharige, windhondachtige gecastreerde reu uit Griekenland, die Jasper wordt gedoopt. De gewenste partner, de beste vriend van de mens. Een beestje dat vrolijk kwispelt als je thuiskomt, dat luistert naar ‘his masters voice’, een echte kompaan. Maar Jasper blijkt een geval apart, met een eigen (jacht)wil. Een beestje dat meer op Bakker lijkt dan de schrijver lang wil toegeven.

Bakker hanteert een soort dagboekstijl, de eerste aantekening dateert van 3 december 2014, de laatste – de nieuwe badkamer in het waarschijnlijk uit 1739 stammende huis is dan klaar – is van 30 december 2015. Maar de datums zijn eigenlijk bijzaak, een niet zo belangrijk stramien voor het geheel, eerder een houvast, een ritme voor de schrijver dan voor de lezer.

We leren van alles over Bakkers familie. Over een oudtante bijvoorbeeld die honderdvijf is geworden, die streng was (‘scherp’ heet dat in West-Friesland.) Een strengheid die eerder een zeker pragmatisch karakter heeft, die duidelijk ook bij Bakker zelf en in zijn werk te herkennen is. ‘Ze vond Boven is het stil een slecht boek omdat ik alles gelogen had.’ Schrijven is nu eenmaal de eigen waarheid liegen. De onzuiverheid van de herinnering, de verbeelding, het onderzoek naar mogelijkheden, daar draait het om. Leg dat maar eens uit, aan zo’n streng type. Haar zuster, Bakkers oma, wilde in het ziekenhuis niemand meer zien en zei: ‘Ik lig hier op mijn plek.’ Je hoort het Bakker zelf ook zeggen.

De stukken over de achtergrond van Bakker worden afgewisseld met perikelen in en rond het huis in de Eifel, met stukken over de ontvangst van zijn boeken, met (fijn, terecht, vilein) commentaar op het literaire circuit, op de meest wonderlijke dingen waar mensen naar vragen bij lezingen. Bakker heeft columns opgenomen uit Trouw en De Groene Amsterdammer en geeft een paar datums – het woord ‘data’ beschouwt hij terecht als ‘gegevens’ – later ruiterlijk toe dat hij de tekst wat heeft aangepast, dat hij ‘gelogen’ heeft. Heel droogkomisch allemaal! Bakker permitteert zich ongezouten meningen. Hij mag dat! (Nu, ja bijna iedereen mag dat natuurlijk. Maar sommigen moeten echt hun kop houden. Die oude oud-nieuwslezer bijvoorbeeld.)

Bakker, het ‘zwarte schaap’ van de familie, de niet met zijn handen werkt, maar met zijn hoofd. Maar omdat hij er (goed) zijn geld mee kan verdienen, hoort hij er toch wel bij. Zijn broers geven bijvoorbeeld advies over de verbouwing – iets dat vaak door Bakker in de wind wordt geslagen, lekker eigenwijs, dat weel hij ook wel. Ze brengen hem naar Duitsland of reizen mee naar literaire beurzen. (Aanvankelijk had Bakker nog vliegangst. Enorme strapatsen om eventueel op een schrijfbeurs in Beijing te komen.)

Tussen het planten, het zagen en rondrennen achter Jasper aan – ook als opruimknecht – leren we van alles over oude vriendschappen, over zijn opleidingen in Leeuwarden en Amsterdam, over zijn schaatscarrière. De kamertjes waar hij als min of meer genode gast verbleef. De verschillende kansen op amoureuze betrekkingen. Ja, het was niet, en is nog steeds niet, gemakkelijk voor een (eenkennig) mens, los van zijn geaardheid. Vooral als de vanzelfsprekendheid van de ontluikende seksualiteit op het platteland is verdwenen. Een wereld waarin bij de elf-, twaalfjarigen ineens meisjes opduiken.

