Vraag het aan het stof van John Fante
Recensie door Guus Bauer (26 juni 2014)

Een treurige bloem in het zand

In de jaren veertig schreef de Amerikaanse schrijver van Italiaanse afkomst John Fante (1909-1983) semi-autobiografische romans over de immigrantenproblematiek, de daarmee samenhangende armoede, discriminatie en het opportunisme van de zogenaamde autochtone, lees conservatieve, christelijke blanke Amerikanen, over de gevolgen van de katholieke erfenis uit het oude moederland en over het beginnend schrijverschap en het uitblijven van succes. Het vechten tegen de bierkaai in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Daar waar de bevolking uit de smeltkroes zou komen.

Van de vertaling van de klassieker Vraag het aan het stof van Mea Flothuis uit 1985 is nu een herdruk verschenen. De uitgever vindt dat het werk van deze tijdgenoot van William Faulkner en Scott Fitzgerald een derde adem verdient. Wij helpen hopen.

Fante schreef na zijn twee eerste romans nog een verhalenbundel en leefde daarna van de hand in de tand met de verkoop van verhalen aan tijdschriften en het schrijven van scenario’s. Twaalf jaar later publiceerde hij een derde roman, Full of Life, die hem commercieel succes bracht en in 1956 werd verfilmd. Maar hij dreigde daarna als schrijver in de vergetelheid te raken, ondanks succesvolle draaiboeken waaraan hij meewerkte, zoals Walk on the Wild Side met onder meer Jane Fonda in een van de hoofdrollen.

In de jaren tachtig kwam Charles Bukowski hem te hulp. Hij verklaarde Fante tot zijn god. Vraag het aan het stof vond hij de beste roman ooit geschreven. Dat u het maar weet. Met de aanvulling: over het moeilijke leven van immigranten / schrijvers in Los Angeles in de eerste helft van de vorige eeuw, klopt dit wel. Fante werd door het toonaangevende blad Time Out tot ‘misdadig genegeerde auteur’ verklaard en kreeg daardoor een cultstatus. De eerdere romans werden herdrukt en Fante dicteerde aan zijn vrouw nog een paar boeken. Hij was erfelijk belast met diabetes en een voorliefde voor de fles en daardoor blind geworden en in een rolstoel terechtgekomen omdat zijn benen waren geamputeerd. Het kwartet romans dat zo met elkaar verbonden raakte, is bekend geworden als de Arturo Bandini cyclus. Postuum verschenen nog een paar novellen, verzamelaars met verhalen en brievenboeken.

De jonge Arturo is in Vraag het aan het stof net ontsnapt aan het armoedige stadje in Colorado waar hij zijn jeugd doorbracht.(Fante groeide op in Boulder.) Hij heeft een kamer bij een hospita – daar hoor je moderne schrijvers jammer genoeg nooit meer over, net als een armoedige jeugd, een internaat c.q. jeugdstrafinrichting, een schrijversgoudmijn – en zal toch eindelijk een keer moeten betalen.

‘Het was een belangrijke avond in mijn leven, want ik moest een besluit nemen over het hotel. Een van tweeën: óf ik betaalde óf ik ging eruit, stond er op het briefje dat de hospita onder mijn deur geschoven had. Een groot probleem dat recht had op mijn onmiddellijke aandacht. Ik loste het op door het licht uit te draaien en naar bed te gaan.’

Mij kan niets gebeuren. Ik moet en zal een groot schrijver worden. Een mooi voorbeeld van de arrogantie van de jeugd, die, omdat het boek in retrospectief is geschreven, met de nodige zelfspot is gelardeerd. Zeker in het begin heeft deze roman een uiterst fijne licht-ironische toon. Arturo is zelfverzekerd. Hij is immers de auteur van het in een tijdschrift verschenen verhaal ‘Het hondje lachte’. Iedereen in het hotel heeft het gelezen en er bewondering over uit gesproken. Al lezend hebben ze zich bescheurd. Wat een talent. Bij de bibliotheek zal Bandini weldra de B komen versterken.

Iedereen laat de tijdschriften waarin zijn verhaal staat links liggen in de lobby. Ook het Mexicaanse meisje Camilla Lopez op wie hij heimelijk verliefd is – op een wel heel onhandige, uiterst romantische manier – ziet hem niet als de grote schrijver, maar als een armoedige gelukszoeker. Iets wat haar eigenlijk genoeg is, maar wat Arturo door zijn jeugdige overmoed én onzekerheid niet doorheeft. Fijner en tragischer dan in het eerste gedeelte kun je de onzekerheid van de ‘grote geest’, van de jongeman die zo graag het (literaire) leven wil absorberen, niet omschrijven. O, heerlijke vertwijfeling en gedrevenheid tegelijk. Ja, een mens wordt geboren om een heel leven lang enthousiast te zijn.

‘Bang voor een vrouw! Een groot schrijver, dat had je gedacht! Hoe kan hij over vrouwen schrijven als hij er nog nooit een gehad heeft? O vuile huichelaar, bedrieger die je bent, geen wonder dat je niet kunt schrijven! Geen wonder dat het geen liefdesverhaal was, sufferd, vieze kleine snotneus. [… ] Ik liep de trappen af van Angel’s Flight naar Hill Street, honderdveertig treden, met gebalde vuisten, voor niets en niemand bang, maar wel benauwd voor de tunnel van Third Street, bang om er doorheen te lopen – claustrofobie. En ook bang voor hoogtes, voor bloed, en voor aardbevingen; maar verder zonder vrees dan voor de dood, behalve de vrees dat ik in een menigte zal gaan schreeuwen, vrees voor blindedarmontsteking, voor een hartkwaal, zelfs daarvoor, als hij in zijn kamer zit, met de klok in zijn hand en zijn vinger tegen zijn halsslagader gedrukt zijn hartslag zit te tellen, zit te luisteren naar het griezelige ronken en rommelen van zijn maag. Maar verder nergens bang voor.’

Een mens lijdt het meest, door het lijden dat hij vreest. Natuurlijk stuurt hij bemoedigende briefjes naar huis. Het gaat hem voor de wind, maar omdat het ‘voorschot’ uitblijft, vraagt hij toch om een paar dollarbiljetten. Aan de tijdschriftuitgever stuurt hij een lange brief waarin hij al zijn vertwijfeling stopt. Tot zijn verbazing komt er een schrijven waarin het stuk wordt geaccepteerd, een vette cheque bijgesloten. (Gebaseerd op Fante’s eigen verhaal ‘De misdienaar’ dat uitgegeven werd door H.L. Mencken.) Uiteraard, de goedheid zelve, verbrast hij het geld, leent het uit en geeft rondjes. Het moment waarop voor hem duidelijk wordt dat hij over zijn eigen leven moet schrijven, over de dingen die hij niet kan verloochenen, blijft uit.

Fante heeft zich dat pas later gerealiseerd. Het momentum wordt Bandini als het ware door de schrijver aangereikt. Hij koopt dure kleding, schoenen met slobkousen, allerlei artikelen en luxe etenswaren. Maar op een gegeven moment realiseert ‘de grote Bandini’ zich dat hij niet in die strakke boord thuishoort en glijdt terug in zijn oude kloffie.

‘Ze waren heel blij me weer te zien; ze omsloten me met koel genot en mijn gekwelde voeten gleden in de oude schoenen als in het zachte lentegras.’

Langzaam neemt Arturo afscheid van het idee dat hij ooit een groot schrijver gaat worden. Fante laat dit ook vormtechnisch zien door de ik-vorm af te wisselen met de hij-vorm. Dan wordt Bandini zogenaamd geïnterviewd vlak voordat hij afreist naar Zweden om de Nobelprijs voor de Literatuur in ontvangst te nemen. Een mooi staaltje cynisme waar hedendaagse Nederlandse literatoren die zo goed op zichzelf ingesneden zijn, mooi een voorbeeld aan kunnen nemen. Neem uzelve vooral niet al te serieus.

Camilla Lopez heeft het behoorlijk te verduren van Arturo. Hij ziet in haar niet alleen de ideale vrouw, maar ook een immigrante. Hij is een echte Amerikaan en geeft dus af op haar afkomst. Het denkt dat het zo hoort. Deze roman is ook een soort schuldbekentenis. Het is de ene immigrant die de andere veroordeelt, die feitelijk af wil van zijn eigen beladen achtergrond: het er bij hem ingeramde katholicisme. Ergens diep in hem vreest hij toch nog de toorn Gods wanneer hij een vrouw zou aanraken voor het huwelijk.

Er zit een waarachtig mooi beschreven woede samengebald in Arturo Bandini. Camilla die enerzijds zijn gedroomde vrouw is, maar die hem ook doet walgen van zichzelf. Juist omdat ze veel fijnbesnaarder en vooral waarachtiger is. Camilla is niet goed voor Arturo. En Camilla weet, of voelt aan, dat Arturo niet goed voor haar is. De grote Bandini heeft op een gegeven moment eindelijk zijn eerste zelfgeschreven roman in handen. Maar dan is Camilla verdwenen in de woestijn en kan hij haar er niet meer mee imponeren, voor zover het überhaupt indruk bij haar had kunnen maken.

Mooier kan de schuchterheid van de eerste grote liefde en van het beginnend schrijverschap haast niet beschreven worden, dit alles samengebald in een ijzersterke laatste alinea. Een jongeman neemt het heft in eigen hand en begint met leven – die achtbaan van vallen en opstaan met dat onvermijdelijke bittere einde.