De lange oren van Midas. Het begin van een schrijverschap van Gerrit Komrij
Recensie door Paul van Capelleveen (22 juni 2017)
De gedichten van Gerrit Komrij zijn altijd veel persoonlijker geweest dan enkele critici beweerden. Komrij’s werk is vaak geassocieerd met spiegeleffecten, maskerades en vermommingen, maar het masker was dan toch steeds zijn eigen masker en in die spiegel zagen we toch echt zijn eigen gezicht. Waarom het persoonlijke werd vervormd in zijn poëzie blijkt uit het recent verschenen boek over de wording van het schrijverschap van Komrij, De lange oren van Midas.

De dubbelzinnige titel verwijst naar de periode die Komrij in 1965 en 1966 doorbracht op Kreta – hij was toen net 21 geworden. Midas is bekend uit de Griekse mythologie. De bekendste Midas-mythe gaat over de koning die alles wat hij aanraakt in goud verandert, maar zijn gave kwijt wil nadat zelfs zijn kinderen bij aanraking in goudklompen zijn getransformeerd. Het talent is een last, kortom. De andere mythe heeft ook met talent te maken. In die mythe kiest Midas niet voor de god Apollo, maar voor Pan als beste musicus, en Apollo straft hem met de oren van een ezel. Dat zijn de lange oren van Midas uit de titel van Komrij’s boek. Dan gaat het dus om het herkennen van talent en vooral om de miskenning ervan. De jonge Komrij had daar kennelijk last van. Verschillende uitgevers weigerden zijn vroegste publicaties, en daar was deze roman er een van.

Komrij overleed vijf jaar geleden en dat is herdacht met een speciaal nummer van het sympathieke tijdschrift De Parelduiker, maar ook met deze postume publicatie van De Bezige Bij: De lange oren van Midas. De titel is overgenomen van dat jeugdwerk, maar het boek bevat zowel minder als meer dan dat. Meer, want de roman is aangevuld met dagboeknotities en trouwens ook met foto’s en facsimile’s van briefjes en literaire documenten. Minder, want niet de hele roman wordt nu gepubliceerd. De redacteur ervan, Arie Pos, licht toe dat Komrij dat niet wilde en dat het voor de lezers ook geen feest zou zijn vanwege de vele ‘larmoyante passages’, ‘tenenkrommende dialogen’ en ‘emotionele overpeinzingen’. Terwijl de jonge Gerrit toch echt dacht dat hij een meesterwerk aan het schrijven was daar op Kreta. Waarom lukte dat niet? Ten eerste natuurlijk uit onervarenheid; tot dan toe had hij alleen gedichten geschreven en daarvan waren er een paar gepubliceerd, maar proza was nieuw voor hem. Ten tweede had hij nog geen eigen stijl en vorm gevonden, en imiteerde hij de experimenten die destijds links en rechts populair waren.

Dat is voor veel lezers waarschijnlijk de grootste verrassing van De lange oren van Midas, de vele experimentele regels met citaten uit de popliedjes uit de jaren zestig. Daarvan is eerder een specimen gepubliceerd, namelijk het lange gedicht Mijn Minnaars (verschenen in 1994), maar dat was een gelimiteerde editie die weinig Komrijlezers zullen kennen. Maar er was nog een reden waarom de roman een (althans gedeeltelijke) mislukking werd: Komrij zat de realiteit de dicht op de hielen, had geen afstand, en gebruikte zijn schrijverij eigenlijk als een afrekening met zijn intimi. Hij was op initiatief van een vriendin, Ellen Jonker, naar Kreta vertrokken, maar eenmaal daar werd hij door haar vrij snel in de steek gelaten voor een Griekse minnaar: ‘Pas toen ze verdwenen was begreep ik dat er tussen haar en mij toch iets had bestaan’. Kreta was voor hem niet een paradijs, maar een oord van liefdesverdriet, twijfelzucht, teleurstelling, crisis en chronisch geldgebrek. Achteraf constateerde Komrij dat hij destijds ernstig in de war was. Het kostte hem bijna veertig jaar voor hij die periode kon beschrijven in herinneringen (in de bundel Demonen, 2003) en in een roman (Hercules, 2004). Intussen had hij wel een manier gevonden om de realiteit toe te laten tot zijn werk: de je-vorm van zijn gedichten schiep afstand, de satire deed hetzelfde in zijn essays en zijn taalvirtuositeit maakte het aantrekkelijk om zijn werk te lezen.

Wat gebeurde er eigenlijk op Kreta? Waarom vertrok de in Winterswijk geboren Komrij, die pas sinds de zomer van 1963 in Amsterdam woonde, halsoverkop naar Kreta? Komrij studeerde Algemene en Vergelijkende West-Europese Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, maar wilde eigenlijk alleen maar dichter worden; hij publiceerde al gedichten in studentenbladen. Intussen wilde hij ook een homoseksueel leven leiden en zo raakte hij verzeild in de ‘homosien’. Arie Pos constateert: ‘Maar gelukkig werd hij er niet van en mede vanwege zijn scherpe tong en treiterzucht maakte hij weinig vrienden. Uit verlegenheid veinsde hij onverschilligheid en hij keek weerbarstig omdat hij niet vriendelijk wilde lijken.’ Zonder veel overdrijving kun je stellen dat Komrij op Kreta zo in de knoop kwam te zitten dat hij zich realiseerde dat een en ander gescheiden moest worden. De treiteraar werd een gevreesd en virulent criticus en de verlegen Komrij werd een vriendelijker mens in de omgang.

Zijn vertrek naar Kreta hing samen met de vijanden en schulden die hij had gemaakt in Amsterdam. Maar het moment was net verkeerd gekozen, want vlak voor zijn vertrek kwam hij de grote liefde van zijn leven tegen, Charles Hofman. Hij kon bijna niet geloven dat dit een vaste vriendschap kon worden, maar op Kreta realiseerde hij zich dat het alternatief, een stabiele heteroseksuele relatie zeker niet voor hem was weggelegd. In Demonen schreef Komrij over deze periode: ‘Er was een type op wie ik verliefd was. Hij [Charles] leek onaanspreekbaar, van marmer. Er was een type op mij verliefd [Ellen]. Ik hapte niet toe, of alleen onder dwang. De keuzes die ik wilde maken leek ik niet te kunnen maken en de keuzes die ik wel maakte leek ik niet te willen maken.’ Dat gold niet alleen voor Kreta, ook na terugkomst had hij nog een duwtje in de rug nodig (van een andere vriendin, Ansje) om Charles opnieuw op te zoeken. Maar vanaf dat moment had hij twee dingen bereikt: een stabiele vriendschap én een eigen stijl van schrijven.

De dagboekjes en aanzetten en romanfragmenten laten een zoekende Komrij zien, een persoonlijke worsteling en een literaire queeste, met notities als: ‘De dichtkunst moet verdwijnen. Ik geloof aan een bordeelpoëzie. Maar hoe? Ik zal erover denken.’ En: ‘Door de nieuwe langspeelplaat van de Beatles is deze dag voor mij Sinterklaas- en kerstdag tegelijk geworden. “I have just seen a face”, op de plaat Help! Alles wat ze doen is goed, net Shakespeare.’ Hij schrijft koortsachtig, geholpen door alcohol, benzedrine en maxiton, maar dan nog: ‘ik werk voor piet snot. Wat ik eventueel ook maar zou willen gaan zeggen, blijft gehakte lucht tegen de hemel plat gekwakt.’

Intussen waren er enkele vrienden die zijn best voor hem deden: uitgever Eli Scheen, die ook naar Kreta kwam en bij wie hij in huis kon wonen, en redacteur (later uitgever) Theo Sontrop, die bemiddelde tussen Komrij en tijdschriftredacties en uitgevers. Na zijn terugkomst in Amsterdam zou Komrij vertalingen uit het Frans, Duits, Engels en uit andere talen maken waarmee hij in zijn onderhoud kon voorzien, totdat hij recensent en vaste columnist kon worden bij Vrij Nederland en NRC Handelsblad. Ook besteedde hij op Kreta en later in Amsterdam veel tijd aan het samenstellen van zijn debuutbundel; hij hield er een ingewikkelde administratie op na met verschillende lijsten van gepubliceerde of ingezonden gedichten, op basis waarvan hij probeerde een bundel te componeren. In het debuut zijn enkele restanten van experimentele gedichten terechtgekomen, maar de meeste gedichten hadden een volstrekt nieuwe toon en thematiek. Met Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968) maakte Komrij dan ook meteen naam. Precies wat hij wilde.