‘Ik had natuurlijk vele ongelukkige liefdes tijdens mijn middelbareschooltijd. Vrijwel uitsluitend. Zo hoort het ook, geloof ik.’

Alles wordt van jongs af aan verdrongen en verbloemd. Niemand krijgt werkelijk te zien wat er in Bakker omgaat. Dat geldt natuurlijk voor ieder mens. (Daarom heeft Bakker waarschijnlijk net als Thomése zo’n hekel aan het werk van Karl Ove Knausgård. Het is onmogelijk om alles te laten zien, zoals de Noor beweert te doen.) Het is mooi hoe hij in dit boek weer commentaar verwerkt van familieleden en mensen om hem heen op eerder verschenen stukken. Hierop kan nu Jasper en zijn knecht verschenen is wederom worden gereageerd. Het Droste-effect waar Bakker, net zoals bijna elke schrijver, van verlost wil blijven. Hoe meer complimenten hij krijgt, hoe nukkiger hij wordt. Dat is voor de niet-schrijver bijna niet te begrijpen, maar het is logisch. Over wie je ook schrijft, het komt eigenlijk altijd als een boemerang naar je terug. Bakker zet wat dat betreft ook het een en ander recht richting de kritiek, zonder zich daarbij overigens een slecht verliezer te tonen.

Bakker hoopte met de aanschaf van zijn huis en van zijn hond iets in zichzelf terug te vinden om op een dag weer eens aan een roman te beginnen.

‘Ik betrapte mezelf op gedachte maar weer eens aan een roman te beginnen, alleen om die uren op te vullen. Maar als ik daar even over verder filosofeer, overvalt me toch weer de lichte weerzin. Nóg een boek de wereld ingeslingerd, mezelf weer scharen onder al mijn vakgenoten die ik momenteel niet hebben kan om hun pretenties, of niet eens om hun pretenties maar domweg omdat ze zich zichzelf schrijver durven noemen, of spreken over “mijn roman”. Die lichte weerzin – die nu al zo’n vijf jaar duurt – is een van de redenen om dit boek te schrijven. Ik wil erachter zien te komen waar die vandaan komt, en mogelijk hem zelfs overwinnen. Paradoxaal is natuurlijk dat ik tegelijkertijd wel gewoon een boek schrijf, dit boek.’

Collega’s en boekhandelaren krijgen er vervolgens (terecht) ongenadig van langs. Bakker heeft niets tegen kruideniers, waarom zou hij ook, maar veel boekhandelaren hebben tegen schrijvers inderdaad iets neerbuigends. Of ze nu wereldberoemd zijn of niet. Alles voor de cijfers!

Tot slot volgt een hartverscheurende epiloog. Het einde van een boek is altijd het moeilijkste, zegt Bakker kort daarvoor. Dat heeft hier een dubbele betekenis aangezien dit boek ook een redmiddel is, een ritme, een methodiek waar hij moeilijk afscheid van kan nemen. (Een tweede en zelfs een derde deel zijn van harte welkom!) De epiloog is misschien wel het allermooiste van het hele boek. Het behelst de teloorgang van heer en meester Jasper, tot en met zijn onfortuinlijke dood door een niet opgehelderde ziekte op 14 maart jongstleden. Bakker is een voorstander van het laconieker omgaan met de dood, maar juist door die karige zinnen stroomt zo veel onmacht, zo veel compassie, zo veel oprecht sentiment, zo veel zucht naar liefde dat hij zich toch écht even helemaal bloot lijkt te geven. (Droogkloot Bakker, mister zelfspot zelf, laat hier het ongemak voor wat het is. Geen grapjes. Hij houdt zogezegd zijn beroemde importonderbroek aan. Allemachtig wat komt dat aan! Een heel leven samengebald, teruggevoerd ook op de jeugd van de schrijver zelf. Een familie die maar moeilijk met akelige dingen om kan gaan.)

‘Nu ligt hij zachtjes te snurken in zijn schone mandje. Als hij slaapt heeft hij nergens last van. [ … ] Wat moet ik nu? Ik voelde me zo’n sukkel, zo’n loser, zonder rijbewijs. Ik kan zonder hulp geen kant op. En het was het ergste weer dat er kan zijn: grauw, vreselijk koud, regen. De Wieringermeer. [ … ] Jasper is doodgegaan op een manier die bij hem past. Hij lag tot twee uur geleden op zijn kussen in de woonkamer, hard als een oude teddybeer. [ … ] Er is een cirkel rond. Woensdag kan ik de as ophalen, en dan gaat hij mee naar de Eifel. Toch de oude perenboom.’

En dat terwijl Bakker net besloten had om kost wat kost voor hem te zorgen. Om zichzelf écht voor een ander wezen volledig op te offeren. Een goeie, rustig makende beslissing die ongenadig wordt afgestraft.

‘Ik nam een beslissing, na weken van wikken en wegen en me klote voelen, een pósitieve beslissing nota bene, maar de chef zelf bepaalde minder dan twee dagen later dat het anders lopen moest. En als het waar is, als hij inderdaad op me gewacht heeft, was dat een groots blijk van aanhankelijkheid en trouw en misschien zelfs wel liefde naar mij toe, eindelijk, voor een hond die nooit goed raad wist met zijn gevoelens.’

Jasper en zijn knecht is een droogkomische, licht-ironische en op subtiele wijze ontroerende zelfanalyse. Een memoir dat precies genoeg ‘tongue in cheek’ is om net als Hilary Mantels De geest geven eigenlijk te lezen en aan te voelen als een roman. Het inzetten van autobiografische elementen om de geest te laten schitteren. De engelen én de demonen te laten zien die een leven lang het handelen beïnvloeden. Ja, de drijfveren als mens en als schrijver zijn uit dit werk te destilleren. Het is duidelijk wanneer het schrijven, het leven in verhalen, is begonnen, in de vroegste jeugd, met het verzinnen, het verkleinen en uitvergroten van gebeurtenissen, van emoties. De kleine jongen, een ‘zorgelijk’ kind dat vergoelijkend door zijn moeder een ‘fantast’ werd genoemd in plaats van een ‘leugenaar’. En ‘onwijzeling’ wanneer hij op zijn kamertje met een jongen flikflooit. (Wat een mooi woord!) Daarna wordt er nooit meer over gesproken, wordt het bedekt met de Noord-Hollandse zwijgmantel.

De fantasie, de verbeelding die wordt ingezet als verdedigingsmechanisme, als veiligheidsklep. ‘Aan ons heb je niets,’ zei zijn moeder ooit tegen hem. Hard, onthutsend, maar eerlijk. Waardevol ook. Bakker heeft op wonderbaarlijke wijze een poging gedaan om zijn leven te herschikken met de taal als reddingsmiddel, met gebruik van herinneringen en door gaten zelf te dichten. Margaret Atwood: ‘Het geschreven woord lijkt op bewijsmateriaal, iets wat tegen je gebruikt kan worden.’ Door het romaneske, het literaire van Jasper en zijn knecht zou je daar eigenlijk niet voor moeten vrezen, maar Bakker zegt het zelf heel mooi: ‘Je wordt beoordeeld naar wat je lijkt, niet naar wat je werkelijk bent.’

Bakker heeft ruim vijf jaar na De omweg wederom een indringend boek geschreven, een ander soort boek, maar toch ook een dat je een louterende roman kunt noemen. ‘Als ik er zo eens bij stilsta, lijkt mijn hele leven wel een aaneenschakeling van doorheensleepperiodes.’ Jasper en zijn knecht is droogkomisch (de lunch bij koningin Beatrix bijvoorbeeld), maar gaat evengoed door merg en been. Literatuurwetenschappers kunnen natuurlijk ook hun hart ophalen